Bekijk het origineel

Het leven der Hugenoten in Ierland

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het leven der Hugenoten in Ierland

Een (verdwenen) Franse nalatenschap

10 minuten leestijd

„Och Vrinden hoort, wat onder ons mij thans mishaget! 't Is dat de ambachtsman soo onvoorzightig klaget: Hij zegt, de VLUCHTELING hem soo veel afbreuck doet. Sodat zyn neeringh daardoor schade lyden moet..."

Zo klaagde Abraham Boot in 1969 over de houding van de welvarende Hollanders ten opzichte van de vervolgde Hugenoten die in ons land een wijkplaats vonden. Blijkbaar waren de middenstanders niet bijster ingenomen met hun nieuwe lan^enoten omdat de inkomsten minder werden: „veel varkens maken de spoeling dun".

De oorzaak zal gelegen hebben in het feit dat de vluchtelingen over het a^emeen uitstekende werkers waren die hun vak werkelijk versonden en «r zich geheel voor inzetten zodat de opbrengst hoog was. Om voor die extra produktie een markt te vinden die ruim genoeg was, zal in een klein land als het onze ongetwijfeld problemen veroorzaakt hebben. Hoe dit zij, Nederland was voor veel verdrevenen een doorgangshuis; na korter of langer tijd vertrokken ze naar elders. Eén van dl» nieuwe bestemmingsoorden was Ierland.

In de rij namen van landen en streken die een nieuw thuis aan vervolgden boden neerot Ierland zeker niet de laatste plaats in. Immigratie kon er beginnen zodra de Hertog van Ormond in 1662 een „Acte ter aanmoediging van Protestantse vreemdelingen en anderen om zich in Ierland te vestigen" bekrachtigd had. Deze acte was 7 jaar geldig en werd gevolgd door een nieuwe van koning Willem III (de bekende stadhouder-koning) in 1692, eveneens met een geldigheidsduur van 7 jaar. De derde kwam in 1702 tijdens de regering van koningin Anna, terwijl koning George I in 1717'voor de vierde acte zorgde, met dit belangrijke verschil dat deze laatste „van nu voortaan" — dus zonder enige tijdsbeperking — van kracht was.

En de vluchtelingen — Hugenoten — kwamen, aangemoedigd als ze werden door de gastvrijheid die in genoemde acten werd beloofd. Slechts een enkeling kwam rechtstreeks vanuit Frankrijk in Ierland aan. De meesten kwamen in groepsverband uit Nederland en trokken via Engeland het „groene eiland" binnen. De Engelse regering deed wat ze kon om het de Hugenoten in Ierland naar de zin te maken. Engeland was veel te blij dat de Ierse protestantse bevolkin wags versterking van buittenaf kreeg na de bloedbaden van omstreeks 1640 die het inwonertal van Ierland met tienduizenden had verminderd. Wie konden het peil van geplunderde, halfverwoeste eiland beter verhogen dan de noeste vreemdelingen! Het is opmerkelijk dat deze „extreme" Franse protestanten bij hun komst naar Ierland vrijwel geen verzet van roomse zijde ondervonden. Na de bloedbaden had de ontvangst der Hugenoten wel gehel anders kunnen zijn.

Vanzelf waren er klachten zoals die van dokter Ire uit Dublin. „Een roomse arts, Ier, heeft gedreigd dat hij me zal laten verbranden. Hij zegt dat ik gekomen ben om de Ieren te verdrijven en Hugenoten in hun plaats te laten komen. Ook zegt hij dat ik een verderfelijke Hugenoot ben uit La Rochelle...." (1669).

WARE HOOP

Anderen zagen in deze immigratie de beste oplossing van het vraagstuk hoe het land weer tot bloei^te brengen. Zo schreef iemand in 1697 dat de Hugenoten de ware hoop voor Ierland deden herleven. Hij wees daarbij op hun kennis, beschaafdheid en rotsvast geloof, welke factoren een tegenwicht zouden kunnen vormen voor de barbaarsheid van de Ieren. Nadat hij nog de nadruk beeft gelegd op hun ijver, vervolgt hij: „De Ieren worden een lui volk genoemd, maar dit komt volgens mij niet voort uit hun aanleg.... Eerder is dit het gevolg van hun behoefte aan werkvoorziening; evenmin worden ze tot arbeid aangespoord. Wanneer we maar flink wat Hugenoten aantrekken betonen we die een liefdesblijk, brengen we de Franse koning een ferme slag toe en bewijzen we onszelf de grootste weldaad..." Dat deze schrijver althans ten dele gelijk had zullen we nog zien.

LINNEN

Terwijl de Engelse koning Jacobus II botweg weigert om de één miljoen franken die voor de Hugenoten ingezameld zijn, af te geven, blijven de vervolgden Ierland binnenkomen. Als plaats van hun vestiging kiezen 7Jj de grotere steden en dorpen. Veel kans hebben ze daarbij niet. Ierland is slechts dunbevolkt en de meeste inwoners zijn agrariërs. Afhankelijk van hun beroep zoeken ze echter een woonplaats uit en vinden we hen vooimamelijk langs de oostkust: in Lisburn, Lurgan, Armagh, Dublin, Portarlington (de meest landinwaarts gelegen kolonie), WeyjEord, Waterford, Cork en nog een tiental plaatsjes.

Vele Hugenoten waren werkzaam in de linnenindustrie die zij, wat Ierland betreft, nieuw leven ingeblazen hebben. Vandaar dat plaatsen als Lurgan, Lisbum ©n Lam'beg (alle in het huidige Ulster) die het linnein'Centrum vonnden, gestadiger groeiden dan bijvoorbeeld Belfast dat de Hugenoten-aanwas voornamelijk kreeg door de legers van de Hugenoten-aanvoerder Schomberg, rechterhand van de stadhouder-Jkoiiing omstreeks 1690.

DUBLIN

AI waren de Hugenoten die naar Xerlanl kwamen speciaal van linnen op de hoogte, dan wil dat niet zeggen dat andere ambachten onder hen onbekend waren — irategendeel. Zeildoek, zijde, wol kant, tapijten, tin^, glas en goud waren voor hen heel bekende begrippen, die vrijwel stuk voor stuk een 125 km. aandeel in de opleveing van Ierland hebben geleverd.

Dublin ais grootste stad had ook de grootste Hugenotenkolonie (ongeveer 4000) al is het juiste aanital niet bekend. Vanzelf telde Dublin ook de meeste ambachten en beroepen uit bovengenoemd lijstje: veel Hugenoten te Dublin waren goudsmid/juwelier (tussen 1710 en 1780 maar liefst 781): Jean du Bedat had er een suikerraffinaderij; er waren enkele bierbrouwers en wijn^ handelaren — vooral de laatsten zaten er gunstig; him moederland Frankrijk produceerde voldoende druiven en schepen zorgden wel voor het transport. Ook waren het Hugenoten die zich met het kweken van planten gingen bezighouden en te Dublin het Plantkundig Genootschap vormden. Van groot belang was de zijde-industrie, die werk verschafte aan 11.000 man.

Temidden van de lOO.OOO Ieren (ruim tweederde van, hen was rooms) die omstreeks 1672 het eiland bevolkten, woonden slechts een 10.000 Hugenoten Niettemin was het dank zij de laatsten dat Ierland zich kon ontwikkelen. Terwijl de Hugenoten SlO dagen per jaar werkten, besteedden de roomse Ieren niet meer dan 210 dagen aan hun „dagelijikse" arbeid, damik zij de vele heiligen- «m vastendagen die bun kerk voorschreef. Heit kon niet anders of bij hen ontstond een grote achterstand in resultaat.

Letten we op de verschillende industrietakken die door de Hugenoten opgezet zijn, dan zien we bij vrijwel alle bloei. De glasfabriek van Abraham Bigoe in Offaly voorzag geheel Dublin van alle mogelijke soorten ruiten en glazen. De Hugenotennederzetting in Cork werkte als tapijtwevers nadat hun predikant Fontaine bemiddeld had bij het verkrijgen van de benodigde wol door in Cork een wolspinnerij op te richten. Zelfs vinden we enkele kantfclossers in midden-Ieriand evenals een houtsnijder. Tot onze verbazing komen we onider de Hugenoten echter slechts één boekdrukker tegen, Pierre de Pienne uit Waterford.

De groepen vluchtelingen die in Ierland aankwamen moesten in de maatschappij bijna zonder uitzondering geheel opnieuw beginnen daar ze hun bedrijf niet mee hadden kimnen nemen. Ten dele werden ze soms gesteimd door geloofsgenoten — de 200 die in 1752 vanuit Rotterdam naar Ierland vertrokken kregen 3500 gulden mee die hier ingezameld waren — maar ook al was dat het geval, dan deed zich nog de moeilijkheid van de nieuwe muntsoort voor.

Er moest dus wel een bankier komen en dat werd David Digues la Touche die in de legers van Willem III aan de Boyne gevochten had en die daarna in DubUn een poplinweverij begonnen was. Hij begon in Dublin een particuliere bank en reeds in 1725 was de La Touciibank zo gegroeid dat de burgemeester van Dublin het de moeite waard vond om medevennoot te worden. De bank groeide hard en in 1870 werd ze door de Munster Bank (thans Munster-Leinster Bank) opgeslokt.

NATIONALISME

De Hugenoten pasten zich zakelijk gezien dus uitstekend aan in de voor hen vreemde omgeving maar hoe was bun houding üi het moeilijke Ierse leven-van-alledag? Neem het geslacht La Touche. Omstreeks 1800 deed zich in bet Ierse parlement de vraag voor of Ierland bij Engeland moest blijven of dat het zelfstandig zou zijn. Voor vier La Touche-leden was het antwoord: zelfstandig. Alleen was het versch.il tussen de La Touches en de roomse Ieren dat de laatsten gelijke rechiten als de Protestanten wilden hebben die de eersten hun niet toestonden. In 1792 werd door het parlement een voorstel verworpen waarin de roomse Ieren een begin van gelijke rechten werd toegestaan, en deze verwerping was door een van de parlementsleden, een La Touche, geëist.

Er moeten voorzieningen komen voor de kinderen der Hugenoten en dus besloot de Hugenoten-gemeenschap om scholen ofp te richten. Het duurde niet lang of zelfs Ieren zonden hun kinderen naar zo'n franstalige school omdat ze dan een „continentale opvoedig" zouden krijgen. Van de verschillende scholen waren vooral dié uit Portarlington beroemd zodat deze stad wel het Ierse Athene genoemd werd. Het waren vooral de Hugenoten-predikanten die zich met de zorg voor het onderwijs belastten. De predikanten waren trouwens bijzonder actief; zij zorgden VO,T vele pennevruchten en het werk van ds. J. Abbadie: Tractaat van de waarheid der christelijke godsdienst (1684) kan wel als de belamgrijtete beschouwd worden. •

Naast de schrijverij hadden de predikanten echter in de eerste plaats hun herderlijk werk en de uitgestrektheid van de gemeenten maaikte deze taak niet bepaald licht, temeer daar de Franse predikanten in Ierland tamelijk dun gezaaid waren. Want hoewel een parlementsbesluit uit 1697 de Hugenoten op staatskosten één predikant op elke 50 gemeenteleden had toegestaan, toch betekent dit niet dat die er in de praktijk was. Dublin, de grootste gemeente, had niet meer dan twee predikanten en er waren zeker een achttal gemeenten die helemaal geen herder hadden.

KERKELIJK LEVEN

Het is vrijwel vanzelfsprekend dat de eerste Hugenotengemeente In Dublin ontstond (1666) maar het was tevens één van dè eersten die weer opgeheven werd (1817). De overigen dn Portarlington, Cork, Waterford enzovoort vervulden vooral in de achttiende eeuw een voorname taak. Het was aan de latere politieke toestand van het eiland te wijten dat de gemeenten doodibloedden en de kerken gesloten werden. Zodat de belangstellende bezoeker momenteel alleen overblijfselen ziet die aan^ de Hugenotentijd herinneren zoals bijvoorbeeld de vier Hugenotenbegraa4>laatsen: twee in Dublin, een in Cork en een tn Portarlington.

De Hugenoten zelf zijn sinds het begin van de negentiende eeuw opgegaan in de Ierse Staatskerk of in de Presbyteriaanse kerk. Wendden zij zich tot de laatste, dan hadden ze minder mogelijkheden want nonconformisten waren niet 'bepaald geliefd, ook in Ierland niet, en tot 1692 hadden zij dan ook geen toestemmirag om godsdienstoefeningen te houden.

Het is echter opmerkelijk dat de godsdienstige toestand ook tn die tijd, in Ulster beter was dan in de rest van Ierland en de calvinistische invloed is in Noord-lerland meer doorgedrongen dan in het zuiden. Zodat een schrijver aan het begin van deze eeuw opmerkt: „Veel van Ulster's beste zonen stammen af van de Hugenoten, van Puriteinse voorvaderen' die de genietingen minachtten en dag in dag uit ijverig bezig waren, onafgebroken klaar om datgene te doen wat hun hand te doen vond. Zo vormden zij een volkstype dat de grootste aanwinst voor een natie is. In sommige oude boerderijen in Ulster kan 'men nog een oude Bij'bel uit Gen've vinden... met c^p het titelMad de namen van vluchtelingen .... Het is een kleine herinnering aan een volk dat een blijvend stempel op Noord-lerland gezet heeft".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 3 oktober 1973

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

Het leven der Hugenoten in Ierland

Bekijk de hele uitgave van woensdag 3 oktober 1973

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken