Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gebruik en ongebruik van het orgel (III)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gebruik en ongebruik van het orgel (III)

10 minuten leestijd

Sinds de verklaring van de Zuidhollandse Synode van 1638, dat zij het orgelspelen onder het psalmzingen voor een middelmatige zaak hield, was er een openlijke strijd over het orgelgebruik in de kerk. In 1641 mengde ook Constantijn Huygens zich in de strijd. Hij publiceerde anoniem een geschrift, waarin hij het heersende orgelgebruik overdacht. Hij sprak zich uit voor orgelbegeleiding van het zingen der gemeente, zoals toen onder andere in Leiden en Delft reeds plaatshad.

Constantijn Huygens, Heer van Zuylichem werd in 1596 geboren. Van zijn vader kreeg hij een brede opvoeding, die zowel wetenschap en kunst als diverse takken van sport omvatte. Hij studeerde een jaar rechten in Leiden. Hierna volgden een viertal gezantschapsreizen naar Engeland en Venetië, die belangrijk tot zijn ontwikkeling bijdroegen. Vanaf 1625 was hij als secretaris in dienst van Frederik Hendrik, later van Willem II en Willem III.

Huygens is vooral bekend als dichter. In zijn gedichten toont hij zich origineel en spits; in weinig woorden wil hij zoveel mogelijk zeggen. Behalve dichter was Huygens ook bespeler van diverse muziekinstrumenten; vooral de luit was hem lief. Hij heeft „weynigh min als Dry mael dry hondert" composities voor gitaar, luit, klavecimbel en zang op zijn naam staan. Het meeste hiervan is verloren gegaan.

In zijn werk laat Huygens zich zien als een oprecht en vroom Calvinist. Over zijn opvoeding en gezindheid zegt hijzelf: „In openbaere partijschap tegen de Roomsche gesintheid ben ick, God Lof, geboren, gevoedt ende getucht, ende hope daerin dit leven te eindighen, ten ingangh van een beter". Met zijn gevoel voor stijl en muziek had hij uiteraard ook belangstelling voor de zaak van het orgelspelen tijdens de gemeentezang in de kerk. Als vrucht van deze interesse verscheen in 1641 zijn „Gebruyck en Ongebruyck van 't Orgel, In de Kercken der Vereenighde Nederlanden." 

IN HET BUITENLAND

Op zijn reizen in het buitenland was hij in de kerken aldaar verschillende malen in aanraking gekomen met een andere en betere gemeentezang dan in de Nederlanden. In zijrt dagboek schreef hij hierover, maar het was hem onmogelijk om zijn ideeën hieromtrent openbaar te maken. Als secretaris van de prins kon hij zich dat niet permitteren. Toen de discussie over het orgelgebruik zich steeds meer uitbreidde en eenfel en verwarrend verloop kreeg, zette Huygens zijn gedachten uiteindelijk toch op papier. In verloop van enkele weken ontstond zo zijn geschrift „Gebruyck of Ongebruyck van 't Orgel". Het manuscript is gedateerd 20 januari 1640. Huygens gaf zijn werk vooreerst nog niet uit. Wel zond hij het handschrift aan enige bekenden (o.a. Descartes en, „Hoofd teneinde hun oordeel te vernemen.

In november 1640 bevond Huygens zich in Groningen in het gevolg van de prins, die aldaar als opvolger van Hendrik Casimir ingehuldigd werd. Huygens had er nog een gesprek met de bekende theoloog Gomarus over de orgelkwestie en liet ook hem het handschrift inzien. Opmerkenswaard is ook, dat de prins bijzonder te spreken was over de orgelbegeleiding van de gemeentezang in de Grote Kerk te Groningen. Huygens voelde zich rhet deze ontwikkeling dusdanig door de stadhouder gesteund, dat hij besloot zijn tractaat uit te geven. Hij droeg het op aan de Haagse overheid en veroorzaakte daardoor nog een vermakelijk incident. De Magistraat voelde zich namelijk gekwetst door zijn aanduiding „dorp", van wat zij de „stad" 's Gravenhage pleegden te noemen.

UITGAVE TRACTAAT

Na enige correspondentie hierover werd men het uiteindelijk eens over de benaming „plaets". Het boekje verscheen 15 februari 1641 zonder vermelding van de auteur. Huygens vond het kennelijk nog te voorbarig om zich geheel bloot te geven. 

Het orgeltractaat is nog steeds de moeite van het lezen waard. Het is echter moeilijk in handen te krijgen. De oorspronkelijke uitgave en de herdrukken, die in 1659 en 1660 verschenen, zijn zeer zeldzaam en bevinden zich voornamelijk in bibliotheken. Ook de heruitgave van de Rotterdamse organist D. N. J. van Pauw uit 1937 is vrijwel niet meer te koop. Daarom willen we het betoog van Huygens aan de hand van citaten uit de uitgave van 1659 (dus in de oude spelling) volgen.

„ONSTICHTELIJK"

In het begin verhaalt Huygens, dat de Franse kerken kozen voor „ongebruyck" van het orgel en de Engelsen voor „kerckelick gebruyck". In afwijking hiervan koos men in de Nederlanden volgens hem „niet alleen den min stichtelicken, maer selfs den onstichtelicxten wegh", namelijk „onkerckelick gebruyck". De „min (=minder) stichtelicken wegh" ziet Huygens in het orgelgebruik na de kerkdienst. Immers: Teneinde van de Predike, van 't Gebed ende den Lof-sangh laeten wij het Orgel roeren — 

Dat Spel is ten eersten de wijze van den Psalm die laest gesongen is. Ick vraghe: Waer is de vrucht van dat geluyd? Wat geweld doen alsdan de spraekkeloose toonen op onse gemoederen? Wij komen, seght men, versch van de Heilighe Oeffeningen: onse ooren tuyten noch daervan, de gedachten zijnder voU af: Soo duyden wij lichter tot geestelicheid 'tgene onse ooren terstond daer op bejegent, dan tot eenighe ydelheid. Een schrael gesegh; En evenwel God gave het: Maer laet ons recht biechten: Wij walgen van de Qauckelen: het Manna breeckt ons op: de twee uren die wy daer genoodsaeckt hebben geweest te sitten (ick spreke van de meesten hoop) hebben ons soo vermoeyt soo van ernstigheid versadight, dat wij met vreughd ontslagen werden, ende uyt aengeborene onstandigheid, naer wat nieuws, naer de straat, naer de locht joocken".

Ook het tijdstip van de orgelbespeling, namelijk na de kerkdienst houdt hij voor onstichtèlijk: „Argelick noem ick het nu, om dat het inderdaed belachelick is, een stuck van den Godsdienst te beginnen in den Kerck, als men t'huys gaet: een: nieuwe Tafel te decken voor gasten die opstaen ende wel gevoedt scheiden." 

ORGELBESPELINGEN

Nog diepgaander bezwaren heeft hij tegen de praktijk van de openbare orgelbespelingen door de week. Hoe deze er toe gingen beschijft hij hierna: „Des Avonds om sess uren roept men ledige en onledige ter Kercken met een statigh gheschall van Orgel-pijpen. De ledige weten haere hoecken van ontmoetinge, ende stellender sich ter neder. God weet, veel meer inder vergaderinghe der spotteren, dan als inde plaetse van heilige aendacht. Wat daer wijders omgaet, tusschen jonger bloed, onder de gunst van donkere hoecken ende een ghestadigh geluyd, is naer te dencken. D'onledige loopender mede toe: namentlick als tot haer Handel-Borse, yder naer syn bedryf. Welgekoren merckt-veld, in 'midden van de kerck. Wat gebreeckter meer, dan dat Vancken en Kramen mede aldaer onder 'tdrooghe gebracht werden, ende dat de Kramer ende Verkoper aldaer met Fluyten, als buyten op de Merckt-daghen met Kloeken aengelockt, verheugt ende onderhouden werden?" 

De aard van de gespeelde orgelstukken kan bij hem ook niet door de beugel.

Tegens eenen Psalm tien Madrigalen, en lichter deunen, in geen' Kercke sonder aenstoot te noemen: Men hoorter vuyle Minne - liedekens daer Hoeren en Camerspelers op danssen. Men loopt tot het heilighe Huys als tot een Toneel, en de ooren te vermaken, seght Erasmus".

GEEN TEGENSTANDER

Toch is Huygens geen volledige tegenstander van het orgelspel buiten kerkdiensten (Het waere door mijn selven tegen de soetste mijner genegentheden ghestreden). Hij keert zich slechts tegen de manier, waarop dit geschiedt niet, dat ick my stoeten wilde aen eerlicke luyden, die somtijds het werck oft de hand van een Meester op sijn Orgel soecken te hooren. Ick strijde tegen t'openbaere Kerckelick misbruyck; magh 'tanders noemen, tegen het Kerck-bedrogh; tegens onsen stichtingloosen, ende, als ick achte eenighsins bewesen te hebben, gansch onstichtenden Orgelsang."

Na zijn afkeuring van het in de Nederlanden plaats hebbende orgelgebruik gaat Huygens na, welke van de twee overige mogelijkheden in dezen de-voorkeur verdient. Die van Geneve en Frankrijk, waar het orgel uit de kerk werd verwijderd of die van de Engelse kerk, welke het orgelspel een plaats gaf in de eredienst. Huygens vindt het ongebruik van de Franse kerk nog te verkiezen boven ons misbruik: Ick segge, liever dan wy aen 't vuyle misbruyck souden vast blijven, in een saecke die soo licht om laten is, dat wy den yver van de Fransche Kercken behooren in te volgen, de Pijpen uyt de Kerck te keuren als aenhitsinghen tot quaed: ende het gebruyck daer af niet meer onder de Gemeente te laten melden; — achtende het ongebruyck veel min (==minder) schadelick dan het misbruyck".

Huygens' voorkeur gaat achter uit naar de wijze van handelen der Engelse kerken. De orgels moeten niet slechts behouden worden, er moeten ook nieuwe gemaakt worden, tot dagelijks gebruik in onze kerken.

In het vervolg verdedigt Huygens deze keuze. . Uitvoerig laat hij zien dat deze handelwijze ter ere Gods is. Dit is beslist niet „onder de schijn van Gods eere te bevoorderen, de gesuyverde Kercke van nieuws met d'aenstootelicke ydelheden van 'tPausdom vervullen ende vervuylen". Hij gelooft niet, dat enig ding, dat van zichzelf onschadelijk is, schadelijk wordt, omdat het in gebruik is bij mensen, die in andere zaken meer of minder dwalen.

„STATISCHE INLEIDINGEN"

Huygens stelt zich het orgelgebruik als volgt voor: „dat de Psalm verkondigt zijnde, het Orgel thien oft twintich, min ofte meer maten voor uyt, een' statighe inleidinge tot het gesangh maeckte, ende niet de Stemmen der Gemeente alleen maer zelfs hare herten holp bereiden tot de zedighe ende eerbiedighe aendacht, die in 't uytspreken van d' aenstaende heilige woorden werd vereischt: om het gemoed, segt Augustinus Godvruchtelick te roeren, ende om de genegentheid tot het lessen van Gods Woord te ontsteken. „Alle konstighe dertelheden van den orgelist in ons Kerckgesangh" keurt hij af. In dezen moet „in alle statelicke eenvoudicheid gehandelt" worden. Het orgel is in staat om de nu bestaande moeilijkheden weg te nemen. Het kan de juiste toonhoogte van de psalm aangeven, want daarin wordt „veeltijds leelick misgetast". Door tijdens het zingen mee te spelen, is het ook mogelijk om tot „een eenparighe, middelmatighe, dat is een onverhaeste ende onvertraeghde maet" te komen.

„Het is zeker ende nu by d'ondervindinghe onser naburen bewesen, dat in plaets van ons beschimpte, ende beschimpenswaerdighe gerucht, een gestadigh, staetig, maetigh, eenstemmigh, aengenaem gesangh onder de grootste Gemeenten gehoort sal werden".

Tot besluit zegt Huygens over zijn studie: „Hoort men mijn Orgel niet; oft hoort men't en gevalt het niet; keurtmen mijn' Pijpen valsch of onsoet; ick kan lijden dat mense verachte. Bestraftse yemandt in sijn ghemoedt, ende wapent Penn oft Tongh daertegen, uyt lust tot onlust; hy en wachte geenen wederslagh.

Ick vlie voor twist, als voor valschen Kerck-zang; en hebb'er even soo weynigh tijds als lusts toe. Mijn gemoedt is ontlast, mijn 'wetenschapp ten eynde. Lijdt de Kerck mijn Toonen niet, mijn Huys sal haer Kerck zijn. Soo dat te veel is, ick alleen sal haer' Kerck zijn, ende sal mijnen Gode singen soo langh ick leve, oft beter bericht werde; dy onder myn 'Luyte, o heylige Israels! Hem Gode, Vader, Sone, ende H. Geest zij Lof en Lofsangh in eeuwigheydt. Amen."

OP DE EERSTE PLAATS

Samenvattend kunnen we zeggen, dat Huygens het psalmzingen der gemeente op de eerste plaats stelt. Het orgelspel is geen zelfstandig onderdeel van de eredienst, maar is een voorbereiding en steun voor het zingen der gemeente. Het „ydele Avonds - Orgelspel" door de week, is hem een doorn in het oog. Naar zijn mening is het beter om de kerk buiten de diensten te gebruiken voor het lezen van Gods Woord en het uitspreken van gebeden. Het orgel kan zich dan dienstbaar maken ter begeleiding van de lofzangen, die ter ere Gods gezongen worden.

Direct na het verschijnen zond Huygens exemplaren van zijn boek aan diverse hoogleraren en predikanten. In een begeleidend schrijven vroeg hij om een openhartig oordeel over de inhoud van zijn tractaat. Dit oordeel zou hij, al dan niet direct, van velen krijgen, want het boek had een ruime markt en werd reeds spoedig druk besproken. Deze reacties en de invloed van Constantijn Huygens' „Gebruyck of ongebruyck van t'Orgel willen we de volgende maal nader bekijken.




Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1973

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

Gebruik en ongebruik van het orgel (III)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1973

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

PDF Bekijken