Bekijk het origineel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

"Wie heeft uw politiek testament"?

De verhouding Groen van Prinsterer/Kuyper II

10 minuten leestijd

Al is er bij Groen van Prinsterer en Kuyper verschil in de wijze van taktiek en strategie, hun staat uiteindelijk eenzelfde doel voor ogen. Scherp laken beide de politicophobie (de afkeer van politiek) van de ethisch-irenische richting, welke door haar geestelijke leidsman Chantepie de la Saussaye wordt gestimuleerd. „Wij moeten die ten sterkste bestrijden", schrijft Groen. <br />

De militante Kuyper, die hier steeds weer op terugkomt, heeft het over de recalcitrante (weerspannige) en muitende compagnie der politicophoben." Hij wil deze voor de geest van het neocalvinistische legercorps doen zwichten of als een hinderlijke legertros afsnijden.

Sterk komt hij ertegen op dat Groen zich zal terugtrekken uit de politiek en dat deze overweegt de uitgave van zijn periodiek de „Nederlandsche Gedachten" te staken. Hij noemt dit met een woordspeling een „moedelooze, onnederlandsche gedachte", die later „natuurlijk reeds voor een hooger gevoel is geweken." Maar Groen repliceert dat zijn parlementaire rol is uitgespeeld en dat hij, gezien zijn leeftijd en zwakke gezondheid, tegen een dergelijke taak niet meer is opgewassen.

„Mijn vrienden hebben mij ten langen leste uit het veld geslagen", klaagt de bejaarde staatsman enigszins ontgoocheld. Hij retireert geleidelijk van het politieke front en laat de zorg voor de verkiezingen in toenemende mate aan Kujrper over.

Van de noodzaak van een algemeen politiek program is Groen niet overtuigd. Hij acht dit onnodig en zelfs gevaarlijk. "Onnodig, want de kracht eener rigting bestaat in hetgeen haar in eigen beginselen karakteriseert. Gevaarlijk, omdat gij zeer licht u in de noodzaak van palinodie (herroeping van een beschuldiging) zoudt brengen." Groen  houdt het op het vierledig program: 1* afzwering v»n politicophobie, 2* herziening. art. 194 der Grondwet, die het vierledig voorrang aan de neutrale school verleende, 3* census verlaging ten behoeve van het antirevolutionaire volk, 4* vrijmaking der Kerk.

Opvolgingskwestie

Tijdens hun samenwerking had Groen — in 1871 — beider actie-radius vrij nauwkeurig afgebakend. „Elk op ons eigen standpunt. Gij als deelgenoot in de strijd, als leader der journalistiek op het slagveld. Als man van actie en van de practijk! ( ) Ik daarentegen, veel meer nu dan in 1869, de leader (voorzoover dit nog wordt begeerd) enkel wat het principiële betreft."

Een netelig punt is hierbij de politieke candidatuur: de opvolging van Groen. Kuyper bekruipt de vrees dat, ingeval men Groen moet missen, „alle vaste lijn (ons) ontbreken zal, zoo gij er niet toe komen kunt een tastbare Eliamantel op één uwer volgelingen te doen vallen."

Dit betekent echter geen sollicitatie naar een vakant leiderschap. „Neem mij niet, of uitnemend! zoo gij dan maar zegt, wie het is!" Volgens hem moet een leven als van Groen tot een politiek testament leiden. Kuyper komt er nog al eens op terug. „Wie heeft uw politiek testament? O, wat worden de toestanden toch aandoenlijk". (Deze laatste uitroep betreft de verwarring op, het gebied van school en kerk). "De toekomst onzer positie eischt, dat tot den einde toe voor het publiek blijke, dat uw profetenmantel op de Standaard rust. Een persoon om u te vervangen is er niet. Een blad wel." Overigens wil Kuyper graag bij Groen van Prinsterer in de schaduw staan- „Gij hebt onze richting gesticht," heet het elders (in 1874) „Ik kon wegvallen, maar gij blijft. Uw emeritaat is mogelijk, uw abdicatie (aftreden) nooit. De mijne wel."

De moeilijke positie, waarin Kuyper zich bevindt, is verklaarbaar. „Men zoekt mij telkens machteloos te maken door mij als uw schaduw te karakteriseren." Dat doodt, volgens Kuyper, zijn krachten en daarom heeft hij de eerste voegzame gelegenheid aangegrepen om zijn positie duidelijk te maken.

Niet in alles homogeen

Groen reageert op het vorenstaande — althans in de correspondentie - aanstonds nog niet. Wel noemt hij Kuyper zijn vriend „en de scherpstziende politicus welligt van ons Land" en karakteriseert hij hem ook in brieven aan anderen als „een exceptioneel man" en „een bezield geloofsgetuige in Kerk en Staat", zelfs als „een gave Gods". Mede onder Kuypers leiding is immers de antirevolutionaire politiek „binnen enkele jaren zaak van een al meer zich uitbreidende volksgroep geworden met een eigen dagblad (De Standaard) en een uitgewerkt program". (Goslinga).

Kuyper wordt dan ook niet bij aanstelling of erflating, maar "Jure suo" — krachtens zijn eigen recht — zijn opvolger, aldus Groen. „Aan niemand kon ik overdragen, wat mij bijkans nooit, althans niet sedert 1856, ten deel viel," schrijft hij in 1874 in de Nederlandsche Gedachten. „Leader van het Volk, dat mij lief heeft en in welks gebed mijne kracht ligt, was en is Dr. Kuyper met en na mij. Bij wederzijdsche steun (echter) wederzijdsche onafhankelijkheid." „Bondgenoten uit geestverwantschap," aldus Groen, maar nadrukkelijk stelt hij: "Homogeen zijn we, doch niet in alles. Homogeen en zelfstandig. Dit tweetal woorden was en is, als kenmerk van wederzijdsche verhouding genoegzaam."

Niet in alles waren Groen en Kuyper homogeen, bijvoorbeeld niet in hun visie op het Réveil. Volgens Kuyper stond het Réveil ,filosoflsch en theologisch te zwak" en was te uitsluitend een religieuze beweging, leed aan gemis aan politieke energie.

Zijn kwalificatie van „kleurloos Réveil" doet Groen schrikken. Kuyper verdedigt zich door te stellen, dat hij het Réveil vereert en dat hij er God voor dankt, maar hij wenst dat het „van exotisch inheemsch worde en arbeide aan de geestestaak van de natie". Het aristocratisch karakter van het Réveil dient meer democratisch te worden en een meer Gereformeerd karakter te verkrijgen. En al stond Groen kritisch ten opzichte van het Réveil, hij stelde toch met nadruk: ik ben van het Réveil!

Wederzijdse zelfstandigheid

Ook de dubbele positie van Kuyper als predikant en politicus beschouwde 'Groen als „exceptioneel" (uitzonderlijk) en niet vol te houden op den duur. „In den regel ben ik niet voor politiseren van predikanten," zo schrijft hij. „Ook volgens u, meen ik, is de roeping van een predikant met die van leidsman eener politieke rigting onvereenigbaar".

Trouwens ook dr. Kuyper zelf is er niet helemaal gerust op. Bij zijn intrede in de praktische politiek schrijft hij — op 30 januari 1874 — aan zijn medestrijder: „Dank voor uw kort en toch zeer gewaardeerd woord. Mijn ziel is nijg als de slinger, nu naar deze, dan naar gene zijde doorslaande. Redenerend zeg ik: „Het moet", maar in het hart huist een bevend vreezen: „Als het eens tegen 's Heeren wil was!"

Het heeft er soms de schijn van alsof Kuyper de Heere in zijn weg tracht mee te krijgen in plaats van omgekeerd. Hij onderschat de gevaren niet. „Zal mijn kennis niet te kort schieten? Zal mijn gestel niet "'ondergaan? (Ruim één jaar later werd dit ten gevolge van zware overspanning bijna bewaarheid). Zal in die onheilige atmosfeer mijn ziel niet lijden?"

Volgens Groen heeft ook de wederzijdse zelfstandigheid nu en dan „in een voor een scherpziend oog niet onbeduidend verschil van weerskanten geopenbaard." Dit kwam onder andere tot uitdrukking in de zogenaamde standbeeldenkwestie ten behoeve van Oldenbameveld en Jan de Witt, waarin het gelijk overigens aan de kant van Kuyper was. Groen beklaagt zich tegenover Kuyper over diens zijns inziens „ietwat apodictische (meesterachtige) manier van terechtwijzing. Kuyper heeft er „diepe smart" over en hij heeft „schrijvende geen oogenblik vergeten" hoe lief hij Groen had!

Uiteenlopende visie
Ook op een ander punt liepen hun meningen uiteen. Hier moeten wij even releveren aan Groens strijd op kerkelijk gebied. In 1848 had Groen „een representatief deel der orthodoxie binnen de hervormde kerk weten te bewegen tot een gemeenschappelijke verklaring aan de synode." (dr. P. N. Holtrop). In deze verklaring werd aangedrongen op handhaving van wezen en hoofdzaak der hervormde belijdenis. Onder de leerstukken, die werden genoemd, ontbrak echter dat der predestinatie of voorbeschikking.

Groen wist dat hierover binnen de kring der adressanten niet eenstemmig werd gedacht. Terwille van de zo moeizaam verkregen eenheid wilde hij bedoeld leerstuk - hoewel hij het zelf onderschreef - niet nadrukkelijk noemen. Hier is o.i. sprake van een laakbare zwakheid bij deze grote staatsman, die uit politieke motieven het „cor Ecclesiae" (het hart der kerk) wegliet. Men kan hier mogelijk een parallel trekken met de grote staatsman Willem van Orainje, die terwille van een gemeenschappelijke zaak aanvankelijk evenmin afkerig was van een godsdienstig compromis, maar hier later van terugkwam. Moest Groen later eveneens zijn politieke kansberekeningen — hoe begrijpelijk ook — niet met een teleurstelling bekopen? Als men echter een bepaald, karakteristiek deel der belijdenis verzwijgt, is men immers machteloos tegen ieder, die daarvan een ander deel verzaakt.

Uit politieke oogmerken was Groen tegen het vooropstellen der Predestinatie by Kuyper. Hy noemde dit strijdig met de gehele reeks zijner antecedenten. Volgens hem „raakt dit de mate van toepasselijkheid van het Calvinisme". Overigens mag niet uit het oog worden verloren, dat Groen in feite een betrouwbaarder Calvinist kan worden genoemd dan de (neo) Calvinist Kuyper, hoezeer deze ook het Calvinisme in stelling bracht.

Met betrekking tot het denkbeeld van de neutrale staat huldigt Groen eveneens een andere opvatting dan Kuyper. Mr. H. W. J. Mulder spreekt — in zijn „Groen van Prinsterer, staatsman en profeet" — zelfs van een koerswijziging bij Groen omstreeks 1870, die door Kuyper zoveel mogelijk wordt verdoezeld.

Groen kan in feite moeilijk loskomen van de Geref. overheidsschool, aangezien loslating hiervan een groot deel van ons volk prijsgeeft aan de machten van on- en bijgeloof. Kuyper huldigt het standpunt een vrije school in een vrije staat. Bovendien vreest Groen dat door vermenging van de kerkrechtelijke strijd — om de vrijheid van de Kerk — met de staatsrechtelijke strijd — om de vrijheid van het onderwijs — de politieke eendracht der antirevolutionairen in gevaar zal komen. Gezien de latere ontwikkeling geen denkbeeldig gevaar!

Mogen er karakteristieke verschillen hebben bestaan tussen deze twee soms sterk uiteenlopende figuren, toch hebben Groen en Kuyper met betrekking tot hun strijd in Kerk en Staat veelszins gemene zaak gemaakt. Aan een der volgelingen, die gemeend had Groen tegenover Kuyper in het geweer te moeten roepen, schreef eerstgenoemde: „Ik idealiseer onze vriend niet; ik stel op het zelfstandige onzer homogeneïteit bij voortduring prijs, maar ik bedenk mij driemaal, eer ik bij eventueel verschil aan mijn oordeel de voorkeur toeken, en tienmaal, eer ik dit, in de tegenwoordige omstandigheden, aan het publiek bekend maak". „Want", zo schrijft hij elders, „zoo onze vrienden tegen elkander het zwaard keeren, is der Filistijnen zegepraal gewis!"

Belangrijke bron

„Deze briefwisseling is", volgens prof. Gerretson het dagverhaal van een altoos spannende, vaak dramatische strijd- tegen een overmacht door een Gideonsbende gevoerd met geen onder wapentuig dan een diep geloof en een onverzettelijk plichtsbewustzijn. Zij vormt een uiterst merkwaardig document humain, dat voorbestemd is een der belangrrijkste bronnen te worden voor de geschiedenis van Kerk en Staat".

De correspondentie eindigt op 8 maart 1876 met de laatste brief van Groen aan Kuyper. Wegens zware overspanning vertoeft laatstgenoemde in het buitenland (te Nice) zodat, mede met het oog op het naderend einde van Groen, „alles verloren schijnt." „Vernedert u onder de krachtige hand des Heeren," aldus luidt de wens van de eminente staatsman aan zijn medestrijder, „opdat Hij u verhooge te Zijner tijd! Ik kan mij niet meer bezig houden met de polemiek van den dag." En ten besluite: „En voorts de eenig-genoegzame troost in lever en in sterven, die alleen tegen elken vuurproef bestand isl Van harte uw vriend en broeder - Groen van Prinsterer".

Uit de ingewikkelde bundeling van Groens gedachtenwereld heeft dr. Kuyper menige draad losgemaakt en verbonden aan, soms verbogen naar de praktijk. Een gedeelte van deze gedachtenwereld bleef braakliggend terrein. In weerwil van een gemakzuchtige aanpassingsmentaliteit loont het ook hedentendage de moeite dit terrein weer een weinig te ontginnen. In dit opzicht houden we ons gaarne aan Kuypers advies: „Geef toch uit: memoriën en brieven. Doe ons jongeren (en ouderen) weten wat er is geschied!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1976

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1976

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken