Bekijk het origineel

Echtpaar Thottil vangt in Kerala uitgetreden priesters op

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Echtpaar Thottil vangt in Kerala uitgetreden priesters op

Tijdelijk op „De Warthurg" in Velp

13 minuten leestijd

Sommige van onze lezers in Nijkerk en omgeving zullen, zo veronderstellen wij, giisteravond in de Hervormde Kerk een bijeenkomst van de stichting In de Rechte Straat hebben bijgewoond. In die samenkomst werd 't woord gevoerd door de uit de Indische staat Kerala afkomstige ex-priester Thottil en zijn vrouw, de ex-non Celinamma T. Thottil. Mogelijk herinnert men zich, dat ds. H. J. Hegger in maart van dit jaar een aantal reisbrieven vanuit India in dit blad heeft doen publiceren, die onder meer betrekking hadden op het werk van het echtpaar Thottil voor het New Man Centre en de Beweging voor de nieuwe mens. Wie zijn echter deze moedige ex-geestelijke en zijn charmante, tengere vrouw? Op De Wartburg in Velp, het centrum van In Rechte Straat hadden wij een uitvoerig gesprek met hen, waaraan van tijd tot tijd ook ds. H. J. Hegger deelnam, mede om bepaalde zaken vanuit zijn eigen r.k. achtergrond toe te lichten. Daarom nogmaals: wie zijn de heer en mevrouw Thottil en wat komen zij doen in Nederland?

heer Thottil — voorheen eerwaarde pater — vertelt het ons. Zijn levensverhaal is — met veel variaties — niet ongelijk aan dat van anderen, die de RK Kerk verlieten of tenminste hun ambt neerlegden nadat zij oog gekregen hadden voor zaken van leer en praktijk, die volstrekt in strijd geacht moeten worden met Gods Woord. Geboren uit een r.k. gezin in de staat Kerala, gelegen in Zuid-India, kwam bij deze jongeling het verlangen op, zichzelf ook in dienst van de „H. Moeder de Kerk" te stellen. Hij had aanvankelijk gedacht aan het toetreden tot de Broederschap van St. Patrick, wel geen officiële monniksorde, maar een fratemiteit, waarvan de leden zich eveneens verplichtten tot de regels van de kuisheid, armoede en leven in een soort van kloostergemeenschap.
Nu behoorde de familie van de in 1935 geboren Thottil tot één van India's hoge kasten, zoals trouwens de meeste rooms-katholieken in dat land tot de hogere stand behoren en de protestanten tot de lagere kasten. En de vader van Thottil vond het niet goed, dat zijn zoon slechts genoegen zou nemen met de toetreding tot een broederschap, terwijl het priesterschap — in de r.k. hiërarchie uiteraard hoger en „geestelijker" — binnen zijn bereik was. Zo studeerde de jongeman voor zijn toekomstige status en in 1961 werd de 26-jarige Thottil priester gewijd, nadat hij op zijn veertiende jaar was toegetreden tot de strenge Derde Orde der Karmelieten.

Promotor
Daarmee was voor de jonge kloosterling een naar het scheen grote toekomst weggelegd in de RK Kerk van Kerala. De jongeman kreeg al meteen een voorname opdracht, waarmee aangetoond kan worden, dat hij niet zomaar een doorsnee kloosterling was. Hij werd namelijk promotor van de canonisatie van de stichter der Karmelietenorde in India en daarmee een tegenhanger van de „advocaat van de duivel".
Dat vereist enige toelichting. In 1854 werd namelijk in India de Orde van de Karmelieten van Maria Onbevlekt Ontvangen gesticht en het is immer een hoge eer, wanneer een ordestichter door de paus na een lange procedure zalig of zo mogelijk zelfs heilig wordt verklaard. Om dit bewerkt te krijgen moeten er van de betreffende gestorven ordestichter of andere geestelijke acten beschikbaar komen, waarin zijn daden en vooral de wonderen die hij tijdens zijn leven verricht zou hebben als bewijsstukken worden opgetekend. Een orde kan iemand belasten om een dergelijk onderzoek in te stellen, bijv. door gesprekken te voeren met ouderen, die de heilige-in-spe nog hebben gekend e.d. Nu werd Thottil aangewezen om als promotor het proces inzake de zaligverklaring van zijn ordestichter mede op gang te brengen en zijn deugden aan te prijzen. Wanneer na lange tijd zulk een zaak dient voor de Rota, de Vaticaanse rechtbank, is er echter een ander aanwezig, die als „advocatus diaboli", advocaat van de duivel, moet trachten, het bewijsmateriaal te ontzenuwen.

Twijfels
Thottil was derhalve aangesteld als rechterhand van de „postulator" (eiser, d.w.z. een soort geestelijke officier van justitie). Hij was nog niet zo heel lang priester of zijn twijfels begonnen reeds te rijzen. Ten eerste aangaande de reliquienverering, waar hij juist als promotor van de postulator mee te maken kreeg voorzover het ook zijn ordestichter betrof. Vervolgens stuitte hem de handel van het mislezen tegen de borst; het gesjacher met geld voor een mis, waarvan de prijs steeg naarmate van belangrijkheid van het altaar waarop ze gelezen werd. Ook het offer voor de doden was één van de zaken, waarop Thottil kritiek ging krijgen.
Eén en ander was er mede het gevolg van, dat hij in 1963 een andere functie kreeg: kerkelijke hulpverlening aan hen, die de bruidschat niet kunnen betalen. Nu is deze bruidschat zaak, die zeer diep in het sociale leven en de maatschappijstructuur van de Indiër ingrijpt, zodat de steunverlening van ongeveer duizend rupies (plm. 400 gulden) in een nood voorzag. Ondertussen — men schrijft nog het jaar 1963 — merkt Thottil steeds meer, dat zijn bisschoppen en leiders de liefde Gods prediken, maar er zelf geenszins naar leven en handelen.

Kwellingen
Daarbij komt, dat Thottil — zoals hij schuchter toegeeft —- erg geliefd was bij het gewone kerkvolk en dat men zijn preken graag hoorde. Dat wekte haat en jaloezie bij zijn superieuren en in 1965 wordt hij uit het openbare leven teruggeplaatst om zich in het klooster voortaan te wijden aan studie. Hij verhaalt ons uitvoerig over de gestrengheid van zijn orde en toont ons de zwepen van touwen, waarmee hij en zijn confraters gegeseld werden, alsmede martelwerktuigjes, die — gesnoerd om borst, armen en dijen — tezamen het harnas plachten te vormen, waarin de boeteling zichzelf kwelde om van zijn angst voor hel en oordeel verlost te worden.
Lang staat broeder Thottil stil bij zijn angsten voor de duivel, zijn slapeloosheid, zijn schrik voor de zonde en zijn pogingen om deze helse kwellingen door rozekransgebeden te verjagen. Het hielp allemaal niet. Tot hij in 1968 als door toeval in aanraking kwam met Luthers leer over de genade Gods, „de Gratia". Met zijn vragen en kwellingen kon hij zich niet tot zijn biechtvader wenden, want die gaf hem slechts stereotiepe antwoorden. Op 14 september 1968, op de verjaardag van zijn professie (gelofte-aflegging) deed hij echter een ervaring op, die hij voordien niet gehad had. Terwijl hij bezig was met de overdenking van de geschiedenis van Martha, Maria en (de gestorven) Lazarus kwamen de nachtelijke angstcomplexen overdag terug. Vanaf deze dag kwam er een duidelijke keer in zijn leven.

Ommekeer
HIj brak nog niet met de kerk — heeft dat in zekere zin ook thans nog niet geheel gedaan — maar richtte in 1969 wel de „Beweging voor de nieuwe mens" op, niet bedoeld als een directe breuk met de RK Kerk van Kerala, maar als een hervormingsbeweging binnen die kerk. Vandaar dat de naam „New Man Movement" later ook gewijzigd werd in „Catholic Movement"  (beweging voor hervorming van de Katholieke Kerk). Thottil werd ook uitgever van een eigen blad: „De nieuwe mens", nadat hij voorheen reeds werkzaam was geweest als uitgever van een dagblad „De Lamp". Ondertussen publiceerde hij ook een boek, gesteund door supporters maar uiteraard niet van de zijde der Karmelietenoversten, getiteld „De verschillende gezichten van de RK Kerk". Later volgden nog de werken „De diepten der verdorvenheid" („corruption") en „Voor wien?", dat tegen de bisschop was gericht. Na conflicten met de pauselijke nuntius in New Delhi was het niet meer mogelijk, in het klooster te blijven. Hij stichtte het „Centrurn voor de nieuwe mens" en nam zijn intrek buiten de kloostermuren, hoewel nog altijd r.k. en officieel priester.

Celinamma
Ondertussen mocht hij zich verheugen in een grote toeloop van belangstellende priesters, maar door zijn familie werd hij letterlijk voor gek verklaard en als een uitgestotene (outcast) behandeld. Ook verdachtmakingen — o.m. beschuldigd van Maoïstische leringen (sic!) — werden zijn deel. Alles werd nog erger toen hij ondertussen afstand gedaan had van zijn priesterlijke waardigheid en in december 1970 in het huwelijk trad met de frêle, vriendelijke ex-non Celinamma, lerares aan een middelbare school. Celinamma was in 1961 op 18-jarige leeftijd kloosterzuster geworden bij de eveneens zeer strenge orde der Karmelietessen. Negen jaar lang is zij non geweest — mede op aandringen van haar familie — en de thans dertigjarige mevrouw Thottil vertelt ons, dat zij als religieuse een vaste aanstelling kreeg als lerares.
Nu is het zo, dat de wetten van de staat Kerala verbieden, een vaste aanstelling ongedaan te maken, zodat zich het wonderlijke geval voordeed, dat de r.k. kerkelijke overheid — die voor een zeer groot deel het onderwijs en de welzijnszorg van Kerala in handen heeft — de ex-kloosterlinge niet kan ontslaan, zelfs niet als ze de kerk heeft verlaten. Wel kunnen ze overplaatsing bevorderen en dat gebeurde. Zodat de ex-non lerares werd aan een vreselijk moeilijk bereikbaar achteraf-schooltje. Het schamele salaris was echter hard nodig, zeker na de kennismaking met Thottil. Het echtpaar heeft thans twee kinderen, ondanks de dreiging van de r.k. jegens Celinamma, dat zij als straf voor haar verzaking van de kloostergeloften voor altijd onvruchtbaar zou blijven.
Terug naar de beide Thottils tegen eind 1970. In dat jaar kwam een eerste contact tot stand met ds. Hegger, aanvankelijk via de heer Rodrigus van de Christnagar Mission, welke heer overigens een bedrieger bleek te zijn van wie ds. Hegger en de familie Thottil vele nare dingen moesten ondervinden Thottil was gestart met zijn „Centrum voor de nieuwe mens" en hij had steun nodig. Aanvankelijk was dit werk meer symbolisch dan dat er werkelijk iets uit kwam, maar er was tenminste een teken gesteld.
In de staat Kerala, die voor twintig procent r.k. is - dankzij de kolonisering van de Portugezen in vroeger eeuwen — is dat van groot belang wanneer men zich realiseert dat de RK Kerk erg invloedrijk is en zijn aanhang bijna uitsluitend heeft in de hoogste kasten, zelfs die der Brahmanen en bijv. het gehele onderwijs beheerst. Dat leidt nu en dan overigens wel tot een conflict tussen kerk en staat, die na de onafhankelijkheid van India officieel strikt gescheiden zijn. De RK Kerk is echter ook een politieke factor van betekenis in dit land; van de elf districten in de deelstaat zijn er drie politiek in r.k. handen. Ondertussen is Thottil thans niet meer praktizerend rooms-katholiek, maar hij is evenmin lid of voorganger van een protestantse kerk. Waarom niet? Hij legt ons uit, dat dit voor ons, westerlingen met een gans andere sociale structuur, moeilijk uit te leggen is. Zoals gezegd: er zijn enorme kaste-kloven tussen de hoge en rijke r.k. kasten en de arme protestanten, die veelal tot de armste kasten behoren. Overgang naar een protestantse kerk is derhalve in India veel meer dan onze religieuze stap; het is tevens een sociale omwenteling en velen kunnen deze stap om de laatste reden (nog) niet doen. Ook ds. Hegger bevestigt dit en hij benadrukt, dat zijns inziens deze ex-roomsen moeten trachten te komen tot een eigen groep of gemeente, ook al omdat zij nog niet de achtergronden en tradities bezitten van de (kleine) rechtzinnig protestantse kerken in hun land. Aansluiting bij één van de kerken, die lid zijn van de Raad van christelijke kerken van India, waarvan de bekende ds. John .J Wesley voorzitter is en die verbonden is aan de ICCC, is op dit moment niet raadzaam.
Alles is nog maar in een beginstadium, aldus ds. Hegger, die er op wijst, hoe belangrijk het is, broeder Thottil naar ons land te laten komen om kennis te maken met het denken der Reformatie. Mensen als Thottil en anderen kunnen na elders, te zijn onderricht — op hun sleutelposities veel zegenrijk werk verrichten. Op den duur zal het „Centrum voor de nieuwe mens" ook iets als „De Wartburg" moeten worden, maar daarvoor is veel geld en steun nodig, aangezien de belangstelling voor dit werk groot is. De heer en mevrouw Thottil zullen ongeveer tot het eind van dit jaar in ons land verblijven.
Daarna gaan zij — zo mogelijk tot het eind van het academisch jaar — naar Edinburgh om aan de theologische hogeschool van de Free Church of Scotland onder de hoede van prof. G. N. M. Collins reformatorische theologie te studeren, waarna beiden in de loop van volgend jaar hun arbeid hopen voort te zetten voor de „Reformatiebeweging in de Kath. Kerk. Zij hebben niet de pretentie, dat door hun arbeid de Kerk van Rome zich reformeert, maar menen uit ervaring te weten, dat de nog jonge beweging beter de naam „katholiek" tijdelijk nog in haar vaandel kan voeren, tot men meer vaste vorm gekregen heeft en er een zelfstandige evangelische gemeente zal zijn ontstaan. De oogst zal groot zijn, als de arbeiders hun werk kunnen voortzetten. Daarvoor is natuurlijk veel geld nodig en een van de middelen om deze geldem in te zamelen is het houden van lezingen. Tijdens hun verblijf zullen broeder en zuster Thottil veel zulke toespraken houden, in het voor hen niet zo gemakkelijke Engels, terwijl ds. Hegger als vertaler optreedt. In dit blad zullen de vergaderdata worden vermeld. Hieronder noemen wij ze alvast van de maand september: 13 september Chr. Geref. Kerk te Woerden, 19.30 uur; 18 september. Chr. Geref. Rehobothkerk, Noordsingel 90 te Rotterdam'-N., 20.00 uur: 20 september kerk Geref. Gemeente te Gouda, 20.00 uur; 25 september congrescentrum „Het Tehuis", Lutkennieuwstraat te Groningen, 20.00 uur en 27 september Chr. Geref. Barnabaskenk. Canadalaan te Apeldoorn, 19.30 uur.

Begroting
Wie verhinderd is aan de collecten bij te dragen, kan zijn giften kwijt op gironummer 901.000 t.n.v. Stichting „De Rechte Straat" te Velp (Gld.), met vermelding van "ex-priesterhulp India". Er is heel wat geld nodig, al staan wij er versteld van te zien hoeveel men daar kan verrichten met volgens onze begrippen uitermate lage bedragen. Zo is de begroting over het halfjaar juli tot en met december' 1973 slechts 87 duizend rupies, oftewel ongeveer 35 duizend gulden. Hiertegenover staan aan inkomsten (publikaties, fondsen e.d.) slechts 27 duizend rupies (ongeveer elfduizend gulden), zodat men voor het verschil aanklopt bij „In de Rechte Straat". Welke zakenman vult even die benodigde 24 duizend gulden aan?

Dan kan tenminste het salaris van Thottil (160 gulden per maand) worden doorbetaald, alsmede de huishuur in Trivandrum van 80 gulden. Dan kan ook een fiets (nee, géén Mercedes!) gekocht worden voor een medewerker (450 rupies, 50 meer dan het maandsalaris van Thottil), dan kan de verspreiding van lectuur zoals tractaten („Hosannah!") e.d. voortgang hebben en dan kan men de nodige zetterij-uitrusting aanschaffen en afbetalen, zoals de Malayalam-lettertypen. Bovendien moet de reis en het verblijf van het echtpaar Thottil ook worden betaald. Men gedenke derhalve de collecten en de girorekening!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 12 september 1973

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

Echtpaar Thottil vangt in Kerala uitgetreden priesters op

Bekijk de hele uitgave van woensdag 12 september 1973

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken