Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

EN WEID ZE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

EN WEID ZE

Psalm 28 : 9b

9 minuten leestijd

De oude zanger Israels mocht in de 28ste psalm verwaardigd worden, een gebed op te zenden tot de Heere, de God des heils. Uit de persoonlijke nood vandaan wordt hij verwaardigd om in het gebed de algemene nood van de ganse kerk en de behoeften van Sion op te dragen aan de troon der genade. Dat kunnen wij inzonderheid bemerken in het laatste vers, wanneer David gaat uitroepen: „Verlos Uw volk en zegen Uw erve en weid ze en verhef ze tot in eeuwigheid." Uit de persoonlijke nood en uit de innerlijke behoefte zijner ziel horen wij David het aangezichte Gods zoeken. Hij zegt immers in vers twee: „Hoor de stem mijner smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats Uwer heiligheid." Uit de nood en uit de banden van zijn hart stortte David zijn klachten uit voor het aangezicht van Dien, die leeft tot in alle eeuwigheid. Hij mocht zielsworstelingen ontvangen aan de troon van Gods eeuwige genade. David mocht een bijzondere eigenschap van het leven en van de banden der gemeenschap bezitten, waarin de kerke Gods door één geloof, door één doop en door één Heere wordt samengebundeld. Daaruit mocht hij de banden der gemeenschap opdragen aan de troon der genade, opdat hij niet alleen in zijn persoonlijke nood kreeg te eindigen, maar ook in de nood van de ganse kerk en het strijdende Sion op aarde. In zijn wenen en smekingen nam hij de kerke Gods mee tot voor het aangezicht van de levende God. Daaruit horen wij hem nu roepen: „Verlos Uw volk en zegen Uw erve". Dat volk hetwelk in banden en kommer verkeert, ja in moeite leeft van dag tot dag en van ogenblik tot ogenblik. Alle zegen verzondigd en alle aanspraak op de zegen verbeurd. Maar zegen Uw erve, naar de vrijmacht van Uw doen, en weid ze en verhef ze tot in eeuwigheid. Het is wel zeer opmerkelijk dat David zegt: „En weid ze". Namelijk dat volk en die erve des Heeren, die Hij van eeuwigheid verkoren heeft. Zij kunnen immers zichzelf niet weiden. De Heere God heeft hun de valse en ijdele weidegronden van deze wereld voor ogen gesteld als niet en ijdelheid. Het licht van Gods Geest ontdekte hun ziel als een land dor en mat zonder water. Vanwege de kennis van hun hart moeten zij bekennen geen weidegronden in zichzelf te bezitten. Niets kan hun ziel dekken voor de tijd en voor de eeuwigheid, maar bij ogenblikken mogen zij aangedaan worden met kracht uit de hoogte om het oog op te heffen naar omhoog en mogen dan uitroepen: „Weidt Gij mijne ziele." De Heere God komt ze te leiden door de druk en de verdrukking heen. Uit de kennis der wet krijgen zij hun ellende te kennen en hun verloren toestand in te leven. Uit die druk en verslagenheid leren zij roepen tot de levendige God. Zij leren de Rechter om genade te smeken en met de kerk van de oude dag uit te roepen: „Ai hoor naar hen die in gevangenis kwijnen." Na ontvangen genade kunnen er nochtans ook vele verdrukkingen in het vlees zijn overgebleven. De mens heeft een strijd op aarde. Job zegt ervan: „Een mens van een vrouw geboren, is kort van dagen en zat van onrust." De kerk zegt daar amen op en getuigt met Mozes in psalm 90 „Doch de uitnemendste van die is moeite en verdriet." In het voorbeeld van David vinden wij de ganse kerk, in het smeken en hun klachten bekend te maken voor Gods aangezicht. Waarin zal ik tot God mijn mond openen, wat zal ik vragen, gaat die kerk zeggen. Gij kent mijn noden en mijn zwakheden zijn voor u niet verborgen. Verlos Gij Uw volk en zegen Uw erve en weid ze en verhef ze tot in eeuwigheid. De Heere zal ze in nood en in de druk weiden en zij zullen bekennen dat het de hand des Heeren is, die het gewrocht heeft. Het is geen kleine zaak om in tijden van druk en tegenspoed de hand des Heeren op te merken. Er loopt een volk op aarde, die veel benauwder zijn, dat de Heere van hun harten zal wijken, dan dat ze bevreesd zijn voor de druk. Er ligt een keus in hun harten, liever onder een bezoekend God, dan zonder God en liever onder een kastijdend God dan buiten God, ja liever onder een verbergend God dan zonder God op aarde te liggen. Daarom zegt David: ,.0 God weid ze." Wanneer hun pad loopt door de zee, Heere, wilt Gij dan bij hen zijn: wanneer hun pad loopt door de druk en door de banden, vergeet dan het geroep Uwer erve niet. Heere God, weid en verhef ze tot in eeuwigheid.
Weid ze Heere, die door Uw kracht getrokken zijn met koorden van goedertierendheid, uit de macht der duisternis tot Uw wonderlijk licht. Heere, weid ze die Gij een haak in de neus gelegd hebt, ja, die Gij met name geroepen hebt en uit genade getrokken uit het midden van een wereld, verloren in schuld. Weid ze door Uw kracht in de weide van genade, om buiten zichzelf en uit Uw eeuwig welbehagen eens ingeleid te mogen worden, wat U door Uw Goddelijke kracht heeft uitgedacht. Ja, wat U in de Zoon Uwer eeuwige liefde gewerkt en Hij op grond van recht verworven heeft.
Een vruchtbare weide en een overvloedige vlakte, opdat Gij rijdt door de vlakke velden en Uw naam is Heere der Heeren. Velden van het welbehagen Gods. Vlakke velden in de arbeid van gehoorzaamheid, waarmede de Zone Gods door de verheerlijking van de deugden Gods een vlak veld gemaakt heeft. Hij leidt Zijn kerk in die vlakke velden en in die velden worden zij een schuldig zondaar voor God en leren zij hun verloren staat in te leven en het recht Gods toe te vallen.
Door hun schuld en ongerechtigheid te leren mijnen, wil God Zijn kerk een vlak veld bereiden. Zodat de kracht van hun God in hen geopenbaard wordt door de Zone Gods als de gegevene des Vaders, in Wie de Vader alle bergen van toorn heeft afgelegd, opdat Hij Zijn kerk zou leiden in de weide van Zijn eeuwig welbehagen. O, dan roept David uit: „Weid uw volk en verhef ze tot in alle eeuwigheid.
„Een zalige plaats, geliefden, om zo eens in de weiden Gods te mogen grazen. In die weide Gods komt Hij ze met grote kracht in te leiden, ja daar voert Hij Zijn kerk naar Zijn welbehagen. In de weiden Gods mogen zij verenigd worden met het doen van God en zien op de handen van God, gelijk de ogen van een dienstmaagd zijn geslagen op de handen van haar vrouwe. In die weide Gods blijft er een biddende erve over, die hun ogen opheffen naar de hemel met de uitroep en de inleving in hun ziel „Neig mijn hart en voeg het saam tot de vrees van Uw Naam."
Dan krijgen zij met David iets te beoefenen om uit het persoonlijke van het gebed, de smekingen van de ganse kerk uit te dragen, zeggende: Verlos Uw volk en zegen Uw erve en weid ze in de weiden van Uw raad en Uw wil naar Uw welbehagen. Zalig de knieën en de ogen die daar kiijgen te buigen en te zien. Zalig al het volk dat in de weide Gods krijgt in te leven wat een zeker dichter zegt: „Ik behoef niet vooraan te staan, als ik maar mee mag gaan".
De Heere heeft Zijn kerk liefgehad met een eeuwige liefde. Die Ik lief heb, heb Ik lief tot het einde toe. Van eeuwigheid heeft Hij uit liefde, in verheerlijking van Zijn recht, de wet uitgedacht. De Zoon Gods heeft door Zijn borgstellende liefde niet gerust, alvorens Hij op de hoogte van Golgotha, de hoofdschedelplaats des doods, de plaats der misdaad en der verdoemenis, uit liefde tot de deugden Gods Zijns Vaders en uit liefde tot al degenen, die Hij van de hand des Vaders gekregen heeft. Zichzelf in de liefde, uit de liefde en door de liefde doodgeliefd, opdat door de kracht Zijner liefde, vruchtbare weiden der gerechtigheid en der zaligheid verworven zijn en Zijn kerk daarin zou mogen weiden.
En dan is daar de liefde van de Derde Persoon, de Heilige Geest. Die uit eeuwigheidsliefde intrek neemt in het hart van een schuldig volk. De Heilige Geest die overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel, maar die ook als de Geest van Christus het geloof in hun zielen werkt en de weldaden van Christus mededeelt en toepast. De liefde des Heiligen Geestes leidt ze in alle waarheid, zodat de liefde Gods des Vaders, de liefde Gods des Zoons en de liefde Gods des Heiligen Geestes, ja de liefde van een Drieënig God Zijn kerk en Zijn erfvolk zal leiden in grazige weiden en doen nederliggen aan de beken van Zijn wellusten.
Dan leven zij uit Zijn leven en o, zalig, dan mogen zij bij ogenblikken in die weiden Gods grazen, in Zijn wegen en in Zijn welbehagen hun schreden richten. Dan ligt de kerk te roepen „Weid Uw volk en verhef ze tot in eeuwigheid."

Dat de kracht der Goddelijke genade ook ons neer mocht werpen voor Zijn aangezicht, om te wanhopen aan zichzelf en in te leven: Nu dan, o Heere, wat hope ik, mijn hope is alleen op U. Die hemel en aarde gemaakt heeft. Amen.
Krimpen aan den IJssel                                        ds. M. A. Mieras

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 november 1973

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

EN WEID ZE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 november 1973

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken