Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DICHTERES DER CONTRA-REFORMATIE „MEER SUERS DAN SOETS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DICHTERES DER CONTRA-REFORMATIE „MEER SUERS DAN SOETS"

8 minuten leestijd

Omstreeks het midden der zestiende eeuw waren er twee mannen met dezelfde voornaam die de gemoederen van de inwoners van Antwerpen en omgeving erg beroerden. Beiden heetten Maarten. De eerste was Maarten Luther die met zijn „nye leere" de aloude moederkerk danig' in opspraak bracht. Reeds in 1518 waren er geschriften van ziyn hand in de Scheldestad in omloop. Luthers eigen ordegenoten — de Augustijnermonniken — én de zgn. Maranen — tot het Christendom bekeerde Joden — schijnen een niet gering aandeel gehad te hebben in het verbreiden van zijn „ketterse" leer.

De andere was Maarten van Rossum. Deze was stadhouder van Friesland. In 1543 trok hij, na een vruchteloze poging tot verovering van de stad Antwerpen, aan het hoofd van zijn Gelderse troepen plunderend en verwoestend Brabant door. Daardoor werd hij een der meest ge, vreesde krijgslieden uit onze geschiedenis. Twee Maartens dus. Is het wonder dat er een Gelders spreekwoord ontstond dat als volgt luidt?
„Twee Maartens stellen de geheele wereld in roeren. De eene plaagrt de Kerk, de ander de boeren".

Uit dit spreekwoord blijkt wel dat men het een net zo erg vond als het ander. Wij kunnen ons nu nauwelijks meer een voorstelling maken van de totale omwenteling die de op de Schrift gegronde opvattingen van Maarten Luther teweeg gebracht hebben.

Vandaar dat we er misschien even aan moeten wennen, wanneer we vernemen dat iemand uit deze tijd de brandschatter en plunderaar Maarten van Rossum verkoos boven zijn naamgenootl Toch is dit het geval geweest. In deze tijd werd een refrein geschreven, waarvan de stokregel als volgt luidde:
„Noch schijnt Merten van Rossom de beste van tween".

En dit refrein werd geschreven door een vrouw! Niet door een Roomse geestelijke van naam, maar door een eenvoudige Antwerpse schooljuffrouw. Ze heette Anna Bijns. Hoe groot haar afschuw van de Lutherse „doctrijne" wel was, blijkt uit het bedoelde refrein. Luister maar:
„Luther, Rossom, Lucifer daer bij gheseten,
Mij twijfelt wie van drien es de beste:
Rossom sleypt veel quaets aes (=buit) 't zijnen neste,
Luther es nacht en dach in de weere
In kerstenrijck te stroyen een doodlicke peste;
Dus haer beider boosheit blijck int cleere (=:klaar, helder);
Maer voor Luthers venijn ic mij meest verveere, (= vervaard zijn)
Want de menschen brengh 't in 't eeuwich gheween;
Al en es de keur niet weert (=waard) een platte peere.
Noch ( = nog steeds) schijnt Merten van Rossom de beste van tween".

Dit is niet het enige refrein dat deze Anna Bijns tegen de leer van Maarten Luther heeft geschreven. Met hartstochtelijke felheid, geenszins uit zucht tot polemiseren, maar uit pure innerlijke verontwaardiging, heeft ze zich in een groot deel van haar werk - vrijwel allemaal refreinen - gekeerd tegen dat wat ze zag als een fundamentele ondermijning van het oude geloof en de aloude moederkerk. Het maakt ons nieuwsgierig iets meer over deze dichteres der Contra-Reformatie te horen. Wie was deze vrouw, die liever met Maarten van Rossum te doen had dan met die andere Maarten?

Anna Bijns werd in 1493 geboren. Haar vader was kleermaker, woonde te Antwerpen op de Grote Markt in „De Cleyne Wolvinne". In 1516 stierf hij. Nog geen jaar later trad Anna's zuster in het huwelijk. Ze eiste als bruidsschat haar aandeel in de bezittingen van haar ouders op, waardoor „De Cleyne Wolvinne" moest worden verkocht. Onze dichteres kwam toen bij haar broer (ook een Maarten!) in te wonen. Deze had het reeds tot onderwijzer gebracht en opende dan ook in zijn nieuwe woning een school voor eigen rekening; hij noemde die veelbetekenend „De Patiencie".

Hoogstwaarschijnlijk heeft Anna haar broer met lesgeven geholpen. Toen hij in het huwelijk trad, besloot zij althans zelfstandig een christelijke school te openen. In 1541 — ze was toen bijna 50 jaar oud! — kreeg ze een eigen huis, „Het Roosterken" genaamd, en daarin heeft ze tot haar tachtigste jaar (!) haar dagen gevuld met het verstrekken van christelijk onderwijs aan de kinderen uit de Scheldestad; naar we mogen aannemen met overtuiging en met hart en ziel de leer van de heilige moederkerk toegedaan. In de paasweek van 1575 is ze gestorven; 10 april 1575 werd ze, na een goedkope lijkdienst in de O.L.-Vrouwekerk, ten grave gedragen.

Inmiddels had ze een aantal refreinenbundels uitgegeven. In 1528 had ze de eerste het licht doen zien. Twintig jaar later volgde een tweede. Alles geschreven in de trant van de rederijkers, de rijmkunstenaars uit die dagen. In 1567 werd door een ander een derde bundel van haar uitgegeven. Opvallend is dat daarin het strijdelement vrijwel ontbreekt. Intussen had ze evenwel nog veel meer refreinen geschreven. Die moesten tot de vorige eeuw wachten tot ze werden uitgegeven. In die gedichten is het „amoureuze" in niet geringe mate vertegenwoordigd.

„Meer suers dan soets", zo ondertekende Anna Bijns veel van haar gedichten. Een treffende lijfspreuk. Getuigend van eerlijkheid. Verdriet en ellende zijn kennelijk ruimschoots haar deel geweest. In haar minnedichten komt vaak de klacht voor om een afgewezen liefde. De geleerden zijn het er niet over eens of deze liefdespoëzie conventioneel van aard is — gedichten over liefde schrijven was mode in die tijd — dan wel een uiting is van hoogst persoonlijke ervaring.

Is het laatste het geval geweest, dan zou onze dichteres een hartstochtelijke liefde hebben gekend, die evenwel onbeantwoord bleef. Het is mogelijk.
„Liefs derven doet somtijts veel nachten waken
Ic weet bij mij selven van deser saken"
,
zo schrijft ze. Al doet veel van haar minnelyriek inderdaad gekunsteld en conventioneel aan, helemaal gespeend van eigen beleving is ze nu ook weer niet. En dan hebben we hier zeker een gedeeltelijke verklaring voor haar lijfspreuk.

Een gedeeltelijke, want één ding is zeker, er was een man, die ze nooit gezien had, die ze niettemin hartstochtelijk verfoeide, en die zonder meer een groot deel van het „suers" op zijn geweten had. Dat was, het bleek reeds, Luther. Ze voelde zich zelfs geroepen om in „gedichte" tegen zijn leer ten strijde te trekken.
„Als ic mijn ooghen op alle straten keere,
So verwonder ie my boven maten seere.
Dat men heênsdaegs veel geleerde mans vint.
Die lutter (=weinig) weerstaen Luthers verwaten leere".

Daarom zal zij het als vrouw doen. Ze roept echter tegelijkertijd de mannen op als kampioen te strijden voor de aloude waarheid. Ze is namelijk bang dat de ketters haar werk houden „voor boerte, denckende 't es wijven were".

Onze eerste bewust contra-reformatorische kunstenaar van enig formaat was dus een vrouw. De nieuwe leer deed haar pijn. Ze voelde zich aangevallen in wat haar dierbaar was. Na lezing van haar gedichten komen wij echter wel tot de conclusie dat ze het nieuwe ook niet werkelijk heeft begrepen. Luister maar naar een gedeelte uit haar refrein „Dit komt meest al tsamen uut Luthers doctrijne":
Men derf (= mag ) niet vasten, niet beden, niet vieren;
Houdt Luthers lere, raden die boze gieren,
't Gelove es genoeg, Christus heeft betaald.
Laat beelden breken, beroven, ontsieren.
Gaat niet  e biechten, 't zijn kwade manieren.
Want de Kerk heeft tot nog toe gedwaald.
Gods geest es allene op Lutherum gedaald.
Die heeft hem bestraald;
Dus meugdy (=moogt ge) leiden een wellustig leven.

Men ziet, het oude misverstand: Anna Bijns dacht — en ze geloofde dat ook werkelijk; ze wist niet beter — dat de leer der Reformatie, het sola gratia en sola fide, zou leiden tot een zorgeloos leven. Is dat helemaal verwonderlijk, gezien datgene wat ze zelf met de paplepel ingegoten gekregen had?

Het pleit o.i. voor de dichteres dat haar verwijten niet helemaal eenzijdig gericht waren. Want wél had ze de oude moederkerk lief, maar scherp zag ze ook de gebreken. Ze betreurde de vervalversohijnselen die ze waarnam. Vandaar haar bede:
„Sendt ons vlerighe, oprechte predicanten,
Die u godlijck woordt seayen en planten
En 't gheene, dat sij leeren, eerst selve beleven.
Wilt ons herders naer u herte gheven".

We zeiden reeds: in haar derde bundel refreinen is de polemiek met de Reformatie vrijwel afwezig. Daarin komt meer van haar eigen innerlijk leven tot uitdrukking. Deze bundel bevat lofzangen op de Schepper, op Christus, op Maria(!). Maar ook boetezangen, beschouwingen over dood en vergankelijkheid. Vooral in de laatste komt ze ons, zonen der Reformatie, dichter nabij dan in haar overig werk. We besluiten dan ook met een fragment waaruit enerzijds duidelijk de gevolgen blijken van de Roomse leer (geen zekerheid des heils), maar waarin de zestiendeeeuwse Anna Bijns wellicht verrassend dicht bij velen onzer staat. Wie weet heeft ze op haar sterfbed de waarheid van Maarten Luthers leer voor haar eigen hart mogen ondervinden.

„Als ic allen , eertschen troost moet derven
En alleene moet comen voor Gods presentie
Rekeninghe doen en den kerf afkerven.
Wat ic misdaen hebbe, waer en hoe menich werven,
Ende als myn arm beladen conscientie
Van cleyne ghebreken maect groote mentie (=gewag).
Die ic ghesont sijnde niet eens en achte.
Als ic Gods strange rechtveerdige sententie (=vonnis)
Van uren tot uren ligge en verwachte.
Als den dach voorbij is en het naect den nachte
En my twijfelt, weer (=of) ic sal verdoemt sijn oft vrij gaen,
Heere, alst my afgaet, wilt my dan bystaen".

Over Anna Bijns: „Anna Bijns, Refreinen". Uitg. L. Roose. Antwerpen 1949. Klassieke Galerij, nr. 52.; „Anna Bijns, Meer zuurs dan zoets". Uitg. L. Roose. Hasselt 1968. Vlaamse Pockets-Poëtisch Erfdeel der Nederlanden, P 65.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1975

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

DICHTERES DER CONTRA-REFORMATIE „MEER SUERS DAN SOETS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1975

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken