Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

i/ePifiin defd Nederland op weg naar een nieuw politiek bestel ? II

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

i/ePifiin defd Nederland op weg naar een nieuw politiek bestel ? II

15 minuten leestijd

In het vorige artikel zagen wij, dat de pacificatiedemocratie zich kenmerkte door een sterke mate van verzuiling, erkenning van de evenredigheid in de publieke aanspraken van de zuilen (kamerzetels, benoemingen, subsidies etc), een grote bereidheid tot coalitievorming tussen de zuilen èn een grote stabiliteit van , de omvang der zuilen.

Al deze kenmerken versterkten elkaar wederkerig. Het bestaan van stabiele zuilen, die elk op zichzelf minderheden waren, maakten coalitievorming onontbeerlijk. De verschillende zuilen hadden belang bij de evenredigheid in de politieke aanspraken en waren met elkaar in staat die evenredigheid in wetten en grondwet en in de politieke en bestuurlijke tradities vast te leggen.

Omgekeerd betekenden deze vastgelegde aanspraken op evenredigheid in de toewijzingen van publieke middelen en posities, dat verzuiling „loonde". Wanneer men begon met eigen maatschappelijk werk of eigen middelbare scholen kon men - wanneer men aan de • regels voldeed - aanspraak maken op dezelfde subsidie als de „algemene" organisatie; uiteraard naar evenredigheid van de grootte van de groepen.

Stabiliteit

De stabiliteit van de zuilen blijkt duidelijk uit de verkiezingsuitslagen. In tabel 1 zijn met een tussenperiode van ongeveer tien jaar de uitslagen van de Tweede-kamerverkiezingen weergegeven, sinds in 1918 het stelsel dere venredige vertegenwoordiging in werking trad.

Opvallend zijn dan de betrekkelijk geringe veranderingen, die zich in de periode 1918 - 1959 hebben voorgedaan. De zuilen bleken in hoge mate op de trouw van hun aanhangers te kunnen rekenen. En dat in een tijdvak waarin toch zowel een grote economische crisis als een oorlog ons land teisterden.

Van de vijf grote partijen vertonen de liberalen nog de meeste verschuivingen in de loop van de tijd. Dit hangt samen met het feit, dat de liberale zuil het minst geïntegreerd was. De socialisten en vooral de rooms- tathohekf n zijn echte r opv allen( 1 stab iel, waarbij de laatsten een lichte tendens naar boven vertonen.

"Uitslagen van Tweede-Kamerverkiezingen ten 1918-1972 in procen

en nieuwe partijen 11,9 10.9 15,5 13,0 8,3 11,9 26,9

In de jaren 1918, 1929 en 1937 zijn onder PvdA de resultaten samengeteld die de drie partijen (SDAP, VDB, CDU) dit zich na de oorlog tot de PvdA zouden verenigen, toen afzonderlijk behaalden. De SDAP is bovendien ook nog apart vermeld.

Onder WD zijn in 1918 de resultaten samengeteld van Unie-liberalen en Oud-liberalen en in 1929 en 1937 de resultaten vermeld van de Vrijheidsbond, waaruit via de Partij van de Vrijheid in 1948 de 'VVD is ontstaan.

Onder „kleine en nieuwe partijen" zijn de stembusresultaten van al die partijen begrepen, die stonden buiten het blok van de vijf of zes partijen waarop het politieke bestel rustte.

In de kolom „gemiddeld" is het gemiddelde stemmenpercentage vermeld van de verkiezingen van 1918, 1929, 1937 en 1959. H. VAN MIERLO H. WIEGEL

Die tendens viel te verklaren uit de stijging van het rooms-katholieke volksdeel. Wel had de Rooms-katholieke kerk. evenals de andere kerken, te kampen met geloofsafval, maar deze werd meer dan gecompenseerd door de hoge geboortecijfers der rooms-katholieken. Zo is berekend, dat tussen de volkstellingen van 1930 en 1947 de Rooms-katholieke kerk en de Nederlandse Hervormde kerk elk honderdduizend leden verloren door afval. Door het hoge geboortecijfer steeg de Rooms-katholieke kerk echter met ongeveer 800.000 leden en de Hervormde kerk maar met ongeveer 300.000 leden. De RK kerk wist dan ook liaar aandeel in de Nederlandse bevolking te verhogen, terwijl het aandee! der hervormden daalde.

Kentering

Zoals uit de laatste kolom van tabel 1 blijkt is de situatie thans aanzienlijk veranderd. De confessionele partijen zijn aanmerkelijk gezakt vergeleken met het niveau, dat zij in de periode 1918 - 1959 hadden. KVP en CHU verloren bijna de helft van hun aanhang, de AR bijna een derde. Opmerkelijk is daarentegen de geweldige groei van de groep „nieuwe en kleine partijen". Bij de jongste verkiezingen vond meer dan een kwart van de kiezers daar de partij van hun keuze.

Er hebben zich in de zestiger jaren dus belangrijke verschuivingen voorgedaan in de Nederlandse politieke verhoudingen. Deze bleken reeds bij de verkiezingen van 1963 toen Koekoek met drie man zijn intrede deed in het parlement, de fractie van de PSP werd verdubbeld en de CPN voor het eerst na 1946 zetelwinst boekte. Tekenend was vooral ook dat'het stemmenpercentage van de vijf of zes grotere partijen waarop het . politiek bestel rustte (KVP, PvdA, ARP, VVD, CHU en voor de oorlog de VDB), dat sinds de dertiger jaren voortdurend gestegen was, nu duidelijk terugliep.

Bij de statenverkiezingen van 1968 (grote winst voor Boeren en PSP) en de Tweedekamerverkiezingen van | 1967 (ongedachte triomf van D'66) zette deze tendens zich voort. Met name de kamerverkiezing van 1967 toen na de nacht van Schmelzer de polarisatie tussen socialisten en confessionelen al duidelijk zichtbaar was en Koekoek en Van Mierlo elk met een fractie van zeven leden in de Kamer kwamen, wordt wel als een keerpunt beschouwd. De eerder genoemde prof. Lijphart ziet 1967 dan ook als het einde van een halve eeuw pacificatiedemocratie (1917 - 1967).

Bij beide verkiezingen in de zeventiger jaren zet de afbraak van het oude bestel zich verder voort. De geringe stijging van het stemmenpercentage dat bij de laatste verkiezingen door de traditionele vijf grote partijen gezamenlijk werd behaald, is in dit verband niet doorslaggevend. Een veel belangrijker indicator is de daling van het confessionele stemmenpercentage. Bovendien heeft de polarisatie een voorshands vrij diepe kloof teweeg gebracht tussen de PvdA (die zich nauw verbonden heeft met nieuwe partijen als D'66 en de PPR) en de andere vier traditionele "partijen. Op beide punten willen .we nader ingaan. W. DREES ji H. KOEKOEK Christen-democraten 49,1 PvdA VVD 30.4 12,2 87,5 12,5 78,8 21,2 71,7 28,3 73,1 26,9

nieuwe partijen kleine confes3,7 7,5 15,6 22,0 20,2 sionele partijen 2,8 3,0 2,9 4,4

Onder de categorie nieuwe partijen zijn alle partijen en lijsten begrepen, behalve de traditionele vijf grote partijen (PvdA, KVP, VVD, ARP,.CHU) en de traditionele twee kleine partijen (CPN, SGP).

Onder de cattgorie kleine confes.ïionele partijen zijn begrepen de SGP, het GPV en de NRP/RKPN.

Deconfessionalisering

Sinds 1948 toen de confessionele partijen bij elkaar ruim 58 procent van de stemmen veroverden, is het percentage van de confessionelen voortdurend gedaald. Alleen 1963 bracht een kleine opleving, maar sindsdien ging de achteruitgang in versneld tempo verder. In de negen jaar sinds de verkiezingen van 1963 verloren de drie grote confessionele partijen ongeveer vier maal zoveel dan in de vijftien jaar van 1948 tot 1963.

Hadden de KVP, de AR en de CHU in 1948 bij elkaar nog een redelijke meerderheid van 54 op de 100 zetels in de Tweede Kamer, thans hebben zij er met elkaar nog maar 48, maar dan in een Kamer van 150 leden. Hoewel het totaal aantal uitgebrachte stemmen sinds 1948 met de helft toenam, wist van de drie grote confessionele partijen alleen de ARP in 1972 hetzelfde aantal stemmen te behalen als in 1948. De CHU kreeg er ditmaal honderdduizend minder, de KVP ruim twee honderdduizend minder. Een partij als de SGP steeg daarentegen in deze periode met bijna vijftigduizend STEMMEN.

Dit verschijnsel van de afnemende aanhang van de confessionele partijen duidt men aan als de deconfessionalisering; nader gepreciseerd als de kwantitatieve of de externe deconfessionalisering. Er is immers ook de kwalitatieve of de interne deconfessionalisering die betrekking heeft op de vermindering van het confessionele karakter van de confessionele partijen zelf. Beide verschijnselen vallen te constateren en hun effecten versterken elkaar.

Opvallend is verder dat de groep der meer principiële confessionele partijen sinds 1959 voortdurend groeit (zie tabel 2 onderste regel). In stemmenpercentage heeft deze groep de CHU reeds gepasseerd.

De verklaring van deze deconfessionalisering zullen we primair moeten zoeken in de sterke secularisatietendenzen, die in onze samenleving aanwezig zijn, In de vijftiger jaren werd daarnaast ook wel gewezen op het feit dat meer dan voorheen de sociaal-economische kwesties in de politieke strijd centraal stonden en de kiezers dan meer geneigd zijn zich te groeperen langs sociaal-economische scheidslijnen dan langs confessionele. Thans staan echter ook de cultuurpolitieke vragen, waarop juist de confessionele partijen eën duidelijk eigen geluid zouden moeten laten horen (abortus, zedelijkheidswetgeving, huwelijk en gezin) sterk in het centrum van de belangstelling.

Deze deconfessionalisering, zowel de interne als de externe, betekent, een duidelijke afbraak van het stelsel der verzuiling. Want al rekent men meestal met vier zuilen - de protestants-christelijke, de roomskatholieke, de socialistische en de liberale - toch is er tussen die vier wel degelijk verschil in de aard van de verzuiling. 4.9 iÈ ZIJLSTRA

De antirevolutionairen zijn altijd de meest fervente voorstanders van eigen verzuilde organisaties geweest. De rooms-katholieken zijn - zoals wij in het eerste artikel beschreven - hen daarin gevolgd en hebben door de grootte van hun groep in kwantitatief opzicht aanzienlijk tot de verzuiling bijgedragen. Hoewel ook in andere landen een zekere socialistische verzuiling is opgetreden, is deze haast nergens zo ver gegaan als in Nederland, waar de socialisten zich aan het confessionele voorbeeld konden spiegelen. Een tweede VARA bestaat er naar mijn weten niet. In liberale kring is de verzuiling slechts met tegenzin aanvaard.

Dat betekende dat in het Nederlandse stelsel van de verzuiling, de confessionelen een centrale plaats innamen. De afbrokkeling van de confessionelen: zuil en vooral ook de vermindering van de behoefte aan eigen organisaties in confessionele kring zelf, ondermijnt dan ook het bestaande stelsel. Beide verschijnselen doen zich echter voor, vooral in rooms-katholieke kring.

I *i Polarisatie
Bij de kabinetsformatie van 1963 bleek dat de ITVD. en de PvdA niet bereid waren in één kabinet zitting te nemen. Noodgedwongen moesten de confessionelen (met name de KVP) toen een keuze tussen die beide partijen maken. Deze polarisatie - het zich concentreren op de polen, de uitersten - heeft zich sindsdien voortgezet.

De nacht van Schmelzer in 1966 en de radicalisering van de PvdA in diezelfde tijd, leidden tot een diepe kloof tussen de PvdA en de confessionelen. De PvdA verbond zich met D'66, die het bestaande partijenstelsel wilde doen ontploffen en ingrijpende staatsrechtelijke wijzigingen wilde aanbrengen. Na de laatste verkiezingen ziet het er zelfs naar uit, dat er door deze polarisatie geen parlementair meerderheidskabinet meer te formeren is.

De. tegenstanders van de verzuiling klaagden er vroeger altijd over dat door die verzuiling de tegenstellingen werden vergroot, de verschillende volksdelen tegen elkaar werden opgezet, kortom dat door deze verzuiling het Nederlandse volk „jaipmerlijk verdeeld" raakte. Het feit doet zich echter voor, dat de afbraak van de verzuiling juist gepaard gaat met een toenemende polarisatie.

In het systeem van de pacificatiedemocratie bestond er een redelijk goede samenwerking tussen de elites in de zuilen. Thans menen de politieke leiders zowel in liberale als in socialistische kring voordeel te hebben van een aanwakkeren van de tegenstellingen. Door de verzwakking van het confessionele midden zijn de confessionele politici onvoldoende in-staat deze deels kunstmatige polarisatie te neutraliseren.

Belangrijk is verder ook dat door de afnemende verzuiling de politieke vervreemding van brede lagen in onze samenleving bevorderd wordt. In de oude zuilen was er een ideologische band tussen elite en achterban. De gereformeerden voelen zich verbonden met Colijn, de socialisten met Drees, de christelijk-historischen met Tilanus (Drees sr. en Tilanus sr. wel te verstaan). Doordat ,.de voormannen"., waren doorgedrongen tot de politieke toplaag, voelden hun aanhangers zich verbonden met het politieke bestel en betrokken bij het politieke gebeuren. In het premierschap van Colijn en Drees zag men de geslaagde emancipatie van de afgescheiden „kleine luyden" resp. van de proletarische arbeiders, belichaamd. Door het afnemen van de verzuiling, zijn ook deze bindingen sterk verminderd en is de vervreemding van de overheid en de politici aanzienlijk toegenomen.

Het is dan ook duidelijk dat aan de voorwaarden van de pacificatiedemocratie thans niet meer wordt voldaan. Kenmerkend daarvoor was immers een sterke mate van verzuiling; deze verzuiling neemt evenwel snel af. Ook de stabiliteit van de zuilen - een tweede kenmerk - is verdwenerr.-Van de grote bereidheid tot coalitievorming is door de polarisatie weinig meer overgebleven. Maar ook de evenredigheid in de publieke aanspraken van de zuilen wordt thans minder erkend dan voorheen.

Dat blijkt ook duidelijk in de discussies over de wijziging van het kiesstelsel. In plaats van het stelsel der evenredige vertegenwoordiging wilde de meerderheid van de in 1967 ingestelde staatscommissie CalsDonner een beperkt districtenstelsel invoeren. Dit punt is door de progressieve drie overgenomen, terwijl ook de confessionele drie in die richting denken. • Het argument, dat daardoor aan het recht van de kleinere politieke groepen op .een evenredige vertegen, en dan vooral de vorming van een stabiel kabinet, steeds moeilijker .schijnt te worden. Dat die moeilijkheden reëel zrjn, bewijst'de huidige situatie., -'s --. Waar vroeger het overgrote deel der kiezers zich ook in het stemhokje verbonden voelde met een bepaalde zuil. is dit thans veel minder geworden. Vandaar ook de toenemende versplintering en de veel grotere verschuivingen bij de stembus. Bij de laatste twee Kamerverkiezingen verwisselden in beide gevallen niet minder dan 20 Tweede-kamerzetels van partij. In 1963 waren dat er maar 9, in 1952 (bij een Kamer van 100 leden) maar vijf.

Daarbij komt dat de kiezers zich meer dan voorheen laten leiden door hun snel wisselende sympathieën voor politieke leiders. Koekoek,- Zijlstra, Van Mierlo, Drees jr.. De Gaay Fortman en Wiegel zijn daar voorbeelden van. Dit is behalve door de televisie, die de politici bij de kiezers in de huiskamer brengt, ook veroorzaakt door de afgenomen binding aan de- traditionaele partijen. Dat maakt dat de verdedigers van het districtenstel

Onder de categorie kleine confessionele partijen zijn m«n. De afbrokkeling van de confessionele zuilen.

Niettemin is en blijft het stelsel der evenredige vertegenwoordiging het meest rechtvaardig. Afgezien van de lïiesdrerapel en de restzetelyerdeling, biedt het ook veel minder mogelijkheden töt onanipulatie dan een districtenstelsel, waar de grenzen der districten altijd op vrij willekeurige wijze moeten worden afgebakend.

Maatschappelijlc

Alhoewel een groot deel van de gegevens tot dusver betrekking had op de politieke sector, zal het duidelijk zijn dat het proces van deconfessionalisering en polarisatie daar geen halt houdt. Het is niet moeilijk daarvan voorbeelden te geven.

De drie grote vakcentrales die traditioneel tot verschillende zuilen behoorden, gaan binnenkort met elkaar een federatief verband aan. NVV en NKV waren al langer voor een dergelijke federatie, maar het CNV stribbelde steeds wat tegen. Dit illustreert duidelijk dat het proces van interne deconfessionalisering in protestants-christelijke kring nog niet zo ver is voortgeschreden als in rooms-katholieke kring. Datzelfde zien we ook bij de vergelijking van Nijmegen en de VU.

Behalve in het onderwijs, is ook bij het maatschappelijk werk de deconfessionalisering duidelijk waar te nemen. Deze tendenzen worden meer bedelft of openlijk door de overheid aangemoedigd, onder meer ook met het oog op de financiële voordelen die dit zou opleveren. Zo heeft staatssecretaris Schelfhout - zelf afkomstig uit de kring van het rooms-katholieke onderwijs - zich tijdens zijn korte bewindsperiode duidelijk doen kennen als een groot voorstander van samenwerkingsscholen.

Onze positie

Aan het einde van het vorige artikel wezen wij op de principiële bezwaren, die wij tegen het systeem van de pacificatiedemocratie moeten hebben. Maar ook signaleerden wij reeds de voordelen die dit systeem aan kleinere levensbeschouwelijke groepen - en daarmee ook aan onze kringen - bood.

Zonder het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging zou een partij als de SGP geen kans hebben om in het parlement door te dringen. Zonder de overheidssubsidies, die men nu- ontvangt, zouden allerlei vormen ^van eigen maatschappelijk wérk, bejaardenzorg *n jeugdwerk, niet of op veel kleinere schaal mogelijk zijn. Zonder de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs is het zeer de vraag of er dan net zoveel eigen scholen zouden zijn als thans het geval is.

Wij zullen echter wel moeten bedenken, dat deze verworvenheden geen onbedreigd bezit zijn. Daarvoor is Nederland tezeer op weg naar een nieuw politiek bestel.

Het meeste gevaar loopt thans wel het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging. Bij een districtenstelsel zal het voor de aanhangers van de CHU mogelijk zijn om op te gaan in een CDU of in een Algemene .Volkspartij. Van "Mierlo en zijn aanhang kunnen opgaan in een Progressieve Volkspartij en zelfs de PSP-ers zouden nog wel op de linkervleugel van die partij kunnen opereren. Voor de SGP-ers zal het echter, gezien de principiële verschilpunten, niet mogelijk zijn zich aan te sluiten bij een CDU of een Algemene Volkspartij.

De vorming van een stabiele regeringscoalitie en een „natuurlijke" vermindering van het aantal Tweedekamerfracties (thans 14 tegen 7 in 1956) zou daarom ook om die reden in- het belang van de SGP zijn. Gebeurt dat niet, dan wordt daarmee de kans groter dat de leiders van de "grotere partijen bij wijze van laatste, redmiddel naar een districtenstelsel of een kiesdrempel grijpen. F. ANDRIESSEN DE GAAY FORTMAN

In het maatschappelijk werk en ook in het onderwijs streeft de overheid door middel van haar subsidieregelingen naar een verdere afbraak van de verzuiling en een grotere algemeenheid. Aan die algemeenheid kunnen alle geestelijke stromingen hun bijdrage leveren. Voor omvangrijke stromingen die tamelijk dicht bij het midden staan, moge dat betekenen, dat zij in die algemeenheid een belangrijk deel van zichzelf zullen terugvinden, zoals grote politieke partijen zich bij welk kiesstelsel ook, wel zullen handhaven. Voor kleinere groepen met een duidelijk principieel karakter en met opvattingen die sterk afwijken van de meerderheid, betekent het een opgeven van hetgeen men hoeft, om er niets voor terug te krijgen.

Het zal dan ook van het grootste belang zijn dat wij de mogelijkheden, die er thans nog zijn, ten volle benutten. Daarbij zal men goed; in de gaten moeten houden of de overheid via de subsidievoorwaarden het eigen karakter van hetgeen men heeft opgezet, niet ontoelaatbaar aantast. Meer dan thans zou het de komende jaren wel eens nodig kunnen worden om zelf weer in de beurs te tasten. In de tijd van de Schoolstrijd - toen het welvaartspeil veel lager was - lukte dat wel. Zou het nu ook nog gaan? Erg optimistisch kunnen we daarover niet wezen. woordiging in het parlement, tekort gedaan wordt, schuift men daarbij als minder belangrijk terzijde. Belangrijker acht men dat door middel van het kiesstelsel duidelijke uitspraken gedaan worden over de kabinetsformatie. Te meer ook omdat die kabinetstormati»

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 december 1972

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

i/ePifiin defd Nederland op weg naar een nieuw politiek bestel ? II

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 december 1972

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken