Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET KIESSTELSEL EN DE KLEINE PARTIJEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET KIESSTELSEL EN DE KLEINE PARTIJEN

9 minuten leestijd

De voorgestelde invoering van een districtenstelsel is de zoveelste poging in onze parlementaire geschiedenis om de kleine partijen dwars te zitten. Met name de restzetelverdelingp is In de loop der jaren verschillende malen ten nadele van de kleine partijen gewijzigd.

 Bij de invoering van het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging in 1917, werd bepaald dat lijsten waarvan het stemmencijfer lager was dan de helft van de kiesdeler, bij de zetelverdeling buiten beschouwing zouden worden gelaten. Als gevolg van het feit, dat bij de in 1918 gehouden algemene verkiezingen 7 van de 100 Tweede-kamerzetels moesten worden toegekend aan partijen, wier aantal stemmen aanmerkelijk beneden de kiesdeler bleef, werd het vereiste percentage om voor een restzetel in aanmerking te kuimen komen in 1981 verhoogd tot 76. Bij de kieswetwijziging van 1933 werd bepaald, dat voor de verdeling van de restzetels niet in aanmerking komen de lijsten, wier stemcijfer lager was dan de kiesdeler.

Om politieke versnippering verder zoveel mogelijk tegen te gaan, werd in 1933 het systeem van verdeling van restzetels volgens de grootste overschotten (systeem Roget) vervangen door dat van de grootste gemiddelden (systeem d'Hohdt). Laatstgenoemd systeem is in het voordeel van de grootste politieke partijen; zij verkrijgen op haar lijstengroepen soms wel 2 of 3 van de overschotzetels.

Tegen het deelnemen aan de verkiezingen door zeer kleine groepen keert zich ook de in 1935 ingevoerde bepaling, dat bij de indiening van een kandidatenlijst tot storting van een bepaald bedrag (waarborgsom) — thans duizend gulden per kieskring — in de consignatiekas verplicht, welk bedrag alleen wordt terugbetaald, als de lijst of de lijstengroep, waartoe die lijst behoort, minstens 75 procent van de kiesdeler haalt.

VOORSTEL-DE WILDE

Bij de behandeling van de rijksbegroting van 1934 in de Tweede Kamer werd het vraagstuk der kleine partijen opnieuw aan de orde gesteld. Dit leidde tot de indiening van een ontwerp van wet tot wijziging van de Kieswet op 25 juli 1934 door de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken mr. De Wilde (A.R.). Het regeringsontwerp kwam hierop neer, dat het een hoger stemmencijfer dan de kiesdeler eiste bij wijze van „entree", waarbij de keuze viel op de eis dat bij eerste toedeling drie zetels moesten zijn verworven. Na uitvoerige beraadslagingen, waarbij men de grondwettigheid van het regeringsvoorstel in twijfel trok, werd een amendement-De Geer (CHU) aangenomen om in plaats van „wier stemmencijfer lager is dan het drievoud van de kiesdeler" te lezen „wier stemmencijfer lager is dan de kiesdeler". (Zie art, N 6 lid 3 van de huidige kieswet). 
In het feit, dat haar voorstel tot wijziging van de Kieswet strijd met onze constitutie was verweten, vond de regering aanleiding aan de staatscommissie van 1936 mede de vraag voor te leggen betreffende „de mogelijkheid om, met behoud der grondslagen van het bestaande stelsel, het kiesrecht te wijzigen ter bevordering van een gezonde werking van het parlementair stelsel". Als gevolg van het onderzoek van deze vraag kwam genoemde commissie tot het voorstel de woorden „binnen door de wet te stellen grenzen" in artikel 91 der grondwet op te nemen. Daardoor zou volgens de staatscommissie de gewone wetgever iets meer „armslag" krijgen bij de uitwerking van het evenredig kiesrecht in die zin, dat hij niet gehouden zou zijn de wiskundige evenredigheid zo dicht mogelijk te benaderen. Op grond hiervan werd bij de grondwetsherziening van 1938 aan de eis van verkiezing op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging de beperking toegevoegd: „binnen door de wet te stellen grenzen".

Andere initiatieven om te komen tot invoering van een zogenaamde kiesdrempel zijn ondernomen in 1952 en in 1962. In verband met de in 1952 voorgestelde uitbreiding van de Tweede Kamer van 100 tot 150 leden, stelden de kamerleden Donker, Romme, Schouten, Tilanus en Oud bij motie voor om een wijziging van de Kieswet tot stand te brengen, waarbij zou moeten worden bepaald, dat bij de toekenning van zetels, die lijsten of groepen van lijsten, welke minder dan 1 1/2 maal de kiesdeler hebben bepaald, buiten aanmerking blijven. De motie werd zonder hoofdelijke stemming aangenomen, met verlening van aantekening aan de Kamerleden Welter, Van Dis en Wagenaar, dat zij en de overige leden van hun fractie geacht wensen te worden te hebben tegengestemd.

Deze kwestie werd — nadat bij de grondwetsherziening van 1956 de uitbreiding van de Tweede Keimer haar beslag had gekregen — ook behandeld in het eindrapport d.d. 24 maart 1958 van de Staatscommissie ' van advies inzake het kiesstelsel en de wettelijke regeling der politieke partijen (de commissie Donner sr.). De commissie kwam bij meerderheid van stemmen tot de conclusie dat een wijziging van de Kieswet op dit punt niet was aan te bevelen.

MOTIE-BEERNINK

De kwestie kwam opnieuw ter sprake by de behandeling in de Tweede Kamer van de begroting van Binnenlandse Zaken voor het dienstjaar 196!2. Door de heer Beernink (CHU) werd by die gelegenheid een motie Ingediend daartoe strekkende, dat de Kieswet behoort te worden gewijzlgd in dier voege, dat by de toekenning van zetels, voorzover het de Tweede Kamer betreft, lasten of groepen van lasten, welke minder dan IVs maal de kiesdeler hebben behaald, buiten aanmerking bleven. Die motie werd, ondanks bestriding door de toenmalige ministers van Binnenlandse Zaken, mr. E. H. Toxopeus, met 108 tegen S29 stenunen aangenomen. De regering heeft biykens de mededeling van de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken by de behandeling van de begproting 1962/1963 gemeend aan de motie geen gevolg te moeten geven.
Hoewel de meerderheid van de Staatscommissie Cals-Donner de Invoering van een kiesdrempel afwees, heeft de Kiesraad In zijn advies van 10 februari 1970 de minister van Binnenlandse Zaken geadviseerd een zodanige wijziging van de Kieswet te bevorderen, dat by de vaststelling van de uitslag van de verkiezingen voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal een zetel slechts kan worden toegekend aan lijsten, welke ten minste driemaal de kiesdeler hebben verkregen.

INITIATIEFVOORSTEL

Mede op basis van dit advies dienden de kamerleden Kolfschoten, Andriessen en Van Schalk (allen KVP) op 28 oktober 1970 een initiatief-voorstel in tot wijziging van de Kieswet strekkende tot verhoging van de kiesdrempel bij de verkiezing voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Ten gunste van de invoering van een kiesdrempel wordt in hoofdzaak aangevoerd, dat dit een sterk middel is om een betere werkzaamheid van het parlement te bevorderen en om zeer kleine partijen tot samenwerking met andere partijen te bewegen.
Wanneer over belangrijke politieke onderwerpen door een geringer aantal fracties het woord wordt gevoerd, zal dit — volgens de voorstellers — zowel in als buiten het parlement als een verbetering worden ervaren. Ook buiten de openbare vergadering komt het bestaan van een groot aantal kleine fracties de kwaliteit van de parlementaire arbeid niet ten goede. Kleine fracties kunnen naar de mening van voorstellers moeilijk ten aanzien van alle onderwerpen van regeringsbeleid een inbreng van het vereiste niveau leveren. Dit kan volgens de voorstellers leiden tot een onvoldoende tegenspel van de Kamer tegenover het kabinet.

De meerderheid van de Staatscommissie Cals-Donner heeft een verhoging van de kiesdrempel afgewezen en daarbij als voor haar doorslaggevend gesteld, dat een dergelijke maatregel eenzijdig gericht is tegen het verwerven van zetels door kleine groeperingen en niet aanzet tot samenbundeling van de in de Kamer zitting hebbende partijen. De maatregel betekent derhalve in het geheel geen oplossing van de problematiek, zoals de staatscommissie Cals-Donner die met betrekking tot een wijziging van het kiesstelsel ziet.

De grootst mogelijke minderheid van de Kiesraad staat tegenover het voorstel van de meerderheid afwijzend. Met erkenning, dat ook in de bestaande wet voor de Tweede Kamer een drempel nodig is geacht, meent de minderheid in de Kiesraad, dat deze bezwaarlijk geacht kan worden op het stelsel van evenredige vertegenwoordiging inbreuk te maken, nu immers als zodanig de kiesdeler geldt en aldus bij een aantal leden van 150 elke 150-ste van het totaal aantal uitgebrachte stemmen met een kamerzetel wordt gehonoreerd. Hier is sprake van een OBJECTIEF gegeven. Afwijking daarvan zal naar het oordeel van de minderheid in de Kiesraad altijd min of meer arbitrair zijn en de verleiding oproepen de hoogte van de drempel naar momentane politieke overwegingen te bepalen.

BEZWAREN

Tegen de Invoering van een dergeiyk kiesdrempel zijn tal van bezwaren aan Ds. J. van Rootselaar te voeren. Het is bepaald geen deugdelijk middel om de werking van het parlementair stelsel te verbeteren. De werkelijke oorzaak van de politieke malaise ligt immers bij onze politieke partijen zelf. Dit geldt wel in byzondere mate voor onze gerote confessionele partyen, wier politiek hoe langer hoe meer Realpolitiek is geworden en wier politiek dus in sterke mate wordt beheerst door een pragmatische benadering van de hedendaagse politieke vraagstukken.

Door een verhoging van de kiesdrempel wordt evenmin paal en perk gesteld aan de politieke versnippering, welke het partij wezen in het parlement te zien geeft. Wij denken hier met name aan afsplitsing uit Kamerfracties, hetgeen voorgekomen is bij de K.V.P. (P.P.R.), de Boerenpartij en de Mlddenstandspartij. Dergelijke afsplitsingen vinden eerder plaats bij belangenpartijen dan bij wezenlijke beginselpartyen, omdat bij belangenpartyen geen sterke binding bestaat tussen degenen die tot die partij behoren.

Van belang is ook dat het kiesrecht meer en meer als een grondrecht wordt gezien. Volgens de staatscommissie Cals-Donner heeft ledere Nederlander naar de geldende rechtsopvatting gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende lichamen te kiezen en tot lid van deze lichamen verkozen te worden, zij het met inachtneming van bij of krachtens de grondwet gestelde regels en beperkingen. Een verhoging van de kiesdrempel kan worden beschouwd als een inbreuk op dit gelijke recht en als een afwijking van de ontwikkeling van de rechtsopvattingen inzake het kiesrecht.
Het initiatiefvoorstel Is overigens nooit in de Tweede Kamer In openbare behandeling gekomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juni 1974

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

HET KIESSTELSEL EN DE KLEINE PARTIJEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juni 1974

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

PDF Bekijken