Bekijk het origineel

Jaar van het kind staat voor de deur

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Jaar van het kind staat voor de deur

11 minuten leestijd

In een "rampzalig" ogenbllk heeft onlangs de een of andere commissie van de Verenigde Naties besloten het volgend jaar uit te roepen (want zo heet dat: „uitroepen") tot het "Jaar van het kind". Nu dacht ik te weten dat "ze" (wie dat dan ook mogen zijn, want de daders zijn altijd anonieme commissieleden) tijden geleden al deze hele eeuw hadden "uitgeroepen" tot „eeuw van het kind". En ik dacht dat diezelfde commissie ons ook al jaren geleden getrakteerd had op een manifest onder de prettige titel „de rechten van het kind". Het kan blijkbaar niet op. En aangezien ik zelf dagelijks met de "jeugd van tegenwoordig" zowel ambtshalve als persoonlijk heb te maken, zou ik hier gaarne, en zeer bijtijds derhalve enkele opmerkingen bij maken..<br />

Eerst dat „uitroepen". Een bijzonder irritant woordje, in dit verband. Nee, ze „stellen het niet vóór", ze „geven het niet in overweging", maar ze kondigen het eenvoudig af, ze decreteren het, ze „roepen het uit". Het lijkt wel een soort evangelie. Het roept de regel op: „Roept uit aan alle stranden, verkondt van oord tot oord, verkondigt alle landen („Verenigde Naties", immers?) dat evangeliewoord"... Een nieuw soort heilsbericht? Een heilsbericht waarop we hunkerend zaten te wachten? Zat de jeugd daarop te wachten? De ouderen? Namens wie, nogmaals: namens wie meent men eigenlijk dit aanstaande jaar als zodanig uit te roepen? Dan dit: zojuist hebben we dan het „Jaar van de vrouw" achter de rug... Ach, zegt u misschien, dat gaat toch buiten onze Kerken om, dat is toch een zaak van de wereld, waar wij ons verder niet mee bemoeien? Nu, mocht dat maar zo zijn. Maar de publiciteitsmedia inclusief de boekwinkels en inclusief heel veel leraren en leraressen op onze (ja ook onze) scholen zullen het wel degelijk ter sprake brengen, positief of negatief. En de jeugd wordt er dus, zoals men dat pleegt te noemen, mee „geconfronteerd", onvermijdelijk. Niet met 1977 als een "Jaar des Heeren" ... Nee. Maar met 1977 als een „Jaar van het kind". Ik vraag mij in gemoede af, wat men van zo'n jaar van het kind eigenlijk verwacht. Van de week las ik al dat leerlingen van een bepaalde school mede inspraak krijgen bij de benoeming van een nieuwe leraar. Dat zullen dan wel buitengewone leraren worden, lijkt me zo. Ik denk dat de „rechten" van het kind op grote schaal zullen worden uitgebreid. En daarmee uiteraard, dat kan toch niet anders, de plichten worden ingeperkt, zo niet afgeschaft. Ik denk ook aan het leger...

Anarchie

Ik denk ook aan de meer dan tweehonderd geestelijke verzorgers in onze krijgsmacht; nu al zijn hun lesuren niet meer verplicht (al zijn de soldaten in alle andere, opzichten wel tot alles verplicht)... ze hebben het recht domweg op de kamer te blijven en een kaartje te leggen. Al kunnen ze ook kiezen tussen alle mogelijkheden: protestant of rooms-katholiek of humanistisch. Nee, het „hoeft van ons niet meer". Met

nadruk kies ik dat woordje „ons".'Het hoeft immers „van hen" niet meer.. Maar wij, als ouderen, volgen hun wensen voetstoots, en het hoeft dus ook „van ons" al niet meer.

Wie zal de jeugd van tegenwoordig nog met enig recht een verwijt kunnen nageven over deze ontwikkeling? Ouderen doen daaraan geestdriftig mee, lopen vaak zelfs vooraan en banen deze weg, deze heilloze, tot complete wetteloosheid en complete chaos en anarchie leidende weg... Nee, ik zeg niet dat alles blijven moet zoals het was. Ik zeg ook niet dat er geen verbeteringen nodig zijn. Ik zeg niet dat ik niets weet van kindermishandeling en van andere wantoestanden bij ouderen waarvan het kind eenvoudig de dupe is. Dat zeg ik niet. Maar ik zeg wel, dat als remedie, als oplossing het uitroepen van een „Jaar van het kind" het verkeerde antwoord is. Omdat het een antwoord is dat uit dezelfde bron, dezelfde kwalijke bron opwelt als de vraag en als de nood zelf: en die bron heet „het menselijke inzicht".

Als de mens meent dat hij zichzelf genezen kan, vergist hij zich. Dat is in vorige tijden al afdoende gebleken bij slogans als „verbeter de scholen en ge kunt de gevangenissen sluiten" en dergelijke. Ook daar is niets, maar dan ook totaal niets van terecht gekomen. En het ware te wensen dat we ons eindelijk eens leerden gezeggen door de harde lessen van de geschiedenis. En vooral dat we ons eindelijk eens leerden gezeggen door het Woord van God.

En wat zegt dan dat Woord van God? Wat heeft dat ons, in relatie tot het kind, ook tot de jeugd van tegenwoordig, dan te zeggen?

Daartoe wil ik erg graag wijzen op een zin uit een huwelijksformulier (ook al afgeschaft in bepaalde kerken, helaas), waarin op heel frappante manier een antwoord gegeven wordt op de vraag „waartoe zijn kinderen eigenlijk aan ons gegeven?"

Dit antwoord luidt als volgt (en dat wordt aan bruid en bruidegom vanaf de preekstoel terecht meegedeeld als zijnde de leer der Kerk, overeenkomstig Gods Woord): dat zij de kinderen, die zij krijgen zullen, tot Gods eer en tot hun zaligheid grootbrengen mogen..."

Ziedaar!

Daat staat niet de mens in het middelpunt en daar zit niet de mens op de troon, maar God. En daar gaat het om Zijn eer. Daar is het leven van de man en het leven van de vrouw en het leven van het kind (en zeker het jaar van de vrouw en even zeker het jaar van het kind) ondergeschikt aan het jaar des Heeren en ondergeschikt aan de eer des Heeren!

Eigen eer

Het is precies het omgekeerde van wat de wereld ons leert. Precies het omgekeerde van wat alle zogenaamde „neutrale" opvoedkunde en het „neutrale" ouderschap ons leert (is er niet een blad dat „neutraal ouderschap" zelfs vervangen heeft voor ,verstandig ouderschap"? ... in tegenstelling tot „christelijk" ouderschap, dat blijkbaar zeer onverstandig is...?) Waarom.... ,precies het omgekeerde"?

Om een drietal fundamentele redenen en over alle drie wilde ik graag een enkel woord kwijt.

Ten eerste staat in dat kerkelijk formulier dat het kinderen grootbrengen zou strekken tot „Gods eer".

Maar wat is de praktijk in deze wereld? Die overigens ook op schier onmerkbare maar fatale wijze doordringt in de gelederen van de Kerk? Dat wij onze kinderen groot willen brengen niet tot Gods eer, maar tot onze eigen eer. Want dat is toch maar het gesprek van de dag. Het gesprek thuis (zeker in de examenperioden), het gesprek in de familie ("ja, we kunnen trots zijn op onze kinderen") en het gesprek op ons werk.

Laatst nog zei iemand, die ronkend sprak over zijn zoon die zoveel tienen haalde op het gymnasium: „En, dominee, uw kinderen doen het zeker ook wel goed op het gym?"

„Nee", zeg ik, die zitten op het HAVO" Antwoord: „ach... wat sneu voor u..."

Daar heb je het weer. Want de vader en de moeeder, de mens kortom, die moet met het kind geëerd zijn. Trots moet je er op kunnen zijn. Pronken moet je er mee. En zo niet sneu voor u"...

Met krimpende pijn in je hart denk je dan aan alle ouders met ongelukkige kinderen. Kinderen die minder begaafd zijn, kinderen die helemaal niet mee kunhen... Wat krijgen die ouders dan te horen vanuit de wereld die hen omringt? „Sneu...?" Gaat het dan om die ouders? Gaat het dan om hun eer?

Nogmaals, ik zeg niet dat dit onbelangrijk is. Natuurlijk niet. Je bidt er als ouders voor, je werkt en je zwoegt er voor, ik weet het uit eigen ervaring. Maar laat ons niet bezwijken voor die briesende leeuw die rondgaat zoekende wie hij zou mogen verslinden. En laat ons niet schuldig staan aan de zonde dat we Gods eer verwisselen voor eigen eer. En laat ons niet alleen maar onszelf afvragen wat „wij" aan onze kinderen hebben in plaats van ons onder open hemel en in de binnenkamer eens af te vragen wat God aan onze kinderen, kon het zijn onder de Zegen over onze opvoeding, heeft...

Hebben we dan alleen maar ,Ja" gezegd op dat huwelijksformulier en op die belangrijke zin daaruit, die toch geheel volgens Gods Woord is gesteld, op onze trouwdag... en zijn we het daarna vergeten en zijn we als Demas geworden, in dit opzicht de tegenwoordige wereld lief gekregen hebbende? En wat is belangrijker ... wat is van meer belang ook voor de eeuwigheid: een kind dat leeft tot ere Gods ... of een kind waar wij (volgens de wereld nog wel...) eer mee in kunnen leggen? Een ieder beproeve zichzelf..!

Carrière

Nu ten tweede. Want niet alleen stond er geschreven (en is in de kerk tegen talloze bruidsparen gezegd) dat zij de kinderen „tot Gods eer" grootbrengen zouden, maar als tweede doel stond daar (zij het daarachter:) ...„en tot hun zaligheid".

Ook dat is tegenwoordig zwaar aangetast en zelfs vervangen door een heel ander doel. Want velen, die toch beter moesten weten, hebben niet meer de zaligheid van hun kinderen op het oog, maar hun carrière. Gods eer werd verworpen voor onze eer en de zaligheid van de kinderen voor de carrière, de maatschappelijke toekomst. Nee, voor de zoveelste maal: ik zeg niet dat die carrière onbelangrijk is. Natuurlijk niet. Ik vraag alleen: heeft die carrière wat belangrijkheid betreft en wat aandacht en zorg die wij daaraan plegen te wijden betreft de plaats niet ingenomen van de aandacht die wij moesten hebben, de biddende en werkende aandacht voor ... hun zaligheid?

Ik herinner me, dat ik eens schriftelijk antwoord vroeg aan een groep catechisanten op de vraag hoe het gesteld was met het gebedsleven thuis. En de vraag luidde: „bidden vader en moeder wel eens met jou?" En één van die catechisanten (de naam weet ik niet, want ze mochten antwoorden zonder hun naam te noemen) schreef (en ik denk dat ik dat schrijnende antwoord wel nooit meer vergeten zal:) „was het maar waar, dominee..."

Maar wel wordt dan alle tijd besteed aan „huiswerk" en aan „overgang" en aan „examen" en aan „sollicitatie" en aan „promotie" en aan „carrière" en aan „je plaats in de maatschappij" en aan „een goed inkomen" en als stok achter de deur staat daar dan dreigend: „denk aan je ouders" en: „maak ons niet te schande" en als het allemaal niet lukt (tot verdriet van het kind zelf) het zelfbeklag van vele ouders (wat het verdriet van het kind om eigen mislukken nog vergroot door een fikse portie schuldgevoelens) „hebben we daar nu altijd zo ons best voor gedaan?... En in menige familiekring wordt dan gezegd: „Nee, met onze Jan wilde het niet vlotten..."

Nu nog dat derde. Want er wordt dan dus gesproken over „Gods eer" en er wordt gesproken over „hun" (van de kinderen dus) „zaligheid", maar waar blijven wij, als ouders eigenlijk? Wordt daar dan niets over gezegd? Zijn wij dan niet belangrijk? Nee, in dat stuk wordt inderdaad niets over „ons" gezegd. Niets over wat „wij" aan onze kinderen hebben. En ik meen, dat ook dat bijzonder schriftuurlijk is. Staat er niet steeds opnieuw geschreven, ten aanzien van de roeping en de taak die volgelingen van Jezus Christus ontvingen: „...die verloochene zichzelf?" Die verloochene de oude natuur om te vragen wat het eigen trotse „ik" er aan heeft? Die oude natuur, die zo fel de kop opsteekt in de wereldse begeerte zich maar te ontdoen van een kind, zelfs nog voordat het geboren is, via abortus? En, als het kind geboren is, vroeg of laat op het tijdstip dat „wij" er niets meer aan menen te hebben, zich er van te ontdoen via „euthanasie" of andere kanalen? Alsof de kinderen ons eigendom zouden zijn, in plaats van een leengoed des Heeren! Alsof wij zelf rechter zouden zijn over het kind, in plaats dat we beseften dat de Heere Zelf rechter zal zijn over ons rentmeesterschap... „Die verloochene zichzelf..."

Maar kom je op geboortebezoek, dan hoor je talloze keren de wens van een bezoeker „Nou, beste meid, dat jullie maar veel plezier van de kleine mogen beleven"! Een goddeloze wens. Goddeloos, als dat het enige en als dat het eerste en als dat het belangrijkste is. Waarom niet de wens: „Dat de Heere maar eer aan jullie kind mag beleven..." en waarom niet de wens: „Dat jullie het kind maar tot zaligheid grootbrengen mogen...?" Waarom niet? Zou dat niet veel en veel beter zijn?

En zou dat alles niet geschieden, als we maar wandelden in de voetsporen des Heeren? Als we „ziende op Christus" waren? Die toch ook, als Opperste Leidsman, die drie kenmerken toonde? Die toch ook, alleen de eer Zijns Vaders beoogde (en niet Zijn eigen eer)? Die toch ook louter bekommerd was om de zaligheid van de kinderen Gods die Hem waren toevertrouwd (en niet hun carrière?). En die toch ook nimmer vroeg „wat heb Ik er aan?", maar die Zichzelve verloochende, zelfs tot de dood, ja tot de dood des Kruises? De psalm komt nu bij mij boven en ik geloof dat ik dit artikel daarmee besluiten moet:

 „... buigt U dan (ouders en kinderen) in het stof!

en verheft met lof

het eeuwig Goddelijk Wezen

Wilt het eeuwig vrezen....!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1976

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

Jaar van het kind staat voor de deur

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1976

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken