Bekijk het origineel

Acht maanden geëist in zaak metro-aanleg

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Acht maanden geëist in zaak metro-aanleg

Journalist Max L. voor rechter

5 minuten leestijd

AMSTERDAM — Tegen de 56-jarige Amsterdamse koopman Max L., die als derde verdachte in de zaak van de verijdelde metro-aanslag in februari 1975 maandag terecht stond, heeft de officier van justitie bij de rechtbank in de hoofdstad acht maanden gevangenisstraf waarvan drie voorwaardelijk en aftrek van voorarrest (twee en een halve maand) geëist. De officier, mr. H. E. van Renesse, vorderde deze straf terzake van mislukte uitlokking van het teweeg brengen van een ontploffing, waarvan gevaar voor de goederen te duchten was.

Max L. ontkende de uitlokking van deze verijdelde bomaanslag op een in aanbouw zijnd metrostation in de Bijlmermeer in de nacht van 13 op 14 februari. De 42-jarige T.V.-reparateur J. B. en de 28-jarige elektromonteur R. J. H. de L., die dit met een bom van zeseneenhalf kilo gelatinedynamiet van plan waren geweest, maar in die nacht werden gearresteerd, zijn inmiddels ieder door de rechtbank veroordeeld tot tien maanden waarvan vier voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest.

Verdachte L. kreeg het reeds bij het begin der zitting aan de stok met de rechtbankpresident, mr. J. P. Janssen, toen hij de als getuige door de officier opgeroepen vrouw van de TV-reparateur vragen stelde.

Conflict

„Maakt u het kort anders schei ik er meer uit", zei een duidelijk geïrriteerde president. „Ik ben zakelijk", merkte verdachte op. President: „Toemaar vlug maar". Daarop reageerde L. met: ,,Anders vraag ik voorlezing van alle stukken". Dit deed officier van Renesse opveren met de vraag: „Is u nu doende de rechtbank te bedreigen?".

President Janssen zei „we kunnen beperkt vragen toestaan, niet alle". Verdachte reageerde daarop „ik stel alleen vragen die ik van belang acht". President: ,,Als wij dat niet vinden. De orde der zitting staat niet toe dat eindeloos vragen worden gesteld". De raadsman van L., mr. F. C. Staehle, nam op verzoek van de president het stellen van vragen aan de getuigen over. Toen L. zich ermee mengde reageerde de president scherp met: ,,U bent niet aan het woord, u gaat eruit als u zo doorgaat".

Toen aan het slot der zitting L. het laatste woord kreeg dat twee a twee en een half uur zou duren, vroeg de president de tekst ervan aan de rechtbank over te leggen en hij gaf hem een kwartier de tijd voor een korte mondelinge samenvatting ervan. Verdachte die dit niet accepteerde (wel legde hij zijn tekst aan de rechtbank over) zei dat dit een beperking was die de wet niet toelaat. „Dat kunt u mij niet aandoen", aldus L. die wel op deze gang van zaken bleek te zijn voorbereid.

Publiciteit

Zijn advocaat die zich mengde in de' felle discussie tussen zijn cliënt en de president merkte op dat tijdens de voorlopige hechtenis van L. een „lawine van negatieve publiciteit over hem is verschenen". Nu kan hij eindelijk alle dingen die tegen hem zijn aangevoerd weerleggen. Het is zijn goed recht het laatste woord te hebben, aldus mr. Staehle.

Ondanks het protest van Max L. bleef het een kwartier. „De tijd gaat nu in", zei de president. Verdachte maakte onder meer bezwaar tegen het proces-verbaal van de vorige zitting. ,,0p 26 april werd een begin met de behandeling van zijn zaak gemaakt waarin volgens hem ,,geknoeid" was. De-president zijn exemplaar doorbladerend zei ,,ik zie hierin geen enkele onrechtmatigheid". Voorts had hij er bezwaar tegen dat mr. Janssen, die voorzitter van de raadkamer was, die L's gevangenhouding tweemaal voor 30 dagen beval, nu de strafkamer presideerde. L. zei dat hij het gewaardeerd zou hebben als mr. Janssen zich als president van de strafkamer zou hebben teruggetrokken. ,,U bent niet objectief naar mijn mening", aldus verdachte. De rechtbank-president zei dat hij als bezwaar had tegen de gang van zaken zich hierover tot de president van de rechtbank moest wenden.

,,Wat heeft u mij gevraagd, tot nu toe niets. Ik zou bijna zeggen dat u bang bent dat mijn onschuld aan het licht komt", aldus L.

Toen het kwartier verstreken was dicteerde verdachte, ter opneming in het proces-verbaal van de zitting aan de griffier zijn bezwaar tegen de gang van zaken en voorts dat hem met laatste woord „slechts in dermate beperkt tijdsbestek was gegeven dat het houden hiervan hem in feite onmogelijk was gemaakt". Uitspraak 14 juni.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1976

Reformatorisch Dagblad | 10 Pagina's

Acht maanden geëist in zaak metro-aanleg

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1976

Reformatorisch Dagblad | 10 Pagina's

PDF Bekijken