Bekijk het origineel

Opnieuw verzoeningsleer van Wiersinga zaak van discussie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Opnieuw verzoeningsleer van Wiersinga zaak van discussie

Gereformeerde generale synode:

10 minuten leestijd

"Door te ontkennen, dat Christus in onze plaats het gericht van God gedragen heeft, tast dr. H. Wiersinga een essentieel bestanddeel aan van de verzoeningsleer van de belijdenis en doet hij tekort aan de rechte prediking van het evangelie." Dat was na een lange dag van discussies en ordedebatten opnieuw de uitspraak van de Gereformeerde generale synode, gistermiddag in Lunteren. Die uitspraak heeft dezelfde synode ook op 7 juni jl. al gedaan, maar tegen de behandeling ter synode destijds en tegen de gedane uitspraken waren tal van bezwaren gerezen, omdat de synode toen niet duidelijk genoeg zou hebben gesproken.Naast een — overigens niet ontvankelijk verklaarde — open brief van de stichting Confessioneel Geref. Beraad — hadden vele kerkeraden gereageerd tegen die afhandeling, zodat vrijdag de kwestie opnieuw diende, zij het ook dat er uitsluitend op de formele en kerkrechtelijke kanten van de zaak kon worden ingegaan, niet op de theologische inhoud.

De synode sprak ook uit, dat het moderamen gerechtigd was geweest, het gesprek te voeren met dr. Wiersinga, dat inmiddels op 7 augustus jl. heeft plaatsgehad, dat de synode terecht tegen Wiersinga geen maatregel van schorsing of afzetting heeft overwogen en voldoende redenen zag, het gesprek met hem voort te zetten en dat ze trouwens tot die schorsing niet bevoegd zou zijn.
Naast deze uitspraken was de synode wel bereid, met een grote meerderheid (bij de eindstemmlng waren er 19 tegen), o.m. de volgende besluiten te nemen:
—I. De synode zal in een brief aan Wiersinga op hem een klemmend beroep doen, zich trouw te houden aan het belijden der kerk, ook t.a.v. het dragen door Christus van het gericht Gods. Wiersinga zal ook worden meegedeeld, dat een synodale commissie het op hem gedane beroep nader wil toedichten en met hem zal samenspreken over alle te rijzen vragen.
—II. Deze brief aan dr. Wiersinga zal in de pers gepubliceerd worden. De genoemde commissie moet uiterlijk op de eerste zitting der eerstvolgende generale synode rapport uitbrengen.

AD-HOC RAPPORT
Voor men echter laat in de middag tot deze besluiten kwam ging er een uitvoerig debat vooraf over het speciale rapport, dat een commissie adhoc, met als rapporteur prof. dr. J. Plomp had opgesteld. Die commissie had een uiterst korte termijn van voorbereiding, want ze kreeg haar opdracht pas op de oktoberzitting. Deze luidde: advies uitbrengen over het verzoek om revisie van het synodebesluit jegens dr. Herman Wiersinga. Twee zaken moesten prof. Plomp CS. toetsen: de kerkordelijke wettigheid en de interne duidelijkheid.

In ijltempo kweet de commissie zich van haar taak en vriend en „tegenstander" hadden lot voor de resultaten. Dat nam niet weg, dat ds. L. J. van Apeldoorn uit Bilthoven met een eigen amendement kwam, dat later zelfs een compleet tegenvoorstel bleek te zijn. Van Apeldoorn wilde, dat de zaak zo formeel correct mogelijk werd gespeeld en vroeg zich af, of het moderamen der synode in de kwestie-Wiersinga wel een taak had, zoals scriba dr. H. B. Weijland had beweerd. De Haagse dr. B. Wentsel vond het  rapport van de commissie ad-hoe echter geen verscherping, vergeleken met de uitspraak van juni jl., doch een noodzakelijke verduidelijking. Ook dit rapport wil, aldus Wentsel, de persoon sparen, maar wel de zaak aanpakken. Ook volgende sprekers gingen telkens in op het al dan niet verscherpte commissierapport.

REVISIE?
VU-hoogleraar dr. G. E. Meuleman had grote moeite met de voorstellen van prof. Plomp en zag ze niet als een verduidelijking van de voorgaande. Dat men Wiersinga zou vragen, zich van spreken over dit aangelegenpunt der verzoening te onthouden, hangende deze kwestie n.a.v. zijn dissertatie, vond Meuleman onvoorstelbaar: men vraagt dan van Wiersinga, dat hij niet meer preken en catechiseren mag, meende hij.
Een zeer lange sprekersrij volgde elkaar op: ds. R. der Nederlanden, ds. L. L. van der Vliet, oud. T. Scheper, drs. W. H. Melles („Uitspraken der synode moeten niet in revisie; het aantal der reacties mag geen doorslag geven; wij hebben destijds gebeden voor we een beslissing namen en we gaven wel een judicium, maar indirect"), prof. dr. J. van den Berg („de synode is niet verplicht op ieder verzoek tot opheldering in te gaan, er is een groot gevaar wanneer iedere synode telkens maar weer wordt genoodzaakt, gedane uitspraken opnieuw in behandeling te nemen. In juni lagen instemming en verdeeldheid van opvatting: dlssensus en cosensus, vlak bij elkaar, maar nu wordt de dissensus geheel geïsoleerd uit de rest").

MOTIEF
Andere leden, die in de eerste ronde het woord voerden, vonden dat Plomp cs. zaken in het rapport binnensmokkelden, die de synode in juni er welbewust buiten hield (zó diaken M. van den Heuvel) en prof. dr. A. G. Honig eiste, dat het vorige synodebesluit moet worden uitgevoerd en dat men zich nu niet mag laten meesleuren door een stroomversnelling van kritiek. Gods liefde gaat vooraf aan Golgotha en aan Zijn gerechtigheid. Dat is het diepste motief, dat Wiersinga drijft, maar de commissie heeft dit niet verwerkt in haar rapport.
De zaak-Wiersinga is voor sommige synodeleden en pre-adviseurs (onder wie uiteindelijk ook prof. Plomp, zoals hij achteraf duidelijk maakte) allereerst een kwestie van de kerkeraad van Amsterdam. Diaken drs. Lassing-Ridderbos merkte op, dat haar kerkeraad weliswaar een bezwaarschrift tegen Wiersinga had verzonden aan de synode, maar dat diezelfde kerkeraad dit schrijven met een latere brief had teruggenomen. Zij toonde een kopie van dat schrijven. En de actuarius, ds. K. J. Schaafsma, èn commissie-rapporteur Plomp was dit tweede stuk echter onbekend, zodat de besluitvorming mogelijk in een ander licht zou komen te staan.

Ook prof. dr. J. Verkuyl, die woedend werd omdat praeses Kruyswljk hem het woord ontnam aangezien hij ver buiten de orde dreigde te gaan, stelde zich op tegenover Plomp en achter Honig.
Ds. Joh. C. Baumfalk meende, dat het moderamen Wiersinga veel te erg de pin op de neus zette, door hem niet meer iets te vragen, maar iets van hem te vergen en te verwachten. De zaak werd daardoor opgescherpt. Is dat iets van het gehele moderamen of alleen van dr. H. B. Weijland in zijn diverse artikelen?, zo vroeg hij. Nadat prof. K. Runia het amendement-Van Apeldoorn van de hand had gewezen en een eigen combinatie-voorstel had gedaan en nadat oud. N. J. de Koning had gewezen op een (terecht) termijn stellen aan Wiersinga's bezinning, mocht prof. Verkuyl alsnog zijn betoog kwijt, omdat hij het toch binnen de ruimte van het formele debat kon houden. Hij pleitte voor een dymamisch belijden en het laten opbloeien van een roos van liefde; eerst dan zal ook dr. Wiersinga zich laten gezeggen.

PROCEDURE
Rapporteur prof. J. Plomp ging vervolgens in op de gemaakte opmerkingen en beklemtoonde de kerkrechtelijke aspecten van de zaak. Hij was altijd zeer benauwd geweest voor een tuchtprocedure en stelde, dat de zaak primair in de Amsterdamse kerkeraad thuishoorde. In juni had hij die grote procedurele bezwaren ook al, maar de zaak was toen reeds aan de orde gesteld en hij moest het hem opgelegde uitvoeren. In dit geval was dat: duidelijkheid scheppen omdat kennelijk duizenden in den lande vinden, dat de juni-uitspraken niet helder genoeg waren. Dat een zekere verscherping de helderheid ten goede komt, vond prof. Plomp vanzelfsprekend, maar dogmatisch-theologisch veranderde zijn commissie niets aan de materie; men nam juist waar mogelijk de vroegere formuleringen over, zo betoogde de Kamper kerkhistoricus.

Na een vermoeiend ordedebat over de te volgen stemmingen —waarbij dr. Kruyswijk de vreemde constructie toeliet van een nieuwe korte discussieronde, hoewel er al enkele stemmingen op onderdelen waren geweest —kwam er tenslotte toch üit, dat de synode zich schaarde achter het commissie-rapport van prof. Plomp, ds. P. Schravendeel, ds. C. Mak en anderen. Plomp kreeg van de vijf preadviseurs alleen steun van zijn Kamper collega prof. Runia.
Tussen de bedrijven door nam de synode nog afscheid van de twee gasten uit Zuid-Afrika; ds. Jan Mettier en ds. David P. Botha van de Nederduits-Gereformeerde Zendingskerk, die deze zitting hadden bijgewoond. Op het verhaal van beide predikanten komen wij nog nader terug.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 november 1974

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

Opnieuw verzoeningsleer van Wiersinga zaak van discussie

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 november 1974

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken