Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De voorgeschiedenis van 't vormingswerk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De voorgeschiedenis van 't vormingswerk

4 minuten leestijd

De trouwe lezers van ons blad zal het ongetwijfeld zijn opgevallen, dat regelmatig personeel wordt gevraagd voor Protestants-Christelijke vormingsinstituten. Ook ziet men wel berichten dat overal te lande reformatorische vormingsinstituten worden opgericht. Vele lezers hebben zich wellicht afgevraagd wat het belang is van dat vormingswerk en waar het zo ineens vandaan komt. Waarom staan de werkende jongeren ineens zo in de belangstelling en wordt er zoveel over geschreven?

Het vormingswerk is nog maar een geringe loot aan de „onderwijsstam". Toch heeft dit werk en de zorg voor werkende jongeren een lange voorgeschiedenis.

KINDERWETJE
Het begon reeds (of pas) in de negentiende eeuw, In 1813 werd bij keizerlijk decreet ondergrondse arbeid voor kinderen beneden 10 jaar (!) verboden. In 1874 werd na veel strubbelingen het zogenaamde kinderwetje van Van Houten aangenomen. Dit betekende dat kinderen beneden de leeftijd van 12 jaar niet in vaste dienst mochten worden aangenomen. Wegens onvoldoende toezicht kwam van de naleving van deze wet niet veel terecht.
De eerste arbeidswet kwam in 1889 tot stand. Opnieuw komt hierin de zorg voor jeugdigen naar voren. Deze wet bevatte namelijk een artikel waarin de toegestane arbeidsduur voor jeugdige personen werd beperkt, In 1893 stelde een staatscommissie voor om aan de nog „jonge" wet de bepaling toe te voegen, dat het voor een persoon beneden 16 jaar verboden is arbeid te verrichten in een fabriek of werkplaats, tenzij elke week zes uur onderwijs werd gevolgd.

COMMISSIES
Reeds tachtig jaar geleden werd gespeeld met de gedachte een tijdelijke leerplicht in te voeren. Herhaaldelijk zijn er commissies ingesteld om zich te bezinnen over het lot van de werkende jongere. Toch duurde het tot 1919 voordat het recht op een hele dag vorming of onderwijs wettelijk werd vastgelegd. Ook van dit leerrecht is maar weinig, terecht gekomen. Het duurde tot na de tweede wereldoorlog voor er beweging kwam in de opleiding en vorming van werkende jongeren.
Sinds 1947 kennen we de vormingsinstituten voor meisjes, de zogenaamde „Mater Amabilisscholen" en „Zonnebloeminstituten". De eerste waren van Roomse oorsprong, de Zonnebloeminstituten van Protestants-Christelijke.

In 1954 ging het vormingswerk voor werkende jongeren van start. Het uitgangspunt was een begeleiding tijdens de overgang van de beschermende schoolsfeer naar het bedrijfsmilieu. Het vormingswerk is eigenlijk in stilte gegroeid. Naast dit ontwikkelingswerk is in de vooroorlogse jaren een andere onderwijsvorm gegroeid: het zogenaamde leerlingwezen. Hierover later meer.

DEMONSTRATIE
In het begin van dit artikel werd de vraag opgeworpen, hoe komt de werkende jongere zo plotseling in de belangstelling? Een van de oorzaken moet worden gezocht in een grote demonstratie van werkende jongeren op 1 november 1969; meer dan 10.000 jongeren trokken naar Den Haag om aandacht te trekken voor meer opleiding en vorming. Het probleem van de werkende jongeren werd zodoende onder de aandacht van de politici gebracht.
Daarnaast kwam er tegelijkertijd een rapport gereed van de commissie vorming en onderwijs leerplichtvrije-jeugd, beter bekend als de commissie Lievegoed. Het zou te ver voeren om in het kader van dit artikel op het rapport in te gaan. We zullen dan ook volstaan met het aangeven van enkele belangrijke feiten met betrekking tot de leerplicht.
Op 1 augustus 1971 werd de leerplicht verlengd tot 9 jaar volledig dagonderwijs. Aansluitend op de volledige leerplicht werd de partiële (gedeeltelijke) leerplicht ingevoerd.
Dit betekent dat alle in Nederland woonachtige jongeren, die in het tiende of elfde jaar geen volledig dagonderwijs meer volgen, een of twee dagen opleiding of vorming dienen te ontvangen. Voor het partiële onderwijs zijn er drie mogelijkheden:
• cursussen aan een vormingsinstituut;
• opleiding in het kader van het leerlingwezen;
• avondopleiding aan instituten die daartoe door de minister zijn aangewezen.

VERKEERDE GEEST
Hiermee verloor het vormingswerk het vrijblijvende karakter waardoor het vroeger werd gekenmerkt. Het kwam zover, dat een aantal jongens en meisjes op een instituut - waar een geest heerste die niet in overeenstemming was met de levensovertuiging - belandden. Gelukkig is er - ook in de Gereformeerde gezindte - een behoefte ontstaan, die in tal van plaatsen leidde tot de oprichting van Protestants-Christelijke vormingsinstituten. Zo ook het vormingsinstituut De Poort te Ridderkerk. De grondslag van de stichting waarvan dit instituut uitgaat, is Gods Woord, zoals Dit wordt beleden in de drie Formulieren van Enigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 11 April 1975

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

De voorgeschiedenis van 't vormingswerk

Bekijk de hele uitgave van Friday 11 April 1975

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken