Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

OME JAN DOET GOEDE ZAKEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

OME JAN DOET GOEDE ZAKEN

Het pandjeshuis nog steeds in trek

6 minuten leestijd

HET ZONDAGSE PAK MAAKTE PLAATS VOOR RADIO'S EN SIERADEN

"Heht gy noch geld, noch goed: gaa deeze deur voorhy. Hebt gy het laatste, en mist gy het eerste, kom by my". Bovenstaande woorden zijn in sierlijk schrift te lezen hoven een deur aan de Oude-Zijds Voorburgwal no 300. Tien stappen verder, de hoek om, staat boven eenzelfde deur in minstens even sierlijke letters: "Tot behulp voor den noodtdruftigen is hier gestelt de Banck van Leeninge voor een cleyngeldt". 


Het pand herbergt de oudste gemeentelijke instelling van Amsterdam: het Pandjeshuis, of zoals het officieel te boek staat, de Stadskredietbank voor roerende zaken. „Ome Jan", zoals de Amsterdammers al een paar honderd jaar familiair zeggen, driehonderd zestig jaar om precies te zijn. En het pandjeshuis floreert nog steeds, ook anno 1973 doet Ome Jan nog gouden zaken. Alhoewel, sinds de tijd dat Joost van den Vondel in het sfeervolle gebouw zijn dagen sleet als klerk is er wel een en ander veranderd.

Wie eenmaal de deur van nummer 300 achter zich heeft dichtgedaan en de stenen trap is opgeklommen, ziet binnen een tweetal loketten. Boven het ene staat „Lossing". Boven het andere „Beleening". Het laatste is afgeschermd door een glazen wand. „Voor de privacy" zoals hoofdbankhouder (al dertig jaar) G. Fischer ons uitlegt. Bij het ene loket kan men zijn spullen belenen tegen „cleyngeldt", bij het andere kan het geleende geld en de rente aflossen en het zondagse pak, het horloge of de juwelen weer in ontvangst nemen. Het interieur ademt de sfeer van overgrootvaders tijd. De aanwijzingen staan aangegeven in de ta;aï van zeker drie spellingen terug.

Hoofdbankhouder Fischer vertelt dat in de voorwerpen die beleend worden een zeker modebeeld is te herkennen. „Voor de oorlog was ongeveer 40 pet. van het beleende goed textiel. Dat iemand zijn zondagse pak hier kwam belenen was geen zeldzaamheid. Nu wel. De zaken die hier nu beleend worden vertegenwoordigen wel zo'n beetje het modebeeld, veel radio's, t.v.'s en dure installaties, muziekinstrumenten en koffiezetapparaten".

Waarom de mensen hier nog leningen komen sluiten? „De achtergronden interesseren ons niet. We letten wel op bepalingen zoals: men mag niet i onder invloed verkeren en moet de achttienjarige leeftijd bereikt hebben. Verder moet men zich ook legimiteren en moet de pandgever kunnen aantonen dat de goederen ook echt van hem zijn".

In gevallen dat men vermoedt met helers of dieven te maken te hebben probeert men de cliënt aan de praat te houden en wordt de politie gewaarschuwd. De politie heeft trouwens ook toegang tot de registers om eventuele helers op te sporen. Op de foto links ziet u de zijgevel van het Pandjeshuis en rechts de voorgevel met bovenstaand bord naast de ingang.

Maar de pandwet bepaalt in dit geval dat de bank, die te goeder trouw is, zijn rechten op het pand behoudt. Wat een officier van justitie wel eens over het hoofd ziet.

Veiling

De maximale beleentijd voor een pand is zes maanden. En wanneer een pand niet door de eigenaar wordt „gelost" zoals het heet, heeft een openbare verkoping plaats. Vier keer per jaar. Uit de boeken blijkt dat 90 pet. van de beleende spullen weer door hun eigenaars wordt opgehaald.

De veilingen waar de spullen aan de hoogst biedende worden verkocht, wordt ook druk bezocht door de beroepshande­laars. De artikelen die op de veiling het gewenste bod niet halen verdwijnen in het winkeltje van het Pandjeshuis aan de Nes, waar de koper dagelijks terecht kan. 

Deze gang van zaken wordt ook gevolgd om te voorkomen dat de handelaars op de veiling door onderlinge afspraak proberen de prijs te drukken. De bank grijpt dan in door zelf te bieden, waarna de spullen in de winkel terecht komen. 

Dat de mannen van Ome Jan ervaren taxateurs zijn is alom bekend. „We krijgen hier van alles voor onze neus en dan moet je over een uitgebreide warenkennis be­schikken". Alle „taxateurs"  van het pand aan de Oudezijds Voorburgwal nr. 300 krijgen allen een speciale opleiding. Het accent daarbij ligt op de diamant en, want 90 pct. van de goederen die belegd worden zijn van goud of zilver, of edelstenen.

Stalling

Sommige panden blijven wel tien jaar bij Ome Jan. ,iln die gevallen gaat het de bezitter erom zijn spullen opgeborgen te hebben. Men weet dat wij uiterst zorgvuldig met onze beleende goederen omgaan".

Er blijkt echter ook een tijd geweest te zijn dat het Pandjeshuis als een soort stalling gebruikt werd. Wie in de wintermaanden niet wist waar hij zijn fiets moest laten bracht die bij Ome Jan. In plaats van geld voor de stalling te betalen beurde de eigenaar dan geld. In het voorjaar kwani hij zijn karretje dan weer ophalen. Hetzelfde deed men vroeger op maandag met het zondagse pak. Tegen het einde van de week als men weer geld had gebeurd werd het pak weer bij Ome Jan gehaald. Maar dat was in een tijd dat er ook nog wel enige drempelvrees was. Vandaar ook de naam Ome Jan. Men wilde dan niet voor de buurt weten dat men naar het Pandjeshuis ging en zei dan: ik moet even naar Ome Jan. Nu is dat allemaal anders geworden. De stille ingang met het aparte deurtje aan de zijkant wordt dan ook nauwelijks meer gebruikt. 

Klanten

De klanten van Ome Jan komen, naast vooral Amsterdam, uit alle delen van het land. De boeken vermelden zelfs namen van buitenlanders. Hoewel er vandaag de dag steeds meer modeartikelen het gebouw worden binnengebracht, kan men er in principe nog steeds alles kwijt, mits het waarde heeft. Het minimumbedrag dat kan worden beleend, is vijf gulden.

Het pandjeshuis is en blijft een sociale instelling, die echter met zijn tijd meegaat. Beliep het aantal leningen in 1912 nog omstreeks de 13 miljoen, het afgelopen jaar waren het er ongeveer 60.000 met een recordomzet van ongeveer ƒ 11,5 miljoen. Het gemiddelde bedrag dat beleend werd was 200 gulden en voor zo'n klein bedrag ga' je doorgaans geen persoonlijke lening bij een bank aanvragen.

De heer Fischer noemt dat een reden waarom nog steeds velen de weg naar Ome Jan weten. „Voor zo'n klein bedrag doe je dat meestal niet. En bovendien krijg j? dan ook niet direct geld. Bij ons krijgt men meteen geld".

Als het pand dan eenmaal door het loket is gegaan, wordt het keurig voorzien van een kaartje op een van de schappen gezet. Tussen de koffiezetapparaten, de platenspelers, radio's, voetbalschoenen, schrijfmachines en muziekinstrumenten. Tot de eigenaar „zijn pand komt lossen".

Amsterdams oudste gemeentelijke instelling „leeft" nog steeds. Want net als vroeger is iedereen er met van alles welkom. Zelfs de man uit Delfzijl of Maastricht kan in de hoofdstad als hij zijn treinkaartje kwijt is even zijn horloge belenen. Het gebeurt alleen niet zo erg veel, evenmin als dat het geval is met het zondagse pak. Ome Jan doet anno 1973 meer in „gouden zaken".


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1973

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

OME JAN DOET GOEDE ZAKEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1973

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

PDF Bekijken