Bekijk het origineel

Medisch-ethische kanttekeningen bij het vraagstuk van de inenting

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Medisch-ethische kanttekeningen bij het vraagstuk van de inenting

12 minuten leestijd

 De ontwikkellngren in de medische wetenschap hebben in deze eeuw en met name na de tweede wereldoorlog: een zeer grote vlucht g-enomen. Vele ontdekking-en werden g:edaan, bijvoorbeeld die van de verschillende bloedgroepen door Landsteiner in 1900, waardoor het mogelijk werd bloed te transfunderen van de ene mens in de andere mens.

Daarnaast de komst van de antibiotica, waardoor bijvoorbeeld de longontsteking nu niet veel meer is dan een flinke griep. Dit in tegenstelling tot vroeger, toen men gespannen moest afwachten tot de tiende dag, de z.g. crisisdag, of de ziekte zou verergeren of dat er een verbetering op zou treden. Ook de operatietechnieken hebben een verreikende ontwikkeling doorgemaakt. Een blindedarmontsteking was vroeger een vrijwel steeds dodelijk verlopende ziekte. Tegenwoordig is door middel van 'n operatie de zieke meestal weer spoedig hersteld. Hersen- en hartoperaties zijn nu mogelijk, zelfs de orgaantransplantaties zijn binnen handbereik gekomen.

Tot de medische ontwikkelingen van deze eeuw behoren ook de meeste inentingen, weliswaar niet zo spectaculair als de orgaantransplantaties, maar toch wel erg belangrijk in het kader van de gezondheidszorg.

De vraag is nu: kunnen al deze ontwikkelingen onverdeeld gunstig worden gewaardeerd? Roept de „medische macht" niet om een nieuwe doordenking van de „medische ethiek"? Mag alles wat kan? Dat is ook de grote vraag t.a.v. abortus, euthanasie, eugenetiek enz. Binnen de gereformeerde gezindte is er al heel wat discussie geweest over het vóór en tegen van de inenting, al schijnt deze de laatste tijd wat geluwd te zijn. Voordat hier een bescheiden bijdrage aan die discussie geleverd wordt, eerst iets over de wijze waarop „inenting" ontdekt werd.

Iets over de geschiedenis

Een aloud volksgeloof wist dat mensen — met name de melkers en melksters — die wel eens koepokken hadden gehad, geen pokken meer kregen. Jenner bestudeerde dit verschijnsel en na 15 jaar zorgvuldig waarnemen, bracht hij in 1796 wat vocht uit de koepokblaasjes van een melkster over op een 8-jarige jongen door dit vocht in enige huidkrasjes in te wrijven. Op die plaats ontstonden toen enkele blaasjes, verder bleef de knaap gezond. Toen de jongen enige tijd later met echte pokken werd' besmet, werd hij niet ziek. Een lichte injectie met koepokken beschermde tegen echte pokken. Verklaarbaar was dit alles in die tijd nog niet. Pas later bleek koepokken een verwante ziekte van de echte pokken te zijn, maar dan goedaardig van karakter.

In de loop van de tijd werden er nog vele andere entstoffen ontdekt, zodat er nu tegen heel wat infectieziekten entstoffen bestaan. In ons land hebben vooral bekendheid gekregen de inentingen tegen difterie, kinkhoest, tetanus, poliomyelitis (kinderverlamming), ook afgekort als dktp, tegen de pokken, sinds enige tijd ook de mazelen, 'en voor jonge meisjes de rodehondinentingen en de inentingen tegen de griep.

Wat gebeurt er precies?

Fundamenteel voor iedere gedachtenwisseling is: weten waar we het over hebben. Nu weten wij allen wel, dat er bepaalde ziekten zijn, de zgn. kinderziekten, die we doorgaans één keer in ons leven krijgen. Waarom krijgen we deze ziekten slechts één keer?

Dat komt doordat wij, toen we aan die ziekte leden, antistoffen gingen maken die ons vervolgens gedurende de rest van ons leven beschermen tegen het nog eens krijgen van deze zelfde ziekte. Wanneer we later weer met de ziekteverwekker van deze ziekte in contact komen, dan komen de reeds aanwezige antistoffen direct in actie, waardoor de ziekteverwekker wordt vernietigd en de persoon in kwestie voor het uitbreken van de ziekte wordt behoed. De antistoffen van de zgn. kinderziekten blijven gedurende de rest van ons leven in het bloed. Ze worden veelal kinderziekten genoemd omdat deze ziekten vooral op de kinderleeftijd voorkomen, als er dus nog geen antistoffen zijn.

Er zijn echter ook antistoffen, die slechts korte tijd in ons bloed blijven, zodat we dan na enige tijd weer aan dezelfde ziekte kunnen gaan lijden, denk bijv. aan de verkoudheid of griep;

In de praktijk blijkt 'nu, dat je niet speciaal èrg ziek moet zijn geweest om veel antistoffen te maken. Ook bij niet erg of zelfs nauwelijks ziek zijn, maak je veel antistoffen. Ja, je maakt dan zelfs evenveel antistoffen als zou je erg ziek zijn geweest.

Twee soorten inentingen

Er zijn twee soorten inentingen te onderscheiden: de passieve en de actieve immunisatie. Immuniseren wil zeggen: onvatbaar maken voor. Allereerst de passieve immunisatie. Men kan een beest ziek maken, waardoor dit beest antistoffen gaat maken. Deze antistoffen die in het bloed zitten worden hier dan uitgehaald en toegediend aan de mens die lijdende is aan een bepaalde ziekte, bijvoorbeeld difterie, tetanus. De antistoffen behoeven nu niet eerst bij de mens te worden aangemaakt, maar kunnen nu ze zijn toegediend direct hun werking doen. De toegediende antistoffen werken echter niet lang.

Vervolgens de actieve immunisatie: men kan echter ook de mens een verzwakte vorm of zelfs dode vorm van de ziekteverwekker toedienen, zodat de mens nu zelf de antistoffen gaat maken. Deze antistoffen blijven ook veel langer in het bloed. Let wel, er wordt een verzwakte of zelfs dode vorm van de ziekteverwekker toegediend. De mens wordt daardoor niet ziek, maar maakt wel antistoffen. We hebben al gezien, dat de mens in zo'n geval evenveel antistoffen maakt, als zou hij de ziekte zelve hebben gehad. Dit wordt actieve immunisatie genoemd, omdat de mens zélf de antistoffen maakt en niet het dier.

Bij de gebruikelijke inentingen (pokken, dktp, mazelen, rode hond en griep) zoals die in Nederland op jonge leeftijd en ook in de militaire dienst geschieden wordt gebruik gemaakt van de actieve immunisatie met als doel voorkomen van de ziekten, waartegen is ingeënt.

Bij vele lezers komt dan wellicht de volgende vraag reeds naar voren: „Maar een mens wordt dan toch maar kunstmatig ziek gemaakt?" Zoals reeds gezegd: de mens krijgt de verzwakte of zelfs dode vorm van de ziekteverwekker toegediend, zodat de mens niet ziek wordt, maar wel antistoffen gaat maken. We mogen namelijk pas van ziekte spreken als er zich symptomen van die ziekte voordoen. Wanneer iemand bepaalde ziekteverwekkers in zijn Uchaam heeft gekregen (in dit geval verzwakte of zelfs dode ziekteverwekkers), mag dat nog niet op één lijn gesteld worden met de ziekte zelf. Pas als er zich ziekteverschijnselen voordoen is iemand ziek. In de omgeving om ons heen bevinden zich vele ziekteverwekkers, waar we steeds mee in aanraking komen. We zeggen dan toch ook niet: „Ik lijd nu aan zoveel ziekten".

De gebruikelijke inentingen, zoals bijvoorbeeld de dktp, verlopen dan ook meestal symptoomloos, er treden geen verschijnselen op. Soms zijn kleine kinderen wel wat huilerig na zo'n injectie. Alleen bij de pokkeninenting ligt het iets anders. Een enkele keer zien we dan een hersenontsteking ontstaan. Voor zuigelingen is dit gevaar kleiner dan voor volwassenen. Voor vele mensen is dit dan ook een reden om niet tegen pokken in te enten, temeer daar de kans om pokken te krijgen in Europa vrijwel nihil is. Hier is inderdaad veel voor te zegeen.

Levenshouding

Ook erg belangrijk is deze vraag: „Betekent het gebruik maken van inenting niet een vooruitgrijpen op de leiding van God?" Van groot belang is welke houding we innemen, door welke gedachtengang we ons laten leiden. Wanneer iemand zich laat inenten met de gedachte: „Zo, nu krijg ik die en die ziekte tenminste niet", of „deze ziekte kan mij in ieder geval niet overkomen", dan zijn we op de verkeerde weg. We willen God een stap voor zijn en hebben Zijn Hulp niet meer nodig.

Maar zo zal niet ieder die van inenting gebruik maakt, denken. Hij kan ook vanuit het geloof''Gode dankbaar zijn voor de voortgang van de wetenschap. De wetenschap is een gave van God. De mens kan er de verkeerde kant mee opgaan, maar dat mag ons nooit verleiden tot een principiële verdachtmaking van de wetenschap als zodanig. Hebt u er wel eens bij stilgestaan welk een zegen het is dat er in de schepping wetmatigheden bestaan, waardoor de schepping toegankelijk is voor onderzoek.

Zo worden wij in staat gesteld de natuur te onderzoeken en erop in te grijpen. Zo is bekend, dat bijvoorbeeld het kinderverlammingsvirus zich ,een weg zoekt naar het ruggemerg en daar zenuwcellen vernietigt, zodat deze zenuwcellen nu geen impulsen meer, via de zenu'wen, naar de jpleren kunnen zenden, waardoor dus de verlammingsverschijnselen ontstaan. Het is nu eenmaal de aard van dit virus om zich zo te gedragen.

Defensie

In Psalm 8 vers 7 staat: „Gij doet hem (de mens) heerschen over de werken uwer handen. Gij hebt alles onder zijn voeten gezet". Uit deze tekst blijkt dus, dat wij ons niet door de natuur behoeveti te laten overheersen. Door de inenting nu worden er zoveel antistoffen gevormd, dat het kinderverlammingsvirus, zodra dit het lichaam wil binnendringen, door deze antistoffen wordt vernietigd. De antistoffen zijn te vergelijken met de defensie van een land. Een land zonder defensie staat weerloos tegenover de vijand. Een lichaam zonder antistoffen tegen ziekten is eveneens weerloos tegenover die ziekten.

In dit verband denk ik dan ook aan die mensen die tegen het inenten zijn, maar niet tegen de behandeling van de ziekte wanneer deze eenmaal is uitgebroken. Het punt van ingrijpen valt voor hen samen met het verschijnen van de eerste symptomen. Zou het nu werkelijk zo zijn, dat men eerst lijdelijk moet toezien tot de ziekte is uitgebroken en dat men dan vanaf dat moment ineens wel iets mag gaan doen? Ik dacht, dat we in de ontwikkeling van de wetenschap toch ook duidelijk Gods leiding mogen zien, dat ook de inenting mogelijk is geworden. Het gaat erom. dat wij ook met die inenting afhankelijk blijven, dat we in aihankelijkheid God vragen, of Hij deze middelen wil zegenen.

Vroeger moest er we) lijdelijk worden toegezien, er stond geen andere weg open. Nu wel! Is dat buiten Gori; voorzienig beKrabbendijke stel omgegaan? Als het zó maar gezien wordt, raken we mét de medische kennis God niet kwijt (wat overigens helaas maar al te veel gebeurt) maar blijven nauw aan Hem verbonden. Een christen mag in de wetenschappelijke ontwikkeling niet zonder meer de satan aan het werk zien. Daarmee geven we hem veel te veel eer, en de Heere te weinig. Al wat de wetenschap ontdekt ten nutte van de menselijke gezondheid, is van de Heere. En onze verantwoordelijkheid is, hoe we er mee zullen omgaan. Klakkeloos verwerpen of kritiekloos aanvaarden is hier een onwaardig dilemma.

Relevantie

Wie het vraagstuk: is inenting geoorloofd? niet relevant acht, bedenke de hernieuwde actualiteit die het kreeg door de ontwikkeling van de preventieve geneeskunde. De geneeskunde gaat zich steeds meer toeleggen op het voorkomen van bepaalde ziekten volgens het spreekwoord: ds. A. Hoogerland voorkomen is beter dan genezen. Allerhande voorlichting wordt gegeven, bijvoorbeeld: Roken kan longkanker geven, dus stop met het roken. Vet eten is slecht in verband met bloodvatvervetting en hartinfarct. Ook de inenting kan in dit kader van de preventieve geneeskunde worden gezien.

Het blijft thans bij de voorronde van een gesprek over het voor en tegen van het inenten met mijnerzijds een duidelijke handreiking om het vóór onder ogen te kunnen zien. Overigens mag in onze tijd van ingrijpende ernstige crisis deze zaak noch een schibbolet, noch een oorzaak van vervreemding en verwijdering zijn onder zich graag reformatorisch noemende christenen. In alle openheid geve ieder zich rekenschap van de vraag of hij/zij in eigen gemoed tnn volle verzekerd is. Wie dat niet is, heeft des te meer nodig een biddend beproeven wat de goede en volkomene en welbehagelijke wil van God is (Rom. 18).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1976

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

Medisch-ethische kanttekeningen bij het vraagstuk van de inenting

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1976

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken