Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Moet het ambt van ouderling op de helling ?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Moet het ambt van ouderling op de helling ?

19 minuten leestijd

Moet het ambt van ouderling op de helling? Tot deze conclusie schijnt de schrijver van een studie over de oorsprong en ontwikkeling van het ambt van ouderling en de functie daarvan in de Gereformeerde Kerk der Nederlanden in de 16e en 17e eeuw, dr. A. van Ginkel, te komen. Zijn proefschrift werd verdedigd aan de Rijksuniversiteit te Utrecht en verscheen in druk bij Uitgever Ton Bolland te Amsterdam.

Dr. Van Ginkel verstrekte een perscommuniqué en was bereid vragen van de pers over zijn dissertatie te beantwoorden. Op 28 januari had dit persgesprek plaats en daarna werd een telexbericht doorgegeven aan de pers in Nederland onder de bovenstaande titel: Het ambt van ouderling moet op de helling-.

Mij dunkt dat we deze presentatie van dit proefschrift op z'n minst moeten betreuren. Op zo'n manier trekt men wel de aandacht voor een dissertatie. Maar de zaak die in het proefschrift verdedigd wordt, is veel te belangrijk. Zij had op deze manier niet aangeboden moeten worden.

Nu kan niemand ontkennen, dat Dr. Van Ginkel tot deze vérstrekkende conclusie aanleiding heeft gegeven. De laatste achttien bladzijden van zijn wetenschappelijke verhandeling geven inderdaad reden tot de conclusie, dat hij een voorstander is van een radicale wijziging van de ambten in de gemeente van Christus en met name van het ouderlingenambt.

LAATSTE HOOFDSTUK

Onder de titel: Slotbeschouwing geeft dr. Van Ginkel zijn gedachten ten beste over de vraag hoe men de les van de geschiedenis moet leren. Ten grondslag aan het ouderlingenambt ligt een functioneel denken. Niet een functioneel denken dat alleen maar bepaald is door en zoeken naar een zo efficiënt en voordelig mogelijke organisatie, „maar een denken dat uitgaat van de functie, die krachtens goddelijke opdracht uitgevoerd moet worden." Deze opdracht ligt op het terrein van de leiding van heel de gemeente, die volbracht kan worden door de instelling van het „lekenambt", dat het ouderlingschap ten slotte is.

Calvijn heeft bij de ontwikkeling van deze gedachte een grote rol gespeeld'. Op voetspoor van wat anderen vóór hem dachten (Oecolampadius en Bucer dienen hier met name genoemd te worden), heeft hij de ouderling aan de gemeente teruggegeven. Daarbij is een merkwaardige verschuiving ten aanzien van het Nieuwe Testament opgetreden: heeft de ouderling in het Nieuwe Testament naar de gedachte van dr. Van Ginkel ook de zorg voor de bediening van Woord en sacrament, bij Calvijn wordt zijn taak min of meer beperkt tot het opzicht houden over de gemeente met (alleen in theorie) daarnaast de regering van de gemeente.

De volgende aspecten treden daarbij op de voorgrond: het ouderlingenambt dient om een nieuwe heerschappijvoering van de predikanten over de gemeente te voorkomen. Het is als zodanig een hulpdienst voor de dienaren des Woords terwijl het tevens dient om het toezicht op hen te oefenen. Bij dit alles werd de mogelijkheid geschapen om het recht der gemeente, om zelf de sleutelmacht uit te oefenen, inderdaad te realiseren. Zo werd het ouderlingenambt een hulpambt, dat steeds samen met het predikambt functioneert. Het is niet ingesteld krachtens rechtstreekse goddelijk opdracht, maar dient om een gemeentefunctie tot uitdrukking te brengen.

De praktijk in de gemeenten stelt in de 16e en 17e eeuw teleur. Dit is te wijten aan de volgende oorzaken: de ouderling mist de bediening van Woord en sacrament, en ook de deskundigheid en geleerdheid van een dienaar des Woords. Daarbij kwam het feit dat de ouderling op gezette tijden zijn ambt weer moest verlaten; zijn ambt was getermineerd en bovendien was het niet gesalarieerd. Daarom hebben de mensen die voor dit ambt geroepen werden, hun werk slechts zeer ten dele kunnen vervullen. Dr. Van Ginkel spreekt als zijn oordeel uit dat er sprake is van een opzettelijke of bewuste bedoeling om het ambt in verval te doen geraken van de kant van de predikanten, omdat zij ontwikkelde mensen weerden uit dit ambt.

STRUCTUURVERANDERING

Met het oog op dit alles kon de ouderling ook niet voldoen aan de verwachtingen die omtrent zijn ambt gevoed werden. Daarom is het beter dit patroon van verwachtingen te veranderen en een structuurverandering aan te orengen: aan de onderwaardering van het ouderlingenambt moet een einde komen. Verder moet een vorm gevonden worden die aansluit bij de huidige democratiseringstendenzen in onze maatschappij. Er moet een beweging op gang gebracht worden in een richting waarin de maatschappij en ook de kerk van onze dagen zich verplaatsten. Datgene wat praktisch nodig is, moet gewicht in de schaal leggen.

Daarom moet men beginnen met het onderscheid op te heffen, dat bestaat tussen het ouderlingen-ambt en dat van dienaar des Woords. Daardoor zal er een einde komen aan de 'dominocratie', die de kerk nog nooit tot heil is geweest, maar die zeker niet meer past bij onze tijd. Men dient vast te stellen dat het ambt van de predikant precies hetzelfde is als dat van de oudste. Daardoor zal de dienaar des Woords als een gelijke staan tussen de ouderlingen.

Gevolg daarvan is, dat de ouderling wordt opgeheven tot een hoger niveau. Hij ontvangt een groter ambtelijk gezag, hierin tot uitdrukking komend dat hij het recht krijgt tot de dienst van het Woord en van de sacramenten. Dit laatste zou vooral gerealiseerd kunnen worden in kleine gemeenten en ook binnen het kader van huisgemeenten. Er is immers - zo stelt dr. Van Ginkel - een steeds grotere behoefte aan samenkomsten in kleine kringen, omdat een aantal gemeenteleden zich niet meer gemakkelijk laat samenbrengen in gewone kerkdiensten met een groot aantal bezoekers.

Door middel van een samenwerkend team van dienaren en ouderlingen zou dan het pastorale werk temidden van de samenleving waarin wij staan doeltreffender verricht kunnen worden. Zo zullen er nieuwe structuren tot stand komen die meer aansluiten bij de democratiseringstendenzen van onze huidige maatschappij.

De verkiezing van ouderlingen kan dan plaats vinden uit de huisgemeenten, uit de kringen van het vormingswerk, en de werkgroepen die in de gemeente werkzaam zijn. Er zal een sterkere specialisatie optreden, waardoor de krachten binnen het vormingswerk nu ambtelijk kunnen gaan functioneren. De terminering voor het werk wordt ook terzijde gesteld en wanneer ook de honorering van de ouderlingen tot de mogelijkheden gaat behoren, kan het werk waarvoor de ouderlingen zich hebben bekwaamd beter tot zijn recht komen.

Weliswaar zal daardoor de taak van de dienaar des Woords meer die worden van een manager voor kerkelijke zaken, maar dit zal men reëel moeten aanvaarden. Een verdere doorwerking van deze gedachten zal van grote betekenis blijken te zijn voor de ambtelijke vergaderingen van de kerk: het gehele niveau van de regering van de kerk zal daardoor aanzienlijk verlaagd worden. Maar dit behoort geheel bij de eis van de tijd en bij de structurele verandering van de samenleving. „Deze beweegt zich in de richting van verdere democratisering, of zo men wil nivellering."

Zeer bewust sluit Van Ginkel zich daarbij aan. Hij acht het zelfs min of meer een teken van zwakte, dat men indertijd in Frankrijk de democratische ideeën van Morély niet aandurfde. Een oplossing van talrijke problemen kan vandaag slechts gezocht worden in een verdergaande nivellering van de kerkelijke structuur, zodat de gemeente waarlijk subject wordt van haar activiteit en regering.

Het is geen wonder, dat in de pers deze gedachten konden worden samengevat onder de opzienbarende zin: Het ambt van ouderling moet op de helling.

BETREURENSWAARDIG

Nu lijkt het me een betreurenswaardige gang van zaken, dat 't proefschrift van dr. Van Ginkel geheel wordt beoordeeld naar zijn laatste hoofdstuk, dat veel beter achterwege gelaten had kunnen blijven. Ik kan niet aannemen dat dat de manier is om de geschiedenis van het ouderlingenambt voor vandaag te actualiseren. En het gevaar is groot, dat velen met het laatste hoofdstuk aan de haal gaan in de gedachte dat het een legitieme interpretatie zou zijn van de oergegevens van de gereformeerde gedachten omtrent het presbyteraat der kerk. Anderzijds zullen sommigen nu de grote verdiensten, die in het belangrijkste gedeelte van het proefschrift aan de dag treden, terwille van een mistekening aan het einde, over het hoofd zien. En dat zou jammer zijn.

De studie van dr. Van Ginkel bevat immers heel veel materiaal, dat op een overzichtelijke manier wordt gepresenteerd. Wat mij betreft had ook het eerste hoofdstuk in een afzonderlijke studie ondergebracht mogen worden. Daarin schetst dr. Van Ginkel in enkele hoofdlijnen de ontwikkeling van het ouderlingenambt in het Nieuwe Testament. Het is een uitermate ingewikkelde materie.

Het blijft een vraag of de lijnen in het Nieuwe Testament en in de Oude Kerk inderdaad zo lopen, zoals ze hier getekend worden. Staat het inderdaad vast, dat Paulus de organisatie van de synagoge niet heeft willen overnemen, omdat deze voor hem al te zeer verbonden was met het Joodse wetticisme? Kan men inderdaad stellen, dat Paulus zich ondanks dit toch heeft aangepast? En is er inderdaad reden om te twijfelen aan de historische betrouwbaarheid van de mededeling van Lucas, dat Paulus in de gemeente van Galatië ouderlingen aanstelde? Welke reden is dit dan? Wat wordt bedoeld met een democratisch element, dat in de gemeente van Jeruzalem aanwezig was? Wat suggereren we, wanneer we een zo modern geladen begrip als „democratisering" gaan toepassen op het Nieuwe Testament? Waarin bestond de vrije democratische orde in de Paulinische gemeenten?

In feite blijven we met deze vragen zitten na de lezing van het eerste hoofdstuk. Het lijkt me in geen enkel opzicht wonderlijk, omdat de gegevens in het Nieuwe Testament voor ons moeilijk zo te interpreteren zijn, dat we een duidelijk beeld ontvangen. Bucer meende reeds dat het een open vraag is, of wij dit beeld inderdaad kunnen verkrijgen, omdat wij bij dezelfde woorden niet altijd hetzelfde denken.

REFORMATIE

Ook zonder afbreuk te doen aan het eigenlijke onderwerp, had dit eerste hoofdstuk weggelaten kunnen worden. Het was de schrijver immers te doen om de oorsprong en ontwikkeling van 't ouderlingenambt in de Gereformeerde Kerk hier te lande. En daarin heeft hij inderdaad gelijk, dat dit ambt in zijn huidige vorm in wezen te herleiden is tot gedachten die in het Gereformeerde protestantisme met name door Oecolampadius, Bucer en Calvijn zijn geformuleerd.

Bij Luther heeft men de gereformeerde ouderling niet te zoeken. In hoeverre Brenz, een Zuidduitse reformator niet reeds eerder dan Oecolampadius en Bucer gedacht heeft aan het ambt van oudste in de gemeente, staat nog te bezien. Overigens zal men voor de oorsprongen van het ambt bij Bucer en Calvijn moeten zijn.

Uitvoerig wordt de gang van zaken geschetst. Zwingli en Bullinger, zijn opvolgers, waren in hun denken zo zeer verbonden aan de opvatting dat de overheid de tucht had te verzorgen, dat zij aan een afzonderlijke ontwikkeling van een kerkelijk ambt met betrekking tot de tucht niet hebben gedacht.

Bij Oecolampadius is dit anders. De grote reformator van Bazel heeft in een bekende rede voor de magistraat van zijn stad het instellen afzonderlijke kerkelijke functionarissen bepleit, die vooral met het oog op het hanteren van de kerkelijke tucht als een levensfunctie van de kerk, niet beschouwd dienden te worden als magistraatsbeambten, maar a's kerkelijke ambtsdragers, met een kerkelijke macht bekleed, en naar het voorbeeld van het Nieuwe Testament als volwaardig kerkelijke functionarissen beschouwd.

Nog veel sterker dan Oecolampadius is Bucer de voorvechter geworden van deze gedachte. In tal van geschriften heeft hij daarop gewezen. Opmerkelijk daarbij is, dat deze ontwikkeling zich grotendeels afspeelt in de kontekst van een door de dopersen gestelde legitieme vraag aan de reformatorische gemeenten: de vraag naar de betekenis van de kerkelijke tucht. Het zijn voornamelijk Bucers gedachten die via Calvijn en zijn geweldige invloed, opgang hebben gemaakt binnen het gereformeerde protestantisme.

STRAATSBURG

Calvijn was zelfs in de gelegenheid om Bucers gedachten in Straatsburg zelf te verwezenlijken in de Franse vluchtelingengemeente, die hij diende van 1538-1541. Bucer kon zelf in de grote Duitse gemeente niet zo ver gaan als Calvün, gebonden als hij was aan de bepalingen van de magistraat, die weliswaar de reformatie voorstond, maar tegelijk op beslissende punten de diepere doorwerking van de reformatie in de gemeenten, zij het wellicht onbewust, afremde.

Calvijn daarentegen had de handen vrij. Het staat vrijwel vast dat hij zelf in zijn gemeente een aantal ouderlingen en diakenen naast zich had. Ik meen dat dr. Van Ginkel zich vergist, als hij dit ontkent (blz. 117). Bucers idealen kwamen in de Franse vluchtelingengemeente van Straatsburg tot uitdrukking.

Beiden stemden ook overeen in hun onderscheiding tussen de „leer"- en „regeer"-ouderling. Beiden waren overtuigd in hun appel te dezer zake de Schrift aan hun zijde te hebben. Er schuilt achter hun opvattingen een theologische visie op de structuur van de kerk en op het ambt van de kerk, waardoor zij beiden geïnspireerd werden.

Terecht schetst dr. Van Ginkel de lijn die via de Londense vluchtelingengemeente en dank zij het werk van A Lasco, loopt naar de kerken in ons vaderland. Het is de verdienste van dit proefschrift, dat deze lijn duidelijk wordt getekend.

Bijzonder waardevol is ook het materiaal dat in hoofdstuk vier wordt geboden. Interessante gegevens komen hier op tafel omtrent de vergadering van de kerkeraad, de afvaardiging naar de meerdere vergaderingen, de taakomschrijving voor de ouderling, verkiezing en bevestiging, ambtstermijn, verhouding tot de predikanten, honorering en dergelijke zaken meer.

Het vijfde hoofdstuk geeft een overzicht van wat bij Voetius, Koelman en Renesse over de ouderling te vinden is . In dit alles schuilt de waarde van deze dissertatie, zij zal door niemand, die zich wil verdiepen in de belangwekkende geschiedenis van dit kerkelijk ambt ongelezen kunnen worden gelaten.

Maar wettigt dit alles nu ook de verregaande conclusie waartoe dr. Van Ginkel . komt? Op enkele detailpunten waarop iets af te dingen zou zijn, ga ik nu niet in. Slechts één ding wil ik hier noemen, omdat het niet juist is: Bucer haatte de dopers! (blz. 88). Dit is beslist niet waar.

Onbegrijpelijk ook, dat juist in dit zelfde verband de grote aantrekkingskracht die Straatsburg uitoefende op de dopers wordt verklaard uit Bucers nadruk op het werk van de Heilige Geest. Veeleer moet deze toevloed van dopers naar Straatsburg verklaard worden uit de liberaliteit waarmee men aldaar stond tegenover irregulair christendom. Andere punten moeten hier blijven rusten.

SCHRIFTBEROEP

Op de twee volgende kwesties dient m.i. wél gewezen te worden: wat was de waarde van het beroep op de Schrift, naar de bedoeling van de reformatoren? De tweede vraag is die naar het theologisch gehalte van het ouderlingenambt.

De eerste kwestie, die van het Schriftberoep dus, komt aan de orde bij Zwingli en Oecolampadius. De laatste beriep zich op het presbyteraat zoals hij dit vond in het Nieuwe Testament. Ook Zwingli sprak op gelijke wijze. Maar kan men in verband daarmee concluderend spreken: „Bij beiden is dus sprake van een projecteren van de eigen situatie in die van de Bijbel om aldus aanspraak te maken op goddelijk gezag voor de orde die zij hadden ontworpen"?

Op dit thema borduurt Van Ginkel voort en het komt steeds scherper voor ons te staan. Bij Calvijn heet het: „Het ouderliligenambt, zoals het in Geneve is gerealiseerd en doordacht, waarna het vele kerken tot voorbeeld heeft gediend, is niet tot stand gekomen, omdat men het als een gebod van God zag om het in te stellen" (blz. 144). En op dezelfde bladzijde lezen we dan: „Men kan zeggen, dat de bijbelse fundering van dit ambt op misleiding berust. Maar men moet dan niet vergeten, dat de voortdurende poging om het ouderlingenambt in overeenstemming te brengen met 't presbyterambt van de kerk der eerste eeuwen, dit ambt wel mede gevormd heeft."

Het is mede bepaald door de situatie. „Dat is alleen maar te prijzen. Kerkrecht moet situationeel zijn." Gezien dit alles is er geen reden om het te verabsoluteren. Er is een mogelijkheid gelaten om de structuren, waarin deze functie vervuld moet worden, aan te passen aan de eisen van de tijd, maar zo dat ze optimaal dienstbaar zijn aan de uit te oefenen functies en niet belemmerend werken.

Hetzelfde vernemen we wanneer het gaat om de pogingen van Voetius om het ouderlingenambt als een zaak van goddelijk recht te verdedigen. Nog duidelijker blijkt bij hem dat het niet mogelijk is om het schriftuurlijk karakter van dit ambt te tonen.

ACHTERAF

In deze tekening schuilt de problematiek van de studie van Van Ginkel. Is het inderdaad waar, dat het ouderlingenambt dus niet is ingesteld „vanwege gevoelde schriftuurlijke noodzaak", maar dat het eerst in de praktijk ontleend werd aan bestaande structuren, die in het maatschappelijke leven voorhanden waren, en dat het achteraf bekleed werd met een gezag, dat gedekt moest worden met een beroep op de Schrift?

Wanneer ik me beperk tot Bucer lukt deze gedachte op z'n minst veel te ongenuanceerd. Zijn geschrift over de ware zielzorg, waarin op fundamentele manier over het presbyteraat wordt gesproken, beoogft niet anders te zijn dan toegepaste Schriftverklaring. Trouwens in al zijn geschriften gaat het om de uitwerking van gedachten, die hij in de Schrift vond. Heel zijn strijd is geweest een worsteling met een op dit punt vrij onhandelbare magistraat, zodat men zelfs voor een deel de tragiek van zijn laatste levensjaren kan herleiden tot déze kwestie: Hij meende niet anders te kunnen spreken over de tucht, en over de ambten in verband daarmee, omdat Gods Woord hem dit gebood. Bij Calvijn ligt het niet anders.

Dit betekent niet dat de reformatoren biblicisten waren, die een blauwdruk voor de organisatie van de gemeente uit de bijbel vlotweg aflazen. Maar het wil wel zeggen dat zij meenden sterk te staan in hun pleiten voor dit ambt in zijn noodzakelijkheid en in zijn eigensoortigheid. Geen biblicisme dus. Maar evenmin een geruisloze aansluiting aan de maatschappelijke vormen van hun dagen. Toen de magistraat in Straatsburg weigerde om de „kirchenpfleger" aan de ouderling zelf een plaats gegeven binnen die gemeenschap, omdat het voor hem een eis van het Woord van God was, dat de kerk haar eigen structuur bezat.

Steeds sterker is als een theologisch motief naar voren gekomen, dat die structuur niet bepaald wordt door wat op een gegeven moment voorhanden is in de samenleving, maar door wat God in zijn Woord zegt. Waarbij dat Woord niet functioneert gelijk dit bij de dopersen wel het geval was, als een tekstboek voor het opzetten van een kerkelijke organisatie, maar als het levende Woord van God. dat zijn eigen kerkelijke structuren schept. Daarbij bleek dat er van een aanpassing aan een „democratieringstendens" van de tijd geen sprake was. Juist déze vorm van kerkelijke structuur wekte een sterk verzet bij hen, die niet wilden dat inderdaad héél het leven onder de tucht van Gods Woord zou komen.

Ten diepste ging het daarbij om de gezagsvraag, d.w.z. om de aard en het wezen van de sleutelmacht van de kerk. De kwestie van het binden en ontbinden, van het vergeven der zonden en van het aanzeggen van de schuld is daarbij wel primair. Dit raakt het theologisch gehalte van het ouderlingenambt. Terecht merkt dr. Van Ginkel op, dat de vragen naar de structuur van de presbyteriale kerkorde, stoelen op een bepaalde ambtsleer en deze weer op een bepaalde ecclesiologie (blz. 300).

Deze relatie wordt echter in het hoofddeel van de dissertatie niet duidelijk. Welke ambtsleer en welke ecclesiologie gaat er schuil achter de opvattingen van de reformatoren, achter de praktijk der gereformeerde vaderen en achter de uiteenzettingen van Voetius, Koelman en Renesse? En welke implicaties heeft het voor de kerk in al haar functies, wanneer men hier, op dit vlak van theologische visie, gaat spreken over verlaging van het niveau, nivellering en democratisering, van aanpassing aan de tijd, waartoe we wel gedwongen zouden worden, gezien de grote veranderingen in de maatschappij van onze dagen?

Is inderdaad de visie van Noordmans en Van Ruler van die aard dat we er theologisch zó veel op moeten afdingen, dat het een open vraag is, wat we over houeden? En is bet visioen, dat Van Ruler zag rondom de ouderling, 'n visioen van het rijk van God op aarde, zo mythisch en irreëel? Als men het loslaat, wat laat men dan los met betrekking tot de tucht en de heiliging, met betrekking tot de troost van de vergeving der zonden? En is het gevaar niet veel groter, dat dan eerst goed de resultaten uiterst mager zullen zijn omdat slechts een administratieve functie overblijft? Waar blijft de volmacht, de potestas en de auctoritas van het ouderlingenambt, wanneer het zijn wezenlijke vormgeving moet ontvangen vanuit het democratiseringsstreven van vandaag?

THEOLOGISCH GEHALTE

Dit alles raakt de vraag naar het theologisch gehalte van het ouderlingenambt. Anders gezegd: het raakt de visie op de plaats en betekenis van dit ambt binnen het geheel van de ambtsleer, de kerkleer, dat is ten diepste de leer van de Heilige Geest. De Heilige Geest is vrij. En waar Hij is, daar heerst de vrijheid. Dat geeft een onnoemelijke ruimte aan zijn werk. Maar die onnoemelijke ruimte is er binnen de structuren, die Hij poneert, en waarvan wij op z'n minst in het Nieuwe Testament een neerslag vinden.

De Reformatie heeft daarvan iets gezien. En daarom functioneert het kerkrecht bij de reformatoren niet alleen maar situationeel, zodat het zou zijn af te lezen uit het recht dat op een bepaald moment in de geschiedenis opgeld doet. Neen, het kerkrecht is 't recht der genade, dat zich binnen de structuren van de Geest voldoende ruimte schept om in de situatie te functioneren, maar tegelijk gelijk ónze situaties te doorbreken, te genezen en te heiligen. In die zin hebben de reformatoren niet geaarzeld om te spreken over een goddelijk recht in de gemeente, dat zeer nauw verbonden is met de rechtvaardiging en de toegerekende gerechtigheid krachtens de vrijspraak in het Evangelie.

Ten diepste zijn het déze zaken die op het spel staan in de vraag naar de structuur van de kerk. Het is een theologie die hier aan het woord moet komen. Ondanks het vele goede dat uit historisch gezichtspunt hier geboden wordt door dr. Van Ginkel menen wij in dit opzicht - in theologisch opzicht dus een nivellering te moeten constateren, die ruimte kón geven aan de „niveauverlaging" waarvan in het laatste hoofdstuk sprake was. Het blijft een vraag, of dit laatste hoofdstuk zó geschreven had kunnen worden, wanneer de eerdere onderdelen van de dissertatie theologisch meer gevuld zouden zijn.

Al met al lijdt het geen twijfel of het boek zal in de huidige ambtsproblematiek een woord meespreken. Wanneer het ons werkelijk aan het denken zet over het hoe en waarom van een waarlijk nog niet vergeten ambt in de kerk, kunnen we de schrijver daarvoor hartelijk dankbaar zijn.

N.a.v. „De ouderling", proefschrift van dr. A. van Ginkel, Uitgave Ton Bolland/Amsterdam, 1975, 332 blz., prijs ƒ 35,—.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1975

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Moet het ambt van ouderling op de helling ?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1975

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken