Bekijk het origineel

„Doe ons jongeren weten wat er is geschied

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Doe ons jongeren weten wat er is geschied"

De verhouding Groen van Prinsterer/Kuyper I

8 minuten leestijd

Toen dr. Kuyper het tweede deel der "Brieven van Da Costa" ontvangen had, schreef hij aan Groen van Prinsterer: „Hoe bij uitstek belangrijk! Ik zou haast u en alle vrienden uit die dagen gebeden willen hebben: geef toch uit! Memoriën, brieven. Doe ons jongeren weten, wat er is geschied!''<br />

Deze aan Groen gerichte opwekking strekte prof. dr. A. Goslinga tot rechtvaardiging inzake de uitgave der briefwisseling tussen Groen van Prinsterer en Kuyper. „Er is over hun verhouding tot elkander in de historische literatuur al vrijwat te doen geweest. De voorstellingen dienaangaande bewegen zich tusschen de polen van algeheele overeenstemming en diepgaand verschil, maar, hoe zij ook luiden, ze zijn stellig voorbarig, immers gevormd zonder bekend te zijn met de bron, die te dezen ongetwijfeld als de belangrijkste moet worden aangemerkt, de tusschen hen gewisselde brieven."

Het onderhavige lijvige boekwerk, rijk van aantekeningen voorzien, omvat de inhoud van niet minder dan 500 brieven en verscheen aan de vooravond van Kuypers eeuwfeest (1937). Het is één van de belangrijkste bronnen voor de kennis van Groen van Prinsterer en Kuyper in hun onderling kontakt in de jaren tussen 1864 tot 1876.

Eerste kontakt

Het eerste kontakt tussen deze twee nationale figuren dateert uit 1864. Kuyper is dan Ned. Hervormd predikant te Beesd. Na een schitterende promotie met een proefschrift over de kerkhervormer A Lasco is hij bezig met de uitgave van diens volledige werken. Hem ontbreekt nog een voor deze uitgave onmisbaar handschrift, dat zich moet bevinden in het Koninklijk Geheim Archief van Pruisen. Dit archief — een privaat archief van de Pnüsische koning — is gevestigd in Koningsbergen, het huidige Kaliningrad en de stad van de wijsgeer Kant.

Hoe krijgt Kuyper echter dit handschrift te Beesd? Na enige aarzeling besluit de Beesder pastor de voorspraak in te roepen van de huisarchivaris van de Koning, mr. Groen van Prinsterer. Deze voorspraak wordt met een voor Kuyper gimstige uitslag bekroond. Kuypers verzoek vormt het prille begin van een zich steeds meer uitdijende briefwisseling, die echter pas in 1867 — dus drie jaar later — wordt geïntensiveerd.

Kuyper is dan inmiddels in de strijd op het kerkelijk fVont verwikkeld geraakt. De aanleiding hiertoe vloeide voort uit een bepaalde herziening van de kerkelijke organisatie, ten aanzien waarvan de verwachtingen hooggespannen waren. Het Algemeen Beglement van 1816, tengevolge waarvan de Hervormde Kerk volgens Oroen „een begunstigd staatscreatuur" was geworden was in 1862 door een gewijzigd reglement vervangen. Wel niet in de geest van het verguisde Dordtse verleden, maar nochtans met een bepaling — artikel 23 — waarin in plaats van het aan de kerkeraden toegekende recht van coöptatie (zelf-aanvulling) aan de gemeente het recht van benoeming van haar ouderlingen en diakenen en de beroeping van haar predikanten werd verleend.

Na lang marchanderen van de zijde der synode werd het bewuste artikel in 1867 eindelijk in werking gesteld. Dr. Kuyper bespeurde hierin een mogelijkheid om „een bres te slaan in de kerkelijke oligarchie": de modernistische predikanten-heerschappij.

"Met enige bevreemding"

Dr. Kuyper nu schreef over de uitvoering van het in het geding zijnde artikel 23 — "In question brülante": de brandende kwestie genoemd — een belangwekkende brochure. Deze brochure, getiteld „Wat zullen wij doen?", het hij ook aan Groen toekomen. Deze reageerde hierop met de opmerking dat hem door iemand, die Kuyper vroeger gekend had, „met eenige bevreemding" was meegedeeld, dat Kuyper „modern" was.

Op deze uitlating antwoordt Kuyper dan weer in een uitvoerig schrijven, waarin hij, hoewel hij ontkent echt „modern" te zijn geweest, verslag doet van zijn overgang naar de orthodoxie. Hij beklaagt zich in deze brief over de „totale afwezigheid van gehechtheid en liefde in Beesd". En dat in weerwil van de aanwezigheid van Pietje Baltus en haar geestverwanten? zou men geneigd zijn te vragen.

In een naschrift oppert Kuyper de veronderstelling dat het hem door een onbekende toegezonden exemplaar van „Ongeloof en revolutie" — het standaardwerk van Groen — door deze hem is toegezonden, een veronderstelling die later op waarheid blijkt te berusten. „Daarin gaaft gij mij een photographic van uwen geest", zegt Kuyper niet onterecht.

In deze belangwekkende brief stelt Kuyper aan Groen de vraag, of er naar zijn mening de mogelijkheid bestaat om een vereniging op te richten om alle dokumenten betreffende onze kerkhistorie in de reformatietijd — zowel uit binnen- als buitenland te verzamelen en uit te geven. Bedoelde Vereniging, later de Marnix-Vereeniging geheten, vindt bij Groen alle bijval. Op voorstel van Kuyper wordt Groen erevoorzitter. Een voorzitterschap kon Groen wegens z'n leeftijd en zwakke gestel niet in overweging nemen. Nam Groen dus niet daadwerkelijk aan deze Vereniging deel, hij verleende haar wel, zoals aan vele dergelijke zaken, ruime financiële steun. Dr. Kuyper werd nu voorzitter-direkteur. De hoogleraren Fruin en Hofstede de Groot werden onder anderen leden.

Vertrouwelijk karakter

De gevoerde briefwisseling tussen beide mannen krijgt geleidelijk een meer vertrouwelijk karakter. Groen wenst Kuyper toe „dat hij nog zeer lang, ten zegen van Kerk en Vaderland gespaard, gesterkt en door het ontwakend volksgeweten ondersteund mag worden." Hij maakt zich soms zeer bezorgd over Kuypers gezondheid en vreest, dat deze te veel van zichzelf zal vergen. „Neemt u toch in acht", zo luidt herhaaldelijk zijn advies. Omgekeerd brengt Kuyper meermalen zijn bijzondere hoogachting voor Groen tot uitdrukking en stelt, „dat een persoon als de uwe met geen telescoop nog aan de horizon is te zien".

Soms worden de dagelijkse beslommeringen terloops vermeld. Het: „Hierbij mijn Oudejaarspreek" wordt gevolgd door: „Mijn oudste jongen heeft de mazelen gekregen." En elders lezen we: „Gisteren viel onze kindermeid met ons jongste kind van een hoogen trap en vandaag stak mijn jongen me met een schaar een diepe wond tot op het been vlak bij mijn pols". Op een andere keer deed een aanval van tic douloureux Kuyper 's nachts van één tot half zes „als een razende" door het huis lopen. Dan weer vermeldt hij de voorspoedige bevalling van een zoon.

Groen van Prinsterer is wat meer gereserveerd dan Kuyper wiens „bloed nogal eens kookt". Bekende namen en zaken passeren de revue, het hele tijdsgebeuren krijgt hierdoor een interessant reliëf.

Persoonlijke ontmoeting

Inmiddels hebben beide mannen elkaar persoonlijk ontmoet en wel op 18 mei 1869 in de consistoriekamer van de Domkerk te Utrecht. Dit geschiedde ter gelegenheid van de door Groen gepresideerde Algemene Vergadering van de Vereniging voor Christ. Nationaal Schoolonderwijs. Kuyper memoreert later dat hij „op deze onvergetelijke, avond" voor het eerst de man zag „die door zijn vasten blik, door zijn ernstig woord mij terstond zoo aangreep en imponeerde, dat ik van die ure af zijn geestverwant, neen meer, zijn geesteskind ben geworden."

Het was op deze vergadering dat het inzake de schoolstrijd tot een openlijke bretik kwam met de ethisch-gezinde Nicolaas Beets. Kuyper had bij het beroemd geworden debat de moderne staatsidee als „satanisch" gekarakteriseerd waarop Beets reageerde met de opmerking „demonisch" ter kenschetsing van Groens politiek.

Hoewel Kuyper, door tussenkomst van Beets te Utrecht was beroepen, aanvankelijk met zijn collega-predikant en later hoogleeraar goed overweg kon, vond deze Kuypers kerkreformatorische arbeid later te radikaal. Groen daarentegen deelde Kuypers opvattingen, maar te Utrecht behield Beets met zijn „conservatieve" aanhang het veld. In 1870 vertrok Kuyper naar Amsterdam, waar hij de eerste predikant was die volgens het nieuwe artikel 23 — dus op „democratische" wijze — was beroepen.  Kuyper zendt bij deze gelegenheid aan Groen zijn afscheids- en intreepreek. De wijze waarop Kuyper het in deze preek opneemt voor de leer der uitverkiezing, vindt bij Groen geen weerstand. In dit opzicht liepen overigens binnen het Réveil de opvattingen uiteen. Volgens Kuyper was deze leer voor velen „een steen des aanstoots".

Welke gedragrslijn

De klip, waarop Kuypers program tot kerkherstel echter schipbreuk moest lijden, was „het gebrek aan innerlijke eenheid van het Réveil." Over de strijdmethode: de medische of de juridische weg tot kerkreformatie, waren de meningen verdeeld. De hierdoor ontstane ethisch-irenische groepering en confessionele groepering gingen tengevolge van Kuypers „volksagitatie" steeds meer uiteen. Groens vrees dat tengevolge van deze divergentie de uitvoering van zijn program in het gedrang zou komen, doet hem bij de radikale Kuyper herhaaldelijk aandringen op behoedzEiamheid.

„Wees vooral ook in deze zaak fortiter in re, maar suaviter in modo (krachtig in de zaak, maar voorzichtig in de wijze waarop) zo luidt zijn devies. En elders heet het: „Ik vrees overhaasting", en: „Wees toch uiterst voorzichtig." „Men komt op tegen uw felheid, ook op kerkelijk gebied."

Groen vreest voortdurend dat Kuyper een kerkelijke kwestie teveel op staatsgebied brengt en is er beducht voor — in een brief van 30 oktober 1871 — dat „straks ons legertje wordt uiteengescheurd en de Christelijk nationale rigting in de godsdienstige halfheid wordt gesmoord."

Groen had inmiddels het gemeenschappelijk program van aktie op twee punten , geconcentreerd: op de onderwijskwestie en op de vrijmaking der Kerk. Een belangrijk punt was: vrijmaking van het synodocratische juk, door intrekking van de organisatie van 1816 en 1852. Geen wonder dat Groen bij Kuyper aandringt op voorzichtig manoeuvreren. Afscheiding van de kerk der vaderen stuit hem tegen de borst.

Men heeft vaak de vraag gesteld of Groen, als hij nog geleefd had, met de Doleantie zou zijn meegegaan. Prof. Gerretson zegt ergens, dat het antwoord niet gemakkelijk is te geven. Zelf heeft hij in een jarenlange nauwe omgang met Groen vaak erover getwijfeld. Maar bij nadere bestudering van Groens briefwisseling met Kuyper, scheen hem aarzeling niet langer mogelijk. „Groen zou de Doleantie hebben betreurd als een mislukking van het grote program. Maar hij zou zijn meegegaan!" Rotterdam-Zuid

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1976

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

„Doe ons jongeren weten wat er is geschied

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1976

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken