Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Economische toestand nog niet rooskleurig

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Economische toestand nog niet rooskleurig

Conclusie uit jaarverslag:

6 minuten leestijd

In het algemeen overzicht van het jaarverslag van de Nederlandsche Bank over het jaar 1972 heeft de president van de Bank, dr. J. Zijlstra gewezen op twee ongunstige ontwikkelingen in het verslagjaar. In de eerste plaats heeft de sterke loon- en prijsinflatie zich gehandhaafd. In de tweede plaats is er grote onzekerheid ontstaan met betrekking tot de internationale monetaire verhoudingen. Naast de aandacht, die wij aan het monetaire probleem willen schenken worden in dit artikel enkele kerncijfers van de economische ontwikkelingen uit het jaarverslag gelicht om de lezer in kort bestek een overzicht te geveii van de economische situatie in ons land.

Het jaar 1972 werd gekenmerkt door een grote onrust op het gebied van de verhoudingen tussen de valuta's. Deze onrust werd vooral gevoed door het wantrouwen van de dollar, ondanks de devaluatie van de dollar in 1971 met 10 procent. In de eerste maanden van 1973 is de bom gebarsten, toen vele  landen overgingen tot een zwevende wissel­koers. Hierdoor werd een toestand ge­schapen waarin in feite het sinds 1944 bestaande systeem van vaste wissel­koersen, gekoppeld aan het goud, voor­goed werd verlaten. 

Men zal nu een nieuw systeem moe­ten vinden, dat voldoende garanties biedt voor zekerheid omtrent de waar­de van de wisselkoersen. 

In Nederland trad in 1972 een sterke verbetering op van het saldo van de lopende rekening van de betalingsba­lans, welke weerspiegeld werd in de daling van het financieringstekort van de overheid  en het surplus van bespa­ringen boven investeringen in de parti­culiere private sector — waarover straks meer. Als gevolg van een en an­der — waarbij tevens de liquiditeitentoevloed uit het buitenland in aanmerking moet worden genomen — nam de binnenlandse liquiditeitenmassa toe, al­thans dat gevaar bestond. Daarvan had een nog grotere inflatoire werking kun­nen uitgaan op de Nederlandse econo­mie. De overheid heeft dit gevaar dui­delijk onderkend en heeft niet alleen het feitelijke financieringstekort aan­zienlijk gereduceerd door een groot be­slag op de financieringsmiddelen, maar de aangetrokken financieringsmiddelen overtrofen dit tekort in ruime mate. Aldus had een liquiditeitsvernietiging plaats ten bedrage van ƒ 3,4 miljard, welke heeft voorkomen dat de zeer li­quide situatie de brandstof zou leveren voor een overbesteding in de particulie­re sector. 

KERNCIJFERS 

De loonsom steeg in het verslagjaar, zoals in het vorige artikel reeds was vermeld, met 12 1/2 procent. De arbeidsproduktiviteit nam met 5 1/2 procent toe. (Gecorrigeerd voor de ruilvoetverandering bedroeg de stijging van de arbeidsproduktiviteit 7 procent.) De nominale loonstijging ging dus aanmerkelijk uit boven de stijging van de arbeidsproduktiviteit. Aan de andere kant namen de kosten van levensonderhoud (exclusief indirecte belastingen) toe met 7,75 procent, zodat het bruto reële loon met 4,75 procent steeg. Dit percentage bleef beneden de voor de ruilvoet gecorrigeerde stijging van de arbeidsproduktiviteit, waardoor de arbeidsinkomensquota (het percentage van het nationaal inkomen dat aan de factor arbeid ten goede komt), ondanks de sterke nominale stijging van de lonen, voor het eerst sinds een reeks van jaren daalde.

De lastenverzwaring voor de werknemer (premies en belasting) bedroeg bijna 2 procent, waardoor een reële stijging van het beschikbare inkomen van de werknemer van bijna 3 procent resteerde (nl. 12 1/2 procent min 7,75 min 2 procent), d.w.z,, dat voor een reële stij­ging van 3 procent een nominale loons­verhoging van 12 1/2 procent nodig was! Dr. Zijlstra  spreekt in dit verband van een nominaal opblazen van een re­sultaat dat ook anderzins verkregen had kunnen worden. Hij noemt het schadelijk  en zinloos. 

BESTEDINGEN

Gedurende een groot aantal jaren heeft zich een situatie van overbesteding voorgedaan. Het verloop van een aantal bestedingscategorieën- in het jaarverslag zou erop kunnen wijzen, dat aan deze structurele overbesteding voorhands een einde is gekomen. Dit geldt in de eerste plaats voor de overheidsbestedingen. In procenten van het nationaal inkomen liepen de eigen bestedingen van de overheid terug van 23,1 procent in 1971 tot 22,3 procent in 1972.

Deze opmerkelijke ontwikkeling, aldus dr. Zijlstra, hield onder meer verband met het op sanering van de rijksfinanciën gerichte begrotingsbeleid. De overdachtsuitgaven — waarmee de uitkeringen uit sociale verzekeringen op een lijn zijn te stellen (subsidies e.d.) stegen aanzienlijk. Daarentegen daalden de uitgaven die leiden tot investeringen in vaste bedrijfsactiva met 18 procent.

Naast genoemde overheidsuitgaven zijn er een aantal particuliere bestedingen die direct afhankelijk zijn het het overheidsbeleid, zoals investeringen gefinancierd met de door de overheid gegarandeerde leningen. Deze zijn weer gestegen, evenals de investeringen in gesubsidieerde woningen. Als men de laatste bestedingscategorieën meetelt, bedroegen de collectieve bestedingen (inclusief sociale verzekeringen enz.) in 1972 48,2 procent van het nationale inkomen tegen 48 procent in 1971.

PARTICULIERE BESTEDINGEN

De particuliere consumptie steeg qua volume met ongeveer 4 procent, een toeneming die vrijwel overeenkwam met de groei van het reëel beschikbaar arbeidsinkomen tezamen met het overgedragen inkomen. De bruto-investeringen zijn in 1972 gedaald met 8 procent. De netto-investeringen die geheel gefinancierd werden door de private sector liepen naar waarde gemeten terug van 5,3 tot 3,5 procent van het nationaal inkomen. De verminderde investeringsactiviteit was relatief sterk geconcentreerd bij de investeringen in bedrijfsgebouwen.

WERKGELEGENHEID

De produktie van bedrijven heeft evenals in 1971 geen grote groei te zien gegeven, nl. ca. 4 procent. In de tienjaarsperiode 1963/1972 was een gemiddelde groei van 6 procent gerealiseerd. De werkgelegenheid in het bedrijfsleven onderging in 1972 een daling met 1 1/2 procent. De teruggang is de grootste sedert de oorlog geweest. Duidelijk blijkt hieruit, dat het bedrijfsleven naar rationalisatie heeft gestreefd.

De in het verslagjaar opgetreden produktiviteitsstijging is vermoedelijk gepaard gegaan met kapitaalverlies door het buiten gebruik stellen van onrendabele capaciteit.

Een aanwijzing hieromtrent kan worden ontleend aan de stijging van het aantal bedrijven dat tot sluiting of reorganisatie moest overgaan. Dit aantal was 20 procent hoger dan in 1971.

De sterke inkrimping van het aantal bezette arbeidsplaatsen (ruim 60.000) in het bedrijfsleven heeft zich niet ten volle in een stijging van de werkloosheid gereflecteerd. Een verklaring hiervoor is, dat de werkgelegenheid bij de overheid — vooral in de onderwijssector — een belangrijke uitbreiding onderging. De geregistreerde arbeidsreserve steeg tot 2,9 procent van de beroepsbevolking, terwijl van de mannelijke beroepsbevolking 3,2 procent werkloos was.

Samenvattend blijkt uit het jaarverslag, dat de economische en financiële toestand van Nederland nog verre van rooskleurig is te noemen, al is het waar, dat er op enkele terreinen sprake is van een geringe verlichting van de spanning.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 16 mei 1973

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

Economische toestand nog niet rooskleurig

Bekijk de hele uitgave van woensdag 16 mei 1973

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken