Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

CALVIJN EN DE DOPERSE RADICALEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

CALVIJN EN DE DOPERSE RADICALEN

19 minuten leestijd

Wie ook maar enigszins op de hoogrte is van de geschiedenis der grote Reformatie, weet dat de reformatoren en de kerken die hen volgden, een strijd moesten voeren op twee fronten. Vooreerst hadden ze te doen met de Pauselijke kerk en haar theolog-n. Maar daarbij, en niet in mindere mate, met de sectariërs, en onder hen weer vooral met de zgn. dopersen.

In zijn schitterende brief van kardinaal Salodeto, tegen wiens gerafflneerde aanval op de kerk van Geneve, Calvijn de gelovigen van de stad verdedigde, schrijft de Geneefse Iiervormer dat de reformatorisch gezinden door twee „secten" worden aangevallen. En wel enerzijds door de pausgezinden en anderzijds door de wederdopers.
Die twee, zo gaat Calvyn verder, schenen hemelsbreed van elkaar te verschillen, maar dat is inderdaad slechts schijn. Zeker, als men op het uiterlijk afgaat moet men wel vragren: Waarin lijkt de paus in vredesnaam op de anabaptisten, de wederdopers? Maar als men scherp oplet springt de overeenkomst tussen die beide toch snel in het oog. Want SataniIs niet zó slim of hij verraadt zich wel op de een of andere manier!
Het is nameliljk zo, dat beide secten hetzelfde hoofdwapen tegren de gemeente van Christus hanteren! Want terwijI beide tot walgens toe de mond vol hebben van de „Geest", streven ze in feite beide naar niets anders dan het oprichten van hun leugenbouwsels op het graf van het door hen onderdrukte Woord van God!

VERACHTING VAN DE SCHRIFT
Uit deze woorden van Calvijn blijken duidelijk twee dingen. Vooreerst hoe ernstig en gevaarlijk hij het optreden van de dopersen beschouwt. En dat is geen wonder, Want niet alleen verachten ze evenals de Roomsen in feite het Woord van God - en iets ergers bestaat er voor Calvijn niet - maar bovendien treden ze in de reformatorische kerken op. De frontlijn tussen de Roomse en de Reformatorische kerken is duidelijk, scherp afgetekend. Maar de sectarisohe dopersen wroeten in de gemeenten, wekken daar wantrouwen, verwijdering en zijn in hun groepsvorming voluit sectarisch.
En daarbij wijst Calvijn er in de genoemde uitspraak ook op wat een dominerend kenmerk van de dopersen is, namelijk het in feite verachten van het in de Schrift tot ons komende Woord van God èn het zich laten leiden door de „geest" - dat woord moet in dit verband met een kleine letter geschreven worden! Kort en goed: de dopersen vertonen kerkverwoestende, sectarische, spiritualistische trekken.

PERFECTIONISME
In zijn Institutie houdt Calvijn zich, het spreekt nu wel vanzelf, ook zeer intensief met de dopersen en hun dwalingen bezig. De beroemde brief aan koning Frans I van Frankrijk die Calvijn vóór in de Institutie liet afdrukken is een bewogen weerlegging van de laster dat de reformatorische kerken in wezen niets anders zijn dan doperse gemeenschappen. En ook in zijn hoofdwerk zelf spreekt Calvijn telkens over hen.
Wat hij hun dan vooral verwijt is hun perfectionisme (volmaaktbaarheidsideaal), en wat daarvan onherroepelijk het gevolg is, namelijk hoogmoed, onverdraagzaamheid, sectevorming, kerkscheuring.
In boek IV betoogt Calvijn dat overal waar de zuivere bediening van het Woord en het zuivere gebruik van de bediening der sacramenten gevonden wordt, wij veilig kunnen aanvaarden dat daar de ware kerk is. De betekenis daarvan, zo zegt hij, is zo groot - en dit zeggend heeft Calvijn vooral het oog op de dopersen - dat een kerk die daarbij blijft nooit verworpen mag worden; al is ze overigens ook vol fouten.
„Ja zelfs zal er in de bediening van de leer of der sacramenten enige fout kunnen insluipen, zonder dat die ons van haar gemeenschap behoort te vervreemden. Want de hoofdstukken der leer zijn niet alle van één gestalte, waarde, betekenis. Sommige zijn zo noodzakelijk om te weten, dat ze bij allen ontwijfelbaar vast moeten staan, als leerstukken, die de godsdienst eigen zijn. Als daar zijn: dat er één God is, dat Christus God is en de Zoon Gods, dat onze zaligheid gelegen is in Gods barmhartigheid en dergelijke.
Er zijn evenwel ook andere leerstukken, waarover tussen de kerken geschil is, maar die toch de eenheid des geloofs niet verscheuren". Verwijzend naar Fil. 3: 15: „Zovelen als wij volmaakt zijn, laat ons hetzelfde gevoelen; Indien gij iets anderszins gevoelt, ook dat zal u God openbaren", schrijft Calvijn dat Paulus met deze woorden voldoende te kennen geeft, dat verschil van mening over zulke niet zo noodzakelijke zaken geen oorzaak van scheiding mag zijn onder Christenen.
Natuurlijk moet men er wel naar streven eensgezind te zijn. „Maar aangezien er niemand is, die niet door enige nevel van onwetendheid omhuld is, moeten wij óf geen kerk overlaten, óf het misverstand vergeven in die zaken, in welke men, zonder de hoofdsom der religie te schenden en zonder verlies der zaligheid, onwetend mag zijn" (IV.I. 12).
Moet men dus volgens Calvijn verdraagzaam zijn ten aanzien van afwijkende gevoelens die niet behoren tot de „hoofdstukken der leer", in toegevendheid ten opzichte van de onvolmaaktheid des levens moet men, zo betoogt hij, nog veel verder gaan.
Ook in dit opzicht zondigen de wederdopers in ernstige mate: „Want waar de Heere zachtmoedigheid eist, laten zij die varen, en geven zich geheel aan onmatige gestrengheid over. Want omdat zij menen, dat daar geen kerk is, waar geen volkomen zuiverheid en ongeschondenheid des levens is, verlaten zij door haat jegens de zonde de wettige kerk, terwijl zij menen van de verzameling der bozen af te wijken. (13).
De dopersen maken zich schuldig aan een „onberaden ijver voor de gerechtigheid". Hun al te grote gemelijkheid daarbij ontstaat „meer uit hovaardij en trotsheid en uit een valse waan van heiligheid dan uit een ware heiligheid". Wat volgens de voorschriften der Heilige Schrift „door een vrij wat gematigder behandeling geschieden moet tot het verbeteren van de fouten der broederen, met behoud van de oprechtheid der liefde met bewaring van de eenheid des vredes, dat gebruiken zij tot een heiligschennende scheuring, en tot gelegenheid om af te snijden". (16).

DR. BALKE
Het was een goede gedachte van dr. Balke om nu speciaal een onderzoek in te stellen naar het oordeel van Calvijn over de dopersen. In grove lijnen was dat, zoals uit de door mij geciteerde uitspraken blijkt, wel bekend. Maar een zorgvuldige studie die op alle details en facetten van dat oordeel ingaat, bestond er niet. Balke heeft zich nu op dit onderzoek geworpen en de resultaten daarvan in een dissertatie gepubliceerd, waarop hij „met lof' aan de Utrechtse universiteit tot doctor in de theologie is gepromoveerd.
Wie dit boek bestudeert, zal al gauw tot de conclusie komen dat deze lof volkomen verdiend is. Niet alleen heeft de auteur ervan zich grondig verdiept in het machtige oeuvre, dat Calvijn ons heeft nagelaten, maar hij heeft ook terdege kennis genomen van de enorme hoeveelheid literatuur die in de loop der tijden over Calvijn, en dan speciaal over het thema waarmee hij zich bezighield, verschenen is. De noten leggen daar reeds een indrukwekkend getuigenis van af.
De bestudering van dit onderwerp werd nog bijzonder bemoeilijkt doordat de term dopersen - of: wederdopers - een verzamelnaam is voor een groot aantal stromingen en groepen die onderling vaak zeer veel verschillen. Hoe ver staan de revolutionaire dopersen van het slag van Thomas Münzer die alle volgelingen van de „paus van Wittenberg" (Luther) en die van Home met het zwaard wilde uitroeien mèt Jan Matthijs en Jan Beukels van Leiden die met geweld het godsrijk in Munster wilden verwerkelijken, niet af van de „stille" volgelingen van Menno Simons die principiële pacifisten waren, strenge tucht oefenden en zich afzonderden van "de wereld".
Balke houdt zich in zijn studie bezig met Calvijns oordeel over de doperse radicalen. Calvijn onderscheidt deze scherp van de „libertins spirituelz". de spiritualistische 'libertijnen.
In het historische deel van zijn boek behandelt dr. Balke in chronologische volgorde de contacten - persoonlijke en schriftelijke - welke Calvijn met deze dopers geoefend heeft. Daarbij komen ter sprake de geschriften waarin Calvijn de opvattingen van deze dopersen besprak en kritiseerde ên de persoonlijke contacten waarin hij met hen trad. Voor de beschrijving van deze laatste heeft Balke enorm veel moeizaam speurwerk moeten verrichten.
Het tweede deel van zijn proefschrift biedt een systematisch overzicht van de controversen tussen Calvijns opvattingen en die van de dopersen. De belangrijkheid en de actualiteit - daarvan springt onmiddellijk in het oog als men leest wat daarbij ter sprake komt.
In het eerste hoofdstuk: „De heiligheid en de eenheid van de kerk" komen namelijk respectievelijk aan de orde: de heilige doop, de tucht, separatisme, het ambt, perfectionisme. In het tweede: „Kerk en Staat": de eed, de overheid, maatschappijkritiek, communisme, wereldmijding, anarchisme, pacifïsme, chiliasme. In het derde hoofdstuk komen nog aan de orde: de incarnatie en de leer van de zieleslaap. Terwijl in het laatste hoofdstuk de verhouding van Oud en Nieuw Testament, de Bergrede en Woord en Geest behandeld worden. Men merkt: dit zijn alle thema's die ook in onze tijd volop in de belangstelling staan.

VERLEIDELIJK
Het is verleidelijk uit de studie van Balke heel veel te citeren. Er staat zoveel in dat uiterst belangrijk is. Maar dat is uiteraard niet mogelijk. Ik wil slechts op een paar dingen wijzen.
In de eerste plaats dit, dat Calvijn, méér dan de andere reformatoren, met de dopersen in gesprek komen kon. Dat vond zijn oorzaak daarin dat Calvijn, waarin hij ook van hen verschilde en dat was héél veel en zeer ingrijpend - daarin met hen overeenstemde dat de kerk in geen enkel opzicht onder de heerschappij van de wereldlijke overheid mag komen te staan en dat het voor het welzijn van de kerk volstrekt noodzakelijk is dat daarin tucht wordt geoefend. Als gevolg van deze overeenkomst tussen Calvijn en zijn doperse opponenten, is het Calvijn gelukt veel dopersen, onder wie vooraanstaanden, uit de strikken van hun dwalingen te bevrijden en weer in de gemeenschap der kerk terug te brengen.
Van actueel belang is voorts wat Calvijn over onderscheiden thema's in zijn kritiek op de dopersen opmerkt. Calvijn ziet in navolging van Augustinus als eigenlijke diepste oorzaak van alle kerkelijke ellende, twist, partijschap, scheuring enz. - menselijke eerzucht en hoogrmoed. Het verwijt van afwijking in de leer en de kritiek op de onheiligheid van de kerk en de gelovigen is veelal de rationalisatie van deze hoogmoed en eerzucht en zo een camouflage van het handhaven van zichzelf en eigen groep.
Dit kwaad ontdekt Calvijn nu ook en vooral bij de dopersen. „Wie door eerzucht gedreven wordt - zo houdt hij hun voor, vergadert niet voor Christus, maar voor zichzelf discipelen. Daarom is dit de bron van alle kwaad, de allerverderfelijkste pest, het dodelijk vergif van alle kerken, als de dienaren meer zichzelf zoeken dan Christus".
„Als wij in verschillende lichamen verscheurd worden, worden wij ook van Hem afgescheurd. Daarom, zich in Zijn Naam beroemen onder tweedracht en secten, is Hem verscheuren, wat niet kan gebeuren. Want Hij zal nimmer van de eenheid en de eendracht afwijken, want Hij kan zichzelf niet verloochenen... Wat doen dan de Dopers? Wat doet Müntzer? Terecht en wijs zegt Augustinus dat hoogmoed de moeder is van alle ketterijen waarbij we vaak opmerken dat de domste mensen ook het meest opgeblazen zijn" (pag 839,243).

Belangrijk is ook wat Balke schrijft over Calvijns uiteenzettingen over het kerkelijk ambt. De dopersen willen van dat ambt niet weten. Zij zijn afkerig van het institutionele aspect van de kerk en verwachten alles weer van de bijzondere „doorgeleide gelovigen".

Maar, aldus terecht Balke: „Elke tegenstelling tussen Geest en ambt is Calvijn vreemd. En op vele plaatsen zet Calvijn zich af tegen de dwepers, die de uiterlijke prediking niet nodig hebben en pochen op verborgen openbaringen. „De Heilige Geest onderwijst alléén hun die zich onderwerpen aan de ambtelijke bediening van de kerk en daarom zijn zij discipelen van de duivel en niet van God die de orde verwerpen die Hij heeft ingesteld". „Die deze orde verachten of versmaden, willen wijzer zijn dan Christus. Daarom, wee hun hoogmoed!" „Elke poging om het charismatische en buitengewone regulatief te maken voor het leven van de kerk, is kerkverwoestend". (pag. 260, 1).

KERK EN STAAT
Een uiterst belangrijk geschilpunt tussen Calvijn en zijn doperse antagonisten vormt de verhouding tussen kerk en staat, en dan speciaal de functie van de overheid. Calvijn wil er niet van weten, zo schrijft Balke „dat de staat dienaresse van de kerk wordt of de kerk onder de staat gesteld wordt". „Het gaat bij het ambt en de opdracht van de „verbi divini minister" (de bedienaar van het Goddelijk Woord) om de volstrekte vrijheid, alleen in gehoorzaamheid aan Gods Woord, zijn roeping te vervullen.
Bij het ambt en de opdracht van de overheid als „praecipium membrum ecclesia" (eerste lid der kerk) daarentegen om het bevorderen van de openbare verkondiging van het evangelie, „opdat er onder de christenen een openbare gedaante van religie en onder de mensen humaniteit zal bestaan". Men moet, in verband met Calvijn, aldus Balke, niet te snel spreken van kerkstaat of staatskerk, of van een christelijke staat. De Reformatoren zijn niet zozeer geïnteresseerd in de macht van het christendom. Het gaat hun allereerst om de autoriteit van het Woord (pag. 267, l ). Het overheidsambt, zo betoogt Calvijn, in flagrante tegenstelling met de dopers, is een goddelijk ambt. In het handhaven van orde en recht is de overheid dienstbaar aan de komst van het Koninkrijk. Het wereldlijk ambt wordt door Calvijn zedelijk en religieus gekwalificeerd, het is een „vocatio" een roeping van God (pag. 273). Het is zonder meer duidelijk dat visies als deze voor de christelijke politiek en staatkunde van enorme, ja beslissende betekenis zijn!

GODS KONINKRIJK HIER EN NU
Vele dopersen - van toen en ook van nu! - verwachten voorts de realisering van het Koninkrijk hier en nu, op deze aarde en in onze tijd. Calvijn verzet zich furieus tegen deze fatale opvatting. Zijn visie op deze zaak omschrijft Balke aldus: „Voor een doperse anticipatie (vooruitgrijping) op het komende Koninkrijk, waardoor het bestaande óf genegeerd óf ondersteboven geworpen wordt, is Calvijn beducht. Dit heiligingsstreven, deze overhaasting naar de nieuwe orde van het Koninkrijk der hemelen moet op een hoogmoedige en revolutionaire houding ten opzichte van het bestaande uitlopen... Calvijns visie op het Koninkrijk Gods draagt een bij uitstek dynamisch karakter. Zijn betrokkenheid op God èn de wereld, op het Woord van God èn de reële eigentijdse omstandigheden en noden, geeft aan zijn economische en sociale ethiek zijn originaliteit en dynamiek. Ook hierin is Calvijn de man van de „via media" (de middenweg). Hij is nóch conservatief, nóch revolutionair" (pag. 278). In zijn polemiek met de dopersen keert Calvijn zich voorts met grote felheid tegen de door velen van hen gepredikte verachting van de overheid. Calvijn ziet scherp dat het wegvallen of het falen van de overheid de desorganisatie, ja de verwoesting van het menselijk leven en samenleven betekent. Want het is een verachting van een door God gewilde levensorde. God „regeert niet onmiddellijk uit de hemel, maar altijd door gebruik te maken van middelen. Door middel van Zijn Woord, van wetten, van mensen daartoe in een ambt gesteld. Daarom beter een slechte regering dan helemaal geen regering en geen wet, want dan wordt het leven op aarde een hel". „Zonder regering verschillen de mensen niet veel van de dieren". „Want dieren kunnen een bestuurder missen, omdat zij niet tegen hun soort te keer gaan. Niets is echter wreder dan de mens, als hij niet door een of andere teugel bedwongen wordt, omdat zijn hartstocht hem als een furie tot iedere losbandigheid aandrijft". De dopersen stellen zich uit naam van de liefde negatief op tegenover de staat en de overheid. Zij beschouwen de gehele burgerlijke rechtsorde als volkomen in strijd met het Rijk der liefde van Christus. Maar zij gaan met hun theorie en praktijk juist dwars tégen die liefde in en breken zo de weg open naar de alle menselijk samenleven verwoestende anarchie! Calvijn poneert daartegenover dat de instelling van de overheid en het gebod om haar te gehoorzamen. juist een betoon van Gods liefde is! „Paulus brengt ons tot de liefde, wanneer hij ons het gebod uitlegt, dat wij de overheid moeten gehoorzamen. Want hij laat zien, dat, als wij niet die meegaandheid (douceur) in ons hebben, om de nek te buigen wanneer onze Heere ons dat beveelt, wij geen enkele liefde tot onze naaste hebben. Als wij verwarring en beroering begeren en degenen die over ons gesteld zijn niet de verschuldigde eerbied bewijzen, wordt alles één grote roversbende. Het zou veel beter zijn dat ieder op zichzelf leeft en zonder gezelschap, dan zulk een verwarring te zien, die ontstaat wanneer wij ons niet houden aan de regering die God heeft ingesteld". „De burgerlijke regering wordt genoemd de vergadering der goden. Want hoewel Zijn heerlijkheid uitblinkt in elk deel van de wereld wordt, toch, wanneer er een wettige regering is onder de mensen, daardoor het schitterendste licht verspreid". Calvijns diepe afkeer van anarchie is gevolg van zijn geloof dat God geen „wetteloze" God, geen Deus sine lege, geen Deus exlex is, maar een God van orde en recht". Dit is de glorie van het geloof dat God de werkmeester van de wereld, volstrekt niet de door Hem gestichte orde verwaarloost". „De gehele orde van de wereld is erop aangelegd het gebrek der mensen te dienen".
Op nog één punt van Balke's uiteenzettingen wil ik wijzen. Het is Calvijns afkeer van iedere vorm van revolutie. Altijd vermaant hij zijn medegelovigen die vervolgd worden om het geloof niet tegen de hen vervolgende overheden in opstand te komen. „Consequent heeft Calvijn de Hugenoten elke opstand afgeraden. Als zij naar de wapenen willen grijpen om de macht van de Guises te breken, schrijft Calvijn dat hij van mening is dat „uit één druppel bloed stromen van bloed zich over geheel Frankrijk zouden uitstorten". Calvijn maakte zich terecht zorgen over het complot van Amboise, zoals later uit de afloop blijkt. Het gaat hem om het welzijn van de kerk en ook daarom dat de zaak des Heeren niet gesmaad wordt. Hij verklaart aan Admiraal De Coligny dat hij liever voor verrader van de kerk gehouden wordt, voor iemand die de vrijheid van de kerk en de voortgang van het werk Gods in de weg staat, dan toe te kijken als lichtvaardig dingen worden gedaan die hij moet afkeuren. Hij gelooft daardoor meer de vrijheid van de kerk te dienen dan zij die door tumult haar willen bevorderen. Calvijn heeft al zijn gezag en invloed gebruikt om de politisering en het radikalisme van de Franse protestanten in te dammen. Het is duidelijk dat Calvijn een middenweg gaat tussen beide doperse uitersten van enerzijds het pacifisme en anderzijds het revolutionair fanatisme. De Christen is tot de „tolerantia crucis" (het dragen van het kruis) geroepen, daarin bestaat zijn „militia Christi", maar hij mag bidden om en uitzien naar legitieme middelen waardoor orde en recht hersteld worden, die beide gegrond zijn in de theocratie". Wel erkent Calvijn een zeker recht van opstand tegen overheden die met gewelddadigheid optreden, het arme volk kwellen, gekenmerkt wordt door misdadige trouweloosheid en die bedriegelijk de vrijheid van het volk verraden. Maar dit recht van opstand komt volgens de beroemde uitspraak uit zijn Institutie alleen toe aan de „lagere magistraten" van het volk, niet aan het volk zelf Uit wat ik gezegd heb, vloeit, zoals vanzelf voort, dat ik met de dissertatie van Balke zeer blij ben. De bestudering van dit werk kan onder Gods zegen veel goeds teweeg brengen in de Gereformeerde Gezindte. En het verheugde mij zeer dat de eerste druk ervan reeds is uitverkocht en een tweede op komst is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 december 1974

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

CALVIJN EN DE DOPERSE RADICALEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 december 1974

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken