Bekijk het origineel

Visie op een eeuw geleden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Visie op een eeuw geleden

Jan ten Brink 1834 -1901

5 minuten leestijd

Op 19 Juli Is het 75 Jaar geleden dat Jan ten Brink overleed. De naam Ten Brink is volslagen onbekend bij hen, die geen studie gemaakt hebben van de Nederlandse letteren. Voor hen, die hem wel kennen uit studie en geschriften, kan het geen kwaad deze schrijver te herdenken, en even naar hem te luisteren. <br />

In de Nederlandse literatuur heeft Ten Brink in zijn tijd een voorname plaats ingenomen. Hij is te rangschikken in de tijd na 1850, toen een aantal auteurs het voorbeeld van Hildebrand volgde, al hadden zij niet zo veel talent als de schrijver van de Camera Obscura. Het werk van deze schrijvers, waaronder J. J. Cremer, Gerard Keller, Johan Gram en Justus van Maurik, om er maar enkelen te noemen, kenmerkte zich door sentimentaliteit, overdreven vriendelijkheid en kinderlijk medelijden met misdeelden. Bovendien worden wij geconfronteerd, evenals bij Tollens, met flinke, brave, welgestelde landlieden, met arme gepensioneerde stakkers en wufte Hagenaars.

Jan ten Brink werd in Appingedam geboren. Hij promoveerde te Utrecht in de theologie. In Indië verbleef hij enkele jaren, waarna hij leraar in geschiedenis en aardrijkskunde werd aan het gymnasium in Den Haag, later aan de HBS. In 1884 werd hij hoogleraar in de Nederlandse letteren aan de hogeschool te Leiden. Toen was hij professor dr. Jan ten Brink.

Energie

Wanneer wij zien wat Ten Brink heeft gepubliceerd, moeten wij ons wel afvragen, waar zo'n man de tijd vandaan haalde, en hoe hij zo veel energie kon opbrengen, om zo veel geschriften te voltooien. Om nog niet eens volledig te zijn, sommen wij op "Gerbrand Adriaensen Bredero", over het Nederlandse blijspel; „Oost-Indische Dames en Heeren"; een aantal novellen uit de geschiedenis van onze letterktmde, zoals „De eerste liefde van Gerbrand Adriaensen Bredero", „Jan Starker en zijn wijf', "3rechtje Spieghels", waaruit een niet gering schrijftalent spreekt.

Verder volgden letterkundige studies over "Emile Zola", „Geschiedenis der Noordnederl. letteren in de XIX Eeuw", „Onze hedendaagse Letterkunde" en „Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde".

Hoe groot is de werkkracht van Ten Brink geweest, als wij nagaan, dat hij tussen 1882 en 1888, twintig delen litterarische Schetsen en Kritieken, en elf delen Romantische werken klaarmaakte? Van hem wordt gezegd, dat ,hij een woonwagen vol annecdotes, jaartallen en titels had, die nu nog hun dienst bewijzen aan schrijvers van letterkundige overzichten. Als men zijn, soms potsierlijke, uitingen voor zich zelf geniet, kan men zijn vooronderzoek in data en bibliographie verder dienstbaar maken. Gelijk dan ook gebeurt".

Kermis

De opsomming van zijn werken kan vervelend worden. Laten wij daarom besluiten met een proeve van zijn schrijven over de kermis, die nu nog steeds een zaak van discussie is in de gemeenteraden. Jan ten Brink geeft in „Dietsche Gedachten" (1872 tot 1874) zijn visie over de kermis in zijn tijd, een eeuw geleden dus. Wij lezen:

„De kermisorkaan is weder over Den Haag losgebroken. Dat schijnt wel een onvermijdelijk genot te sijn! Ieder geeft toe, dat zij best kon gemist worden. De kerkelijke stemmigheid pleit er tegen op grond van de immoraliteit der kermis de ekonomist, omdat er een allerverderfelijkst fooyenstelsel mee wordt bestendigd, de kinderen en vrouwen van daglooners en werklieden, uit oorzaak van de permanente dronkenschap hunner kermishoudende vaders en echtgenooten het humanismus en de poëzie verheffen hunne stemmen tegen een feest, dat den mensch verbeestelijkt en de kleine vonk van liefde voor het Schoone, die soms nog bij ons volk zou kunnen glimmen, voor goed op de noodlottigste wijze uitbluscht".

En dan gaat Ten Brink zich afvragen wie de kermis willen handhaven. Dat zijn vanzelfsprekend de belanghebbenden, de tappers, koffiehuishouders, leveranciers van eetwaren en dranken, ondernemers van vermakelijkheden en bedienden en loopjongens, die bedelen om fooien.

Verder vraagt hij zich af „alsof het een plezier ware naar de verzameling van tenten en kraampjes van vuil zeildoek te gaan en daar een natuurwonder, een dik kind, een vrouw met een baard of eenige andere afschuwelijkheid te zien! Zijn misvormde menschengestalten schoon? Is het een vermaak een mensch te zien geëxposeerd, omdat lui of zij op deze of gene wijze van de natuur afwijkt, omdat men het volledig leelijke voor iets merkwaardigs of vermakelijks uitgeeft?"

Het volk kan niets anders van de kermis meenemen, dan de herinnering aan oorverdoovend geraas, aan schrille lijnen, aan verschoten deuren, aan massaas van leelijke dingen, aan uitgegeven geld en zeer dikwijls aan pijnlijke lombardbriefjens. Zou het eindelijk geen tijd worden, dat ook in deze residentie een streven ontstond, om het ieder jaar wederkeerende, walgelijke kermispak van onze nette straten en schoone pleinen weg te jagen?

Amsterdam gaat ons voor! Daar schaft men de kermis af op voorzichtige, geleidelijke wijze. Utrecht en Amsterdam roepen beide eene Maatschappij tot veredeling van volksvermaak in 't leven en in beide steden, vooral in de hoofdstad, vereenigen zich mannen van hoofd en hart, om tot dit voortreffelijk doel samen te werken.

Zou er in Den Haag geene afdeeling dier maatschappij te vestigen zijn?

Ja, maar het is iets nieuws en voor ons is iets nieuws min of meer gevaarlijk - adres aan de Inkomsten-Belasting.... enz."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1976

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

Visie op een eeuw geleden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1976

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken