Bekijk het origineel

De gemeentebegroting

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De gemeentebegroting

Voor 1973: sluitend of niet

10 minuten leestijd

Aan het einde van het jaar wanneer het nieuwe dienstjaar al weer binnen gezichisbereik komt worden we gewoonweg overspoeld met begrotingen. En of dit nu de gemeente-, de provinciale of de rijksbegroting is, het eerste waarnaar men kijkt is of ze wel sluitend zijn. Met dit gegeven zitten we feitelijk al midden in de hestimrsproblematiek. Eén vcm de grootste puzzels, waarvoor vele overheidslichamen zich jaarlijks gesteld zien, is de vraag: „Hoe zorgen wij er ditmaal voor, dat de begroting sluit?" Met deze moeilijkheid kampen niet alleen de verschillende ministeries en de provinciale overheid, maar vooral de gemeentebesturen.

Het zijn juist de gemeenten, die «lic Jaar weer met een aanzienlijk begrotingstekort in de maag zitten. Dit komt hoofdzakelijk doordat zij te weinig financiële armslag van het rijk krijgen. Hoewel de gemeente door de snelle ontwikkeling van de samenleving geldverslindende voorzieningen moet treffen om aan de voortdurend wijzigende behoeften op velerlei gebied — als onderwijs, verkeer en bejaardenzorg — te voldoen, blijft zij voor het grootste deel afhankelijk van de rijksoverheid. Met andere woorden: de financiële verhouding Rijk-gemeenten, die al geruime tijd min of meer een zorgenkindje is, is nog steeds niet tot een gezonde verhouding uitgegroeid.

Het zijn de ministers van binnenlandse zaken en van financin die de hoogte en de verdeling van de uitkeringen uit het gemeentefonds — een rijksfonds waaruit het leeuwedeel van de gemeentelijke Inkomsten geput wordt — vaststellen. In het gemeentefonds wordt elk jaar een zeker percentage van de opbrengst van een dertiental rijksbelastingen gestort. Over het algemeen varieert dit percentage van jaar tot jaar. Voor 1973 heeft de minister het bepaald op 14,77; dit is 0,27 lager dan dit jaar. Als reden hiervoor noemde de bewindsman: „Bij hantering van het huidige aandeelpercentage van 15,04 zou volgend jaar opnieuw een aanzienlijk bedrag aan reserves kunnen worden toegevoegd. (Dit jaar houdt men waarschijnlijk ƒ 200 miljoen over. red.). Mede door deze gunstige ontwikkeling is besloten het Gemeentefonds ditmaal niet te laten delen in de (...) voorgestelde verhoging van de belastingen, waartoe met het oog op de noodzakelijk geachte stijging van de rijksuitgaven moest worden besloten. Aangezien de belastingopbrengst, waarin het Gemeentefonds deelt, voor 1973 wordt geraamd op ƒ 40.037 miljoen, wordt (...) voorgesteld het aandeel van het fonds daarin met ingang van het uitkeringsjaar 1973 met 0,27 procent te verlagen, waardoor het wordt gebracht op 14,77 procent". Naast deze belastingopbrengst van ƒ 40.037 miljoen, staan het gemeentefonds ook nog ter beschikking de reserve — ƒ 200 miljoen — en het nog in 1973 te ontvangen aandeel in de wiebeltax — ƒ 35 miljoen —. Het fonds zal dus volgend jaar worden gevoed met 14.77 pet. van dit totale bedrag, ƒ 40.272 miljoen, d.i. ƒ 5948.000.000.

Raad van gemeentefinanciën

Over deze — voor zowel rijk als gemeente — zeer belangrijke zaak wordt de minister geadviseerd door de raad voor de gemeentefinanciën. Dit is een college waarin vertegenwoordigers zitten van de gemeentebesturen en een aantal niet-stemhebbende leden, die door de regering zijn aangewezen. Het Is helaas beslist geen uitzondering wanneer de minister een advies van deze raad naast zich neerlegt. Hevige kritiek op een dergelijke gang van zaken is dan ook niet van de lucht. ,,De gelden in het gemeentefonds zijn gelden voor de gemeenten, maar de gemeenten hebben er zelf niets over te zeggen!", zo is de dikwijls geuite klacht.

Vanzelfsprekend kunnen de bewindslieden dit geld niet willekeurig verdelen — diezelfde ministers hebben hiervoor een aantal normen gesteld, die ze overigens ook weer mogen bijspijkeren als ze de tijd daartoe rijp achten. „Bijspijkeren" — op de wettelijke manier welteverstaan.

Veruit de belangrijkste uitkering van het gemeentefonds is die per inwoner Met het oog daarop heeft men de gemeenten in groepen verdeeld. Binnen zo'n groep ontvangt elke gemeente — hoeveel ze onderling ook vaak verschillen — in principe dezelfde uitkering. De teneur, die de laatste jaren steeds sterker wordt, is dat de uitkering voor de grootste gemeenten voortdurend sterker toeneemt dan voor de andere gemeenten. Op deze manier krijgt het gemeentefonds de wat nare bijsmaak van „gul zijn voor de grote gemeenten, maar karig voor de kleinere..."

Uitkeringen
ging, die een verlaging van deze uitkering zal inhouden, moet overigens nog door de Staten-generaal worden goedgekeurd.

Het vierde en het vijfde of laatste onderdeel zijn het reeds genoemde vaste bedrag voor iedere inwoner en een vaststaande uitkering van ƒ 20.000 aan alle gemeenten, waarvan het inwonertal beneden de 2.000 ligt.

De onderwijsuUkering wordt wel via het gemeentefonds uitgekeerd, maar niet uit de middelen van het fonds (de reeds genoemde dertien belastingopbrengsten) geput. Het rijk «tort namelijk het voor deze uitkering nodige bedrag rechtstreeks in het fonds. Deze uitkering dient hoofdzakelijk ter bestrijding van de kosten van het openbaar, het bijzonder en het buitengewoon lager onderwijs. Onder de onderwijsuitkering vallen niet de salarissen van de leerkrachten, want die worden rechtstreeks vergoed.

Verhoging

In de toelichting op de begroting van 1973 komt men de volgende zinsnede tegen „Voor wat het lager onderwijs betreft is voor het gewoon lager onderwijs rekening gehouden met een prijsstijging van 5 procent voor investeringen en van 4 procent voor de niet direkt loongevoelige uitgaven in de exploitatiesfeer, alsmede met een extra verhoging van het jaarlijkse bedrag per leerling van ƒ 6,70".

Een en ander heeft tot gevolg dat de lager onderwijsuitkering voor het volgend jaar op ƒ 802,5 miljoen wordt geraamd. Dit is ƒ 84,5 miljoen hoger.

De belastinguitkering ontvangen alleen die gemeenten welker belastingcapaciteit beneden het landelijk gemiddelde ligt. De aanvulling ten laste van het fonds tot het nationaal gemiddelde vormt de eigenlijke belastinguitkering.

Verfijningen

De minister kan — bij algemene maatregel van bestuur — het bedrag dat de gemeente per inwoner ontvangt in bijzondere gevallen verhogen. Deze buitengewone, gemeentelijke omstandigheden openen de mogelijkheid om een „aantal verfijningen" in de wettelijke regeling toe te passen. Dit „verfijningsartikel" kan onder meer op de volgende gemeenten toegepast worde»: • gemeenten in probleemgebieden, waaronder de ontwikkelingskerken; • mijngemeenten; • gemeenten waar een instelling voor wetenschappelijk onderwijs is gevestigd; • gemeenten die zich kosten moeten getroosten van monumentenzorg; • gemeenten met een stedelijk karakter.

Naast deze uitkeringen uit het gemeentefonds, die gemiddeld 80-90 procent van de inkomsten uitmaken, heeft de gemeente nog de beschikking over andere inkomstenbronnen:

Andere inkomstenbronnen

de inkomsten van eigendommen, zoals huren of pachten van gemeente-eigendommen, opbrengsten uit openbare vervoermiddelen (tegenwoordig eerder een grote verliespost dan het tegendeel) en uit nutsvoorzieningen — bijv. gas, water en elektriciteit —. • de opbrengst van de diverse gemeentelijke belastingen (op o.a. honden bouwterreinen, straten of wegen).

Dit zijn — In grote lijnen — de inkomsten waar de gemeenten het mee af zouden moeten kunnen. Toch is dit veelal niet het geval. De mogelijkheid is daarom dan ook ruimschoots aanwezig om gemeenten, die niet met de door de wet vastgestelde uitkering rond kunnen komen, een aanvullende uitkering uit het gemeentefonds te verlenen. Aan deze uitkering zijn echter een tweetal beperkingen verbonden. In de eerste plaats moeten deze gemeenten „hun inkomstenheffing uit eigen hoofde tot een redelijk peil hebben opgevoerd", willen zij voor de uitkering in aanmerking komen, terwijl anderzijds zo'n extra uitkering ten koste gaat van de gemeentelijke bewegingsvrijheid. Er kunnen namelijk beperkende voorwaarden aan verbonden worden, die nauwgezet nageleefd moeten worden. De aanvullende uitkering kan deze noodlijdende gemeenten drie jaar lang worden toegekend. Daarna is de mogelijkheid voorhanden om definitief een hogere algemene uitkering te ontvangen. Het speciale toezicht van hogerhand eindigt dan.

Uitgaven

Tegenover Inkomsten staan — zoals iedereen weet — uitgaven. De geraamde begrotingsuitgaven vormen voor de colleges van b en w het krediet waarover zij kunnen beschikken. Tenminste voor zover hiertoe geen nader raadsbesluit vereist is. Omdat gemeentebemoeiingen uitgaven vergen is de begroting in feite een afspiegeling van de activiteiten die de gemeente in het begrotingsjaar hoopt te ontwikkelen. De begroting geeft dus antwoord op de vraag of de gemeenten met de (geraamde) bedragen haar belangen behoorlijk zal kunnen behartigen.

Ook het hoger gezag is door de begroting in staat het financieel beleid van de gemeente in zijn totaliteit te beoordelen. Een beoordeling die overigens door de wet is voorgeschreven. Want de gemeentebegroting behoeft goedkeuring van gedeputeerde staten. Met andere woorden het toezicht op de begroting is in handen van het college van GS van de provincie waarin de gemeente is gelegen. Een toezicht dat zowel een „afwerend" als een „bevelend" karakter draagt. Gedeputeerde staten moeten enerzijds waken tegen een verkeerd gebruik van het budgetrecht — d.w.z. het recht om over de financiën te beschikken — door de gemeente (afwerend toezicht), terwijl zij aan de andere kant bevelend optreedt t.o.v. de „verplichte uitgaven".

Verplichte uitgaven

Op deze categorie van uitgaven is het provinciaal toezicht ronduit ingrijpend. Brengt namelijk een gemeenteraad de verplichte posten niet of tot een te laag bedrag op de begroting, dan nemen gedeputeerde staten deze specifiek gemeentelijke taak over. In dit verband brengen zij dus of nieuwe posten op de begroting of verhogen bestaande. Hierdoor wordt vanzelfsprekend het evenwicht in de begroting, die in normale tijden sluitend moet zijn, verstoord. Er moeten daarom nieuwe dekkingsmiddelen worden aangewezen. GS stellen de raad in de gelegenheid dit te doen. Is de raad echter op dit punt nalatig dan verminderen GS de niet-verplichte posten in die mate dat het evenwicht weer is hersteld. De post „onvoorzien" is hiervoor meestal het meest aangewezen.

In feite handelen gedeputeerde staten hiermee in strijd met de gemeentewet, want het dagelijks bestuur van de provincie mag enkel en alleen niet-verplichte uitgaven verlagen. Maar de post „onvoorziene uitgaven" is zo'n verplichte post...

Behalve wat de kwestie van de verplichte uitgaven betreft, kunnen GS

Het raadhuis van het Noordbrabantse Klundert is er nog één van „het oude stempel". slechts of de begroting In haar geheel goedkeuren of afkeuren. Gedeeltelijke goedkeuring is uitgesloten. De raad kan wel — indien het college van GS zijn goedkeuring onthoudt — bij de Kroon in beroep gaan. Er bestaat een aantal punten die ged. staten in hun oordeelvorming over de gemeentebegroting niet uit het oog mogen verliezen.

1. Ze moeten er op toezien dat lasten, die het huidige geslacht moet dragen, niet op het nageslacht worden afgewenteld.

2. Het provinciaal bestuur tilt erg zwaar aan het feit dat een begroting sluitend is.

3. Het college van GS heeft ook tot taak nauwlettend in de gaten te houden of bij de uitgaven het gemeentelijke belang betrokken is.

Puzzel

Wij zien dus dat — ook voor gedeputeerden — de vraag: „Sluit de begroting?" van groot belang is. De puzzel van „hoe maken wij 'm sluitend" — waar jaarlijks praktisch alle Nederlandse gemeenten voor staan — met recht een bestuursprobleem van de eerste orde is.

Gezien de grote bedragen, die opgeslokt worden voor het onderhoud van straten en pleinen, van gebouwen en plantsoenen, voor de stadsontwikkeling, de sanering en de woningbouw, voor de musea, de volksgezondheid en noemt u maar op, is het vandaag de dag bijna onbegonnen werk een begroting sluitend te maken — zonder prioriteiten te stellen. Dit is mede zo ondoenlijk geworden doordat de gemeenten in feite bitter weinig invloed hebben op een niet weg te denken begrotingsonderdeel: de inkomsten. Deze worden immers grotendeels door de rijksoverheid vastgesteld. Een nadelig begrotingssaldo demonstreert niets anders dan een te lage gemeentefondsuitkering.

Maar toch is de begroting de aandacht, die eraan besteed wordt ten volle waard. Het geeft de raad immers de gelegenheid om het gevoerde en het te voeren beleid nader te beoordelen. 78 Eén van de moderne gemeentehuiin strakke stijl opgetrokraadhuis van Capelle aan den „een woonstad in wording".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 6 december 1972

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

De gemeentebegroting

Bekijk de hele uitgave van woensdag 6 december 1972

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken