Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE IJZEREN WIL

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE IJZEREN WIL

4 minuten leestijd

heeft Jan ontdekt, die van onder een boom een paar stappen genaderd is. „Daag!" „Dag, kind". Jan heeft haar arm gegrepen. „Waar gaan we heen?"

„Niet direct de stad in. Laten we eerst de singel maar aflopen".

Ze genieten van eikaars gezelschap; praten over koetjes en kalfjes; Heleen zegt iets uit de vereniging of zij zwijgen. Met zwijgen kun je ook iets zeggen, ook, dat je van elkaar houdt. Maar dan wordt Heleen opeens zakelijk. „Jan , ik heb er over nagedacht..." „Ik ook, meisje. Je bent niet uit mijn gedachten. Zoals nu kan het niet blijven, maar..." „Hoe moet het dan?"

„Ik durf niet te zeggen tot welke conclusie ik gekomen ben," „Niet durven? Waarom niet?" „Ik ben bang, dat je dan gaat denken, dat ik niet meer voldoende van je hou, dat ik van je af wil".

„Onzin, Jan. We houden van elkaar. We moeten open voor elkaar staan. Maar, ik geloof, dat ik je begrijp. Ik ben ook tot een conclusie gekomen, ik vermoed tot dezelfde als die van jou".

„Vertel dan, Heleen. Dat heb ik toch liever".

Zij grijpt vaster zijn arm, aarzelt nog even. Maar dan:,,Jan, ik geloof, dat we tijdelijk uit elkaar moeten gaan, geen omgang meer hebben. Het is thuis zo verschrikkelijk ongezellig. Er is geen ruzie, hoor. Maar 't is, of we naast elkaar leven. Vader zegt zo weinig mogelijk. Mama en ik hebben er verdriet van. We zijn dat niet gewend. En dat

door P. Lammertink
verandert niet als papa hoort, en dat gebeurt zeker, dat we met elkaar blijven omgaan... O nee, ik moet er niet aan denken. Papa geeft niet toe; tenminste voorlopig niet. 't Is allemaal zo... zo..." Heleen huilt zachtjes voor zich heen. Jan trekt haar dichter naar zich toe.

„Stil maar, kindje, we komen er wel uit. Mijn moeder he.eft mij hetzelfde gezegd, wat jij nu zegt. En ik ben er ook zo over gaan denken. Maar... het is hard, Heleen. Tijdelijk uit elkaar gaan... zal het tijdelijk zijn?"

„We kunnen alleen hopen, dat papa van gedachten verandert, als hij bemerkt, dat ik niet anders wil".

„We zullen elkaar toch wel eens ontmoeten", zegt Jan. „En", valt hem opeens in, „de zondagsschool dan?"

„Die moet ik opgeven. Toch, want dat zou papa op de duur niet dulden..."

„Ben ik in de ogen van je vader een minderwaardig iemand?" barst Jan opeens los. „Stil jongen. We zijn allebei van e kook. Minderwaardig, hoe kom je er bij. Het gaat mijn vader om de zogenaamde stand. Als je bijvoorbeeld de zoon van een flinke zakenman zou zijn, dan was het in orde".

„Ja, ja, maar dat ben ik nu eenmaal niet en dat woddt ik nooit. Hoe kun je

Stilte. Dicht bij elkaar (zij hebben de duistere singel al enkele malen heen en weer gelopen) staan zij onder een boom. In de verte slaat een klok, half elf.

„Misschien zullen we elkaar weinig of niet zien", merkt Heleen op. „Ik moet er thuis nog over praten, maar als het mag, ga ik hier weg. Ik kan wel ergens in een textielzaak komen. Er staan in het vakblad geregeld advertenties. En dan schrijven we elkaar".

Jan moet dat even verwerken. En zegt eindelijk: „Misschien is dat een oplossing, al is die niet ideaal. Dan hebben we tenminste geregeld contact. Ik., ik wil je niet verliezen, mijn schat". „Breng me nu thuis Jan. 't Is al half elf geweest".

In een donkere straat, die uitloopt op de Eikstraat, kust Jan haar langdurig... Andries en Hilda zitten in de huiskamer. Heleen ziet de donkere blik van haar vader, die vraagt: „Waar kom je zo laat van daan?"

„Jan heeft mij uit de vereniging gehaald", antwoordt Heleem, om, als zij bemerkt, dat haar vader een uitval wil doen, de hand op te steken teneinde hem dat te beletten, en vervolgt haastig: „We hebben afscheid genomen".

Haar moeder kijkt verbaasd op, maar zegt niets.

„Dat is heel verstandig, meisje", merkt Andries op. Zijn toon van spreken is heel anders dan de laatste tijd. „Vergeet nu die historie maar".

Als Hilda in het hart van Andries had kunnen lezen, zou zij er voldoening 'In hebben gelezen, zo iets als: zo, ik heb weer bereikt wat ik wilde. Nu kon zij het alleen vennoeden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 19 juni 1973

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

DE IJZEREN WIL

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 19 juni 1973

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken