Bekijk het origineel

Experimenten met onderwijsmethoden, niet met leerlingen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Experimenten met onderwijsmethoden, niet met leerlingen

Minister Van Kemenade zet door

5 minuten leestijd

„Met nadruk wil ik vaststellen, dat voorwaarde van de experimenten is, dat de leerlingen aan het eind van hun studie op de middenschool geen schade mogen ondervinden van de experimenten en dat waarborgen worden geschapen voor hun doorstroming naar andere vormen van onderwijs. Wij gaan experimenteren met onderwijsmethoden, niet met leerlingen".

Dit zei minister dr. J. A. van Kemenade (onderwijs en wetenschappen) op 9 oktober in het Troelstra-oord te Beekbergen waar hij de „Gesamtschuleconferentie opende die daar tot en met donderdag 11 oktober werd gehouden.
„In het proces van de verandering van de maatschappij, dat zich aftekent, zijn onderwijs en vorming, naast andere maatschappelijke ontwikkelingen, van doorslaggevende betekenis". „Veel maatschappelijke ontwikkelingen", aldus minister Van Kemenade, „worden in sterke mate bepaald door het inzicht, de kennis en de vaardigheden die in het onderwijs worden verworven". Nog belangrijker is het naar zijn mening, dat het de mensen in staat moet stellen een bijdrage te leveren tot de ontwikkeling van de samenleving, tot het maken van een keuze, die voor die ontwikkeling van belang is.„Het maken van die keuze is een zaak van alle leden van de samenleving. Om die keuze te kunnen maken wordt van de leden van de samenleving creativiteit, verantwoordelijk en een politieke en maatschappelijke stellingname gevraagd. Ook deze kwaliteiten zullen in en door middel van het onderwijs ontwikkeld moeten worden".
Het doel van onderwijsvernieuwing moet volgens de minister zijn „iedereen zicht te geven op zijn eigen maatschappelijke situatie en hem in staat te stellen daarop invloed uit te oefenen. Bij het bereiken van dat doel kunnen de scholen een belangrijke rol vervullen door veel aandacht te schenken aan wat men de sociale bewustwording van de leerlingen zou kunnen noemen".
Uitvoerig ging minister Van Kemenade in zijn toespraak in op de middenschool, die volgens de huidige conceptie de volgende kenmerken zal bezitten: ze omvat alle leerlingen in de leeftijd van twaalf tot vijftien of zestien jaar, ze biedt door een systeem van keuzevakken de mogelijkheid van naar aard uiteenlopende eindniveaus; ze biedt door een systeem van niveau-onderwijs ook de mogelijkheid voor per vak of per vakkengroepen uiteenlopende eindniveaus; ze kent geen leerstof jaarklassensysteem. Bovendien zal er in de middenschool meer dan in het huidige voortgezet onderwijs aandacht besteed worden aan aspecten van sociale bewustwording, muzische creativiteit en technische vaardigheid voor allen. En verder bereidt ze de leerlingen, die dat willen en kunnen, voor op aansluitende vormen van beroepsonderwijs en onderwijsvormen, die leiden tot hoger onderwijs nieuwe stijl, d.w.z. het wetenschappelijk onderwijs en alle andere vormen van post-secundair onderwijs.

BASISSCHOOL
De bewindsman meent dat thans het tijdstip is aangebroken voor experimenten, die proefondervindelijk moeten vaststellen op welke wijze de uitgangspunten in inhoud, werkwijzen en organisatie van een school kunnen worden gerealiseerd. „Tevens", vindt hij, „moet daarbij worden vastgesteld, welke alternatieven mogelijk zijn en wat daarvan de onderwijskundige sociale bestuurlijke en financiële consequenties zijn".
De lagere school zal vooralsnog niet bij de middenschoolexperimenten betrokken worden, maar, aldus de minister, gedurende de ontwikkeling van de experimenten blijft de mogelijkheid in een later stadium daartoe open. Bij de experimenten met de middenschool zal van het begin af gelet worden op de doelmatigheid van het onderwijs en de financiële realiseerbaarheid van de uiteindelijke plannen. „De experimenten moeten zo worden opgezet, dat de resultaten op de rest van het onderwijs overdraagbaar, en toepasbaar zullen zijn".
Minister Van Kemenade zal nog dit jaar tien scholen uitnodigen om mee te werken aan het voorbereiden en uitvoeren van een experiment. De keuze van de tien scholen gebeurt door de bewindsman o.a. op advies van de inspectie en de landelijke pedagogische centra. In de loop van het cursusjaar zal dan beslist worden, welke van de tien een integraal en welke een deelexperiment zullen uitvoeren. Voor een integraal experiment zullen met ingang van het schooljaar 1974/1975 drie scholen worden geselecteerd, als de voorbereidingen voldoende zullen zijn gevorderd.
Aan het slot van zijn toespraak gaf de minister nog een kort overzicht van op stapel staande plannen: integratie van het kleuter- en lager onderwijs, herstructurering van het wetenschappelijk onderwijs, invoering van hoger onderwijs nieuwe stijl en verder maatregelen op het gebied van de partiële leerplicht voor werkende jongeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1973

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

Experimenten met onderwijsmethoden, niet met leerlingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1973

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken