Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ds. A. P. A. du Cloux en zii strijd voor kerkherstel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ds. A. P. A. du Cloux en zii strijd voor kerkherstel

11 minuten leestijd

Onder de Hugenoten die na de herroeping van het edict van Nantes (1685) de ynjlk. namen naar de Nederlanden, was een zeikere Jacques du Cloux, aflcomstig uit Sedan. In 1688 trad hij te Leiden in het huwelijlc en vestigde zich daar als apotheker; zijn vrouw en hij sloten zich aan bij de Waalse gemeente. Hun zoon Paul, geboren in 1691, werd later lakenhandelaar.

Een achterkleinzoon van deze Leidse lakenkoopman was de Hervormde predikant A. P. A. du Cloux (1808-1890), wiens naam in de kring der gereformeerde gezindte niet onbekend is. In het kerkelijk leven van de vorige eeuw speelde ds. Du Cloux een belangrijke rol. Hij nam actief deel aan de strijd voor kerkherstel, welk streven erop was gericht de vaderlandse kerk te bewegen tot handhaving van de oude gereformeerde belijdenis. Ds. Du Cloux publiceerde vele geschriften, waaronder tal van preken, die vroeger bij het gereformeerde volk zeer gezocht waren en ook nu nog worden gelezen. In dit artikel willen we enige bijzonderheden over zijn leven en werken vermelden. 

Jeugdjaren

Alphonse Pierre Antoine du Cloux werd op 25 maart 1808 in Den Haag geboren als zoon van Paul Philippe du Cloux en Anna Lincklaen. Zijn vader, een jurist, was van 1802 tot 1809 griffier van het militair gerechtshof. Daarna werd hij benoemd tot griffier van de rechtbank in Applngedam, met gevolg dat het gezin Du Cloux in 1810 naar het noorden des lands verhuisde. Hier groeide de jonge Alphonse op. Hij studeerde aan de Groningse Hogeschool, werd kandidaat in de godgeleerdheid der letteren en op 4 augustus 1830 door het provinciaal kerkbestuur van Drenthe toegelaten tot de evangeliebediening.

Het was aanvankelijk zijn bedoeling predikant in Nederlands Oost-Indië te worden, maar tengevolge van de Belgische opstand ging dit plan niet door. Du Cloux voegde zich namelijk bij de vrijwilligers die, gehoor gevend aan een oproep van de koning, onder de wapenen kwamen om het vaderland te verdedigen.

Na zijn ontslag uit de militaire dienst ontving Du Cloux dadelijk een beroep van de gemeente Vierhuizen - Zoutkamp. Op 12 -mei 182 werd hij door zijn vriend G. Palmer Houwerzijl, predikant te Tjamsweer, bevestigd. Vermeldenswaard is dat ds. Hendrik de Cock van Ulrum aan de handoplegging deelnam. De nieuwe predikant deed zijn intrede met een preek over Galaten 6 vers 14a: „Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus".

Later moest ds. Du Cloux met schaamte erkennen dat hij het predikambt had aanvaard zonder het gewicht en de heerlijkheid ervan te gevoelen, zondeï de grote verantwoording die hij op zich nam te beseffen en zonder dat hij in de belijdenisgeschriften van de kerk was onderwezen.

In een gedachtenispreek, gehouden te 's Grevelduin-Capelle op 17 mei 1857 ter gelegenheid van zijn 25-jarige evangeliebediening, zei Du Cloux onder meer: „Ik moge geen openbare verloochenaar van de dierbare leer onzer kerk geweest zijn, gelijk er heden ten dage zoo vele her(}ers en leeraars gevonden worden... nogtans liep mijn gansche prediking uit op: doet dat en gij zult leven, gelooft maar aan JEZUS en gij zult zalig worden. Pas was ik in de bediening of Ik werd gewikkeld in den strijd, die er te Ulrum ontstond, en Ik heb zekerlijk behoord onder de eerste, ijverigste en vurigste tegenstanders der afscheiding, en mogt mij verheugen dat met uitzondering van zeer weinigen de gemeente mij bleef aanhangen, ja! zoo aan mij gehecht bleef dat zij hun leven voor mij veil hadden. .Tong en vurig van gestel zag ik tegen geene werkzaamheden op en wedijverde ik uit • eerzucht en dienstijver met hem, die dag en nacht werkzaam was om de afscheiding in al de omliggende gemeenten te bevorderen".

Aanklacht tegen De Cock

Du Cloux was inderdaad een der eerste bestrijders van De Cock. In november 183 diende hij bij het classicaal bestuur van Middelstum een aanklacht tegen deze predikant in wegens het dopen van kinderen uit de gemeente Vierhuizen. Ds. De Cock werd kort daarna geschorst. 
Als predikant van de ring - Leens had ds. 'Du Cloux af en toe ook een beurt in Ulrum te vervullen. Zo moest hij volgens rooster op zondag 26 oktober 1834 — 12 dagen na de Afscheiding — in de Hervormde gemeente aldaar voorgaan. 
Du Cloux vreesde moeilijkheden, en niet zonder reden want op 19 oktober hadden aanhangers van De Cock de dienstdoende predikant (ds. Van der Helm van Niekerk) belet de kansel te beklimmen; De Cock had toen zelf, staande op de ouderlingenbank, de kerkdienst geleid.

Met het oog hierop zond Du Cloux op 23 oktober aan de Gouverneur van de provincie Groningen een brief, waarin hij dringend verzocht, een troepenmacht naar Ulrum te zenden om mogelijk handgemeen te voorkomen. De gemoederen van De Cock's aanhangers waren, aldus Du Cloux, door de stoute taal van de heer Scholte „geheel opgewonden" en deze mensen zouden zich bij de geringste aanleiding met kracht en geweld tegen alle maatregelen van het bestuur verzetten.

In dezelfde week ging het gerucht dat 40 Zoutkamper schippersknechten met handspaken gewapend hun predikant, ds. Du Cloux, zouden vergezellen om een weg naar de kansel voor hem te banen. Op de bewuste zondagmorgen waren tal van aanhangers van Ds. De Cock en vele nieuwsgierigen in Ulrum samengestroomd. Rondom het kerkgebouw werd druk gepatrouilleerd. Incidenten deden zich echter niet voor. Ongehinderd kon ds. Du Cloux de kansel beklimmen en zijn preek houden.

Enkele maanden later, op zondag 15 maart 1835, toen Du Cloux opnieuw in Ulrum voorging, kwam het wel tot een incident. Een 30-jarige dagloner. Meerten Jans Niewold, drong tijdens de dienst plotseling naar voren en schreeuwde de predikant
herhaaldelijk toe: „wolf, kom af!" Ds. Du Cloux vroeg hem wat hij wilde, waarop Niewold weer met luide stem riep: „Ik zeg u, wolf, kom af!". De man werd toen door enige militairen gegrepen en naar bulten gebracht.

Vanzelfsprekend veroorzaakte dit voorval grote opschudding onder de kerkgangers, maar nadat ds. Du Cloux een gezang had laten zingen, kon de dienst zonder verdere stoornis doorgaan.

Ommekeer

Ds. Du Cloux was inmiddels getrouwd met de predikantsdochter Jacoba Wibbina Westendorp. Zijn schoonvader, dr. N. Westendorp, werd z'n leermeester, die hem — zoals Du Cloux zelf zei — bekend maakte met „de dierbare waarheden In onze schoone en heerlijke geloofsbelijdenis en nog nimmer overtroffene Heidelbergschen Cathechismus nedergelegd". Dit onderricht droeg ertoe bij dat hij omstreeks 1838 van inzicht veranderde, een voorvechter werd voor handhaving van de gereformeerde beginselen en een bestrijder van de synodale organisatie der Hervormde Kerk.

Gedurende zijn hele leven bleef Du Cloux echter de vaderlandse kerk trouw. Na een vijfjarig verblijf in Vierhuizen diende hij de gemeenten van Losdorp (1837-1851), Oldebroek (1851-1856), Oud Alblas (korter dan een jaar, nl. van juni 1856 tot april 1857), 's Grevelduin-Capelle (1857-1864) en Spijk in Groningen (1864-1873).

Had Du Cloux door zijn aanklacht tegen De Cock al van zich doen spreken, nog meer bekendheid kreeg hij door zijn strijd voor kerkherstel. Op uitnodiging van Groen van Prinsterer woonde hij in augustus 1848 in Amsterdam een samenkomst bij, die waS belegd door de voormannen van het Reveil. In deze vergadering werd gesproken over belangrijke aangelegenheden betreffende de organisatie en de leer van de Hervormde Kerk.

Van die tijd af ontplooide Du Cloux in de strijd voor kerkherstel grote activiteit. In enkele brochures, verschenen in 1848 en 1849 leverde hij scherpe kritiek op het herzien algemeen reglement voor het bestuur der 'Hervormde Kerk. Namens de kerkenraad van zijn gemeente Losdorp zond hij in februari 1849 een protest tegen dit reglement naar de Synode. Ds. Du Cloux werd redacteur van het blad De Wachter op Slons Muur (Ie jaargang 1852), waarin hij evenals in al zijn geschriften de leer der  Dordtse vaderen verdedigde.

Groninger richting

Vooral keerde Du Cloux zich tegen de zogenaamde Groninger richting, een stroming die de eeuwige godheid van Christus en Zijn plaatsbekledend lijden en sterven ontkendte. De redactie van De Morgenster, een tijdschrift van de Groninger theologen, stelde aan Du Cloux eens de vraag, of Iemand als hij de Nederlandse Hervormde Kerk nog wel met een eerlijk hart kon blijven dienen en of z'n houding niet minstens dubbelzinnig kon worden genoemd.

Hierop antwoordde Du Cloux met een brochure, getiteld „Zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk, die u rekenschap afeischt" (1854). Hij merkte op dat velen van zijn geestverwanten zich inderdaad afvroegen of ze nog langer in de Hervormde Kerk konden blijven, nu het classicaal bestuur van Amsterdam de ergste vijand van de geloofs- en belijdenisschriften, t.w. dr. L. S. P. Meyboom, in bescherming had genomen. Maar zo vervolgde Du Cloux, „toch zie ik het menigvuldige goede dat de Heere ons nog in deze Kerk heeft overgelaten niet voorbij".

Er dienden Immers in de Hervormde Kerk nog zeer vele getrouwe herders en leraars; zelfs was hun getal ontoei'eikend om in de behoeften van zovele roepende gemeenten in het land te voorzien. „Bij en onder al den gruwelijken afval in de Kerk is de Heere nog niet van ons geweken". Daarom wilde Du Cloux de Hervormde Kerk niet de rug toekeren. „Zoolang het fundament van de Kerk er ligt, nl. onze geloofsbelijdenis, hoop ik haar te blijven dienen en mochten de Besturen onverhoopt bepalen dat er leervrijheid is, en de Geloofsbelijdenis en Formulieren van eenigheid zijn afgeschaft, dan nog wensch Ik zelfs eerder al die Besturen openlijk te verwerpen als anti-gereformeerd, en mij te houden aan het contract met mijne gemeente aangegaan, dat de Kerk te veïlaten, afwachtende 't geen de Heere de vijand moge toelaten over mij te brengen. De Nederlandsche Hervormde Kerk is onze Kerk, zoolang wij, bedienaars des 'Woords en leden der gemeente, getrouw zijn en blijven aan onze leer en belijdenis".

Ds. Du Cloux was ook een der geestelijke vaders van de — in 1856 opgerichte — Provinciale Vereeniging van Vrienden der Waarheid in Zuid-Holland. Het doel van deze vereniging was de handhaving van de leer en de rechten van de Gereformeerde Kerk. Te zamen met Ds. 'WT. Kraijenbelt en Ds. H. 'W. A. Verhoeff voerde Du Cloux de redactie van het orgaan der vereniging, het Kerkelijk Tijdschrift. 

In 1857 diende dit driemanschap bij het classicaal bestuur van 's-Gravenhage een formele aanklacht in tegen de predikant dr. J. C. Zaalberg Pzn., die niet alleen de leer der Hervormde Kerk maar zelfs de grondwaarheden van het gehele Christendom had verworpen.

De plaatselijke vereniging van Vrienden der 'Waarheid in Middelburg nam in 1857 het besluit, zelf godsdienstoefeningen te gaan houden. Op 9 juni van dat jaar hield ds. Du Cloux de eerste prediking in een eigen kerkgebouw van deze Middelburgse Vrienden der Waarheid; daarbij waren ook vele leden van de afgescheiden gemeente, de Kruisgemeente en de gemeente van ds. Pieter van Dijke aanwezig.

Het voorbeeld van Middelburg werd spoedig in andere plaatsen gevolgd. Zonder zich van de Hervormde Kerk af te scheiden, zochten de Vrienden der Waarheid in eigen lokalen de prediking die zij in de officiële kerkgebouwen misten. In navolging van Du Cloux traden ook andere predikanten van gereformeerde richting in zulke „evangelisaties" op.

Spijkers

Zo stond ds. Du Cloux op de bres voor de gereformeerde beginselen in de Hervormde Kerk. Hij werd wel beschoud als de tegenvoeter van ds. H. J. Spijker, de voorzitter der Synode. Toen eens aan de bekende prof. Nicolaas Beets de vraag werd gesteld wat hij dacht van de toestand in de Hervormde Kerk, gaf deze ten antwoord: „ze gaat tussen twee spijkers door". Du Cloux stond toen namelijk in Spijk (Gr.); bovendien is „cliu" het Franse woord voor spijker.
De laatste jaren van zijn leven woonde Du Cloux in Bedum in Groningen, de provincie waar hij zijn jeugd doorbracht. Hij overleed daar op O juli 1890.

De vele prekenbundels die hij in hèt licht had gegeven, werden nog lang na zijn dood door het gereformeerde volk graag gelezen. Geen wonder, want terecht schreef iemand eens: „welk geschrift van hem men ook leze, steeds openbaart zich dezelfde geest die doortrokken is van de leer der vaderen; als de volijverige verdediger der Gereformeerde kerk staat hij steeds op de bres en waar hij voor haar gevaar vreest laat hij niet na zijn waarschuwende stem te doen horen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juni 1974

Reformatorisch Dagblad | 10 Pagina's

Ds. A. P. A. du Cloux en zii strijd voor kerkherstel

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juni 1974

Reformatorisch Dagblad | 10 Pagina's

PDF Bekijken