Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De genezing van een melaatse

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De genezing van een melaatse

En zie een melaatse kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. Matth. 8:2

7 minuten leestijd

Deze woorden verplaatsen ons naar het begin van Jezus optreden, zijnde in een der steden rond het meer Gennesareth. Het gerucht, dat Hij een Profeet was, machlig in woorden en werken, ging door het gehele land. Er ging kracht van uit. Hij wist met de moeden een woord ter rechter tijd te spreken; armen verkondigde Hij het Evangelie, kortom. Hij predikte het aangename jaar des Heeren. Mede door Zijn tekenen en wonderen werd bevestigd Zijn zending van de Vader.

Hier wordt onze aandacht gevraagd voor de genezing of reiniging van een melaatse. Een uiterlijk wonder, doch tot onze lering geschreven. Behalve in Mattheus, vinden we dit vermeld in Markus en Lukas. Zij leiden dit in met: Zie! Het vraagt onze aandacht.

In de Heilige Schrift is de melaatsheid het beeld der zonde, de melaatse het beeld van de zondaar. De melaatsheid was een vreselijke ziekte, vooral zoals het ons hier beschreven wordt van die man „vol melaatsheid". Zo iemand was recht ellendig. Hij mocht — naar de wet der melaatsheid — niet in gemeenschap met anderen verkeren. Hij was een uitgestotene, eigenlijk een ten dode ongeschrevene, een verloren mens. Mensenhulp noch wijsheid mocht baten. Ontmoette hij mensen, dan was het; Onrein, onrein!, zodat ieder hem ontweek.

Hoe afzichtelijk en mismaakt konden die mensen er uitzien. Wie zal de ellende van die man kunnen peilen? En nu wordt ons aller beeld van nature hierin gevonden. Door de zonde, krachtens de diepe val en breuk in het paradijs, zijn wij voor God onrein, vuil walgelijk en mismaakt geworden. Uitgeworpen uit dé zalige gemeenschap van God en dat door eigen schuld. Van rein onrein, van heilig onheilig, van rechtvaardig onrechtvaardig.

Gods Woord verklaart ons onrein, de Wet verdoemt en veroordeelt ons. En ach, nu onze geestelijke melaatsheid van nature niet te kennen, nog minder te bewenen. Och. velen willen nog wel erkennen dat zij zondig en ellendig zijn. Hier en daar een plek. En dan probeert men zelf die plekken weg te krijgen, zichzelf te reinigen en zo rein te zijn voor de mensen. Anderen, dat ze onrein, melaats zijn van de hoofdschedel tot de voetzool toe. doch zo dragen er niet de minste smart van in zich om: ze voelen de melaatsheid niet. Zij zijn nog nooit ergens buitengesloten geweest, geen verloren, ten dode ongeschreven mens geworden.

Maar o. hebben we ons beeld al eens gezien bij het ontdekkend licht van de H. Geest in die melaatse? Dat we onze geestelijke melaatsheid inlevende, een verdoemliik en walgelijk schepsel voor God en onszelf geworden zijn; zo mismaakt en afzichtelijk, dat er niets heerlijks meer in te bespeuren viel. uitroepende; onrein, onrein! Zijn we zo al eens geworden een mens ,.vol melaatsheid"? Niet maar hier en daar een plek. maar een ten dode opgeschrevene? Die als een ellendige daar henen kwam te leven, geen hoop hebbende nog eens ooit van die melaatsheid verlost te worden?

Deze man liep als ..een ellendige in zijn ellende" over de aarde met de dood in het vooruitzicht. En zie. een MELAATSE kwam. Wat drong hem er toe tot Jezus te gaan? Hij had het gerucht gehoord. Blinden opende Hij de ogen. kreupelen wandelden, zelfs melaatsen werden door Hem gereinigd. O als hèm dat eens gebeuren mocht. Zou dat kunnen? Ziende op zichzelf dan kon het niet. Was hier en daar een plek. maar hij „vol" melaatsheid. Doch de nood drong. Hij ging op hope tegen hope. Er was niets te verliezen. 

En zie. een melaatse KWAM.

En merk nu op de wonderlijke leiding, die de Heere houdt. Lukas zegt zo: En het geschiedde als Hij in een dier steden was. ZIET, er was een man vol melaatsheid. Eeuwig wonder! (En Hij moest door Samaria gaan). Die twee vonden elkander. Niet maar bij geval. Neen. Het is gelijk bij Nathanael; eer u Filippus riep, zag Ik u! Ach, wat zal er toen in die man omgegaan zijn. Hij zag de vele gelukkigen, die geholpen waren. maar nu, ziende op zichzelf, kon hij voor zichzelf niet geloven. Ach. die man kreeg alles naar zich toe. Alles wordt dan schuld.

En zie. daar kwam.... Hij kon niet blijven waar hij was. Er was een drang in hem. O. dat toevlucht nemen tot Hem als de enige mogelijkheid. Ongetwijfeld had hij alles voorheen geprobeerd, veel er aan ten koste gelegd, doch geen baat. En ziel. nu ten einde raad. toen hem alle hoop ontvallen was, toen kwam Hij, Jezus, in een dier .steden. En Hij kwam en hij (de melaatse) kwam en Jezus ziende, viel hij op zijn aangezicht. Hoe? Diep ongelukkig. Er bleef voor hem niets over dan een beroep te doen op Zijn barmhartigheden, die vele zijn. Wie weet. Hij mocht met hem nog eens doen, niet naar recht, maar naar genade. Er bleef \oor die man niets anders over dan: VRIJE GENADE.

Daarom; Heere. indien Gij wilt.... Naar recht, dan eeuwig verbeurd. Op duizend vragen zal ik niet één antwoord kunnen geven. Daar lag hij. waardig vertreden te worden. Doch o. wat kreeg hij ontsluiting in Christus' Persoon en macht. Gij kunt! zegt hij, maar.... wilt Gij het ook? Daar lag hij. hij kon zich geheel overgeven. Hoe? Als een, die geleerd had een welgevallen te hebben in de straffen van zijn ongerechtigheid. Hij kon de schuld „mijnen", de straf ..aanvaarden". En. Uw doen is rein. Uw vonnis gans rechtvaardig. Maar.... indien Gij wilt! O, dat God Gód laten. O. al.s Gij het wilt. dan is het een eeuwig wonder! En als Gij het niét wilt? Heere. het is Uw eeuwig recht! Ik heb niet anders verdiend dan voor altijd melaats te blijven.

En dan? Deze ellendige riep en... de Heere hoorde! Eeuwig wonder! Heere. indien Gij wilt.... Gij kunt mij reinigen....! Zo maken, dat ik weer in de gemeenschap kan leven, dat ik rein ben.

Wat leert ons dit? Dat alzo een geestelijk melaatse ligt aan de voeten van die Middelaar, Hem smeekt om de reinigmaking door Zijn dierbaar bloed, toegepast aan zijn ziel: Was mij wel van mijn ongerechtigheid, zo zal ik witter wezen dan sneeuw. En dan? Jezus de Hand uitstrekkende... Hoe? Met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde. Met eerbied: Jezus' ingewanden waren ontstoken van liefde en barmhartigheid tot zo'n melaatse. Hoe kon het anders: Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen en die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen. O eeuwige liefde! De Hand uitstrekkende, niet om weg te werpen, maar om te behouden. Ik wil! Souvereine liefde, souverein willen. Vriimacht-almacht. Ik wil; word gereinigd!

En zie. de melaatsheid ging van hem. De melaatse gereinigd. Geestelijk: Verlost van de zonde der melaatsheid en hersteld in Gods gunst. Ik wil. uit liefde, o. die bereidwilligheid. Ik wil nu tot zonde worden, opdat gij wordt rechtvaardigheid Gods in Mij. Al de ongerechtigheden van Zijn Kerk worden Hem toegerekend. Hij wil als een melaatse zijn. veracht van de men.sen. verstoten van God, Zijn God, in die weg van dat dierbare Borg-lijden.

Wie zal het vatten? Ik wil, dat gij rein zijt, zo rein, alsof gij nooit melaats geweest zijt. En nu? Enkel om Christus' wil rein: rechtvaardig voor God, vrede met God. blijdschap in God en in gemeenschap van God en Zijn volk. O. gereinigd door Zjjn bloed, geheiligd door Gods Geest, medeburger dèr heiligen, huisgenoot Gods.

n nu? 't is zichtbaar, toonbaar. Ga heen. vertoon u de priester. De priester (de Wet) zal u niet meer kunnen onrein verklaren, dat is niet verdoemen. Christus werk is volkomen. Ga heen, offer de gave die Mozes  geboden heeft, dat is geef Gode de eer (ps.116:10.11-berijmd).

Daar mocht hij gaan. vo! van het wonder. Wat onmogelijk is bij de mensen, is mogelijk bij God. Wat zal ik de Heere vergelden. Wat zal hij gezongen hebben; Gij hebt. o Heer. in 't dodelijkst tijdgewricht, mijn ziel gered, mijn tranen willen drogen. Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden; vergeet ze niet, 't is God, Die ze u bewees. 

Bruinisse ds. A. van den Berg

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1973

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

De genezing van een melaatse

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1973

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken