Bekijk het origineel

Onbekende brieven van hoofdonderwijzer Van Noort aan ds. Ledeboer

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Onbekende brieven van hoofdonderwijzer Van Noort aan ds. Ledeboer

RECHTZINNIGE TAAL IN HET REGLEMENT

7 minuten leestijd

De 1ste november 1855 wordt de heer J. van Noort, hoofdonderwijzer aan de openbare school te Honswijk (gemeente Tuil en 't Waal) ontslagen, omdat hij gedurende de gewone schooltijd de Bijbel bespreekt en laat lezen. <br />

Zijn leven en zijn strijd worden beschreven in zijn 24 brieven, waarvan er zeker 20 aan ds. Ledeboer zijn gericht. De uitgever, J. van Golverdinge, schrijft in zijn voorwoord in 1860 „De ontslapene had zelf het voornemen iets aangaande de door hem geledene vervolging in het licht te geven, maar hij was bevreesd voor zelfverheffing: Daarom heeft hij zulks aan zijn achtergelatene betrekkingen opgedragen, die aan mij de bezorging daarvan hebben verzocht en zo komt dit bundeltje in het licht. Mocht het doel van de schrijver, dat zijn lijden tot versterking en opwekking van mede-gelovigen strekken mocht, door deze uitgave, onder des Heeren zegen bereikt worden, en de een of ander daardoor lust ontvangen. Hem vrijmoediger voor de mensen te belijden".

Nu is het merkwaardig: ds. L. G. C. Ledeboer zijn leven en arbeid, is door vele personen beschreven. Maar deze zeer belangrijke briefwisseling is nog nooit genoemd. Ook zijn deze ontroerende brieven zeer zeldzaam, het boekje bevat 75 bladzijden.

Dr. L. Wagenaar schrijft in 1880 in zijn proefschrift over het "Reveil en de Afscheiding", dat Ledeboer veel omgang had met andere „Vromen in Zuid-Holland en Utrecht" en dat zijn nagedachtenis nog in zegening is. Hij zegt nog van tijdgenoten en ooggetuigen „menig oude van dagen schilderde mij met hartelijke liefde, die lange bleke man, die een wandelend evangelie mocht heten. Een incarnatie der zoekende zondaarsliefde". Zo is Ledeboer juist getekend, en zo komt zijn vriend ook uit in deze brieven.

Gods dienares
D eerste brief begint op 16 februari 1850. Hij zegt daarin dat hij in 1818 in Honswijk gekomen is. Hij komt op voor artikel 36 en schrijft aan Ledeboer, dat hij aan een hoogleraar zijn bekering heeft verklaard. En in de tweede brief bespreekt hij van zijn beschuldigers die hem leerstellig onderwijs in school verwijten, hij moet zich verdedigen voor een advocaat, hoogleraar, een baron en 2 schoolopzieners.

In zijn brieven haalt J. van Noort meermalen de Schotse prof. Rutherford aan.

Vooral schrijft J. van Noort veel aan zijn dominee Ledeboer over zijn geestelijke arbeid te Oudewater en IJsselstein, waar ook meester J. van Noort gaat oefenen. Al zijn beproevingen waren voor hem tijden van geestelijke overvloed. Hij schrijft dat hij maar zelden couranten leest, verhaalt veel van cholera, sterfte onder het vee en ziekte onder de aardappelen. Maar zegt hij, in zijn 10e brief aan Ledeboer, die hem veel terug schrijft, troost en sterkt: „Als Jezus niet in 't harte is. Dan is het enkel duisternis".

Verdediging

Ook zijn er nog personen; die het in die dagen voor deze ootmoedige man opnemen, in zijn zware strijd tegen schorsing en afzetting. Als eerste noem ik vooral ds. Ledeboer, want meester Van Noort wist wat lijdzaamheid was. Hij was ijverig, want hij schrijft in de 19e brief de 9e juni 1855 „Ik heb 150 roeden aardappelland, daar heb ik van deze week hard op gewerkt. Als de eerste was ik op het land, en als de laatste er af; hiertoe ontving ik lust en krachten en nu is mijn land klaar.

Maar ook ds. De Cloux heeft het voor J. van Noort opgenomen en deze zaak wereldkundig gemaakt, in „de wachter op Sions muur", en dat was voor meester Van Noort een wonder dat anderen, en ook een predikant van de Herv. Kerk, ds. Du Cloux, krachtig tegen zijn aanvallers verdedigden, en krachtige bewijzen hunner onrechtvaardige behandeling naar voren bracht.

Ook zijn zoon Joh. van Noort, geboren 19 juni 1823 en overleden 19 maart 1897 heeft veel voor zijn vader gestreden. Deze edele man wiens leven in de geschiedenis van het christelijk onderwijs door J. Kuiper beschreven wordt, ontving van zijn vader de eerste opleiding, welke op den „Klokkenberg" voltooid werd, waarvan hij 1 van de eerste 3 kwekelingen was.

Daarom schrijft Meester van Noort in die 19e Brief:

Daar mijn zoon met de pinkstervakantie met zijn vrouw en kinderen 14 dagen bij ons was, heeft hij op aanraden der Christelijk gezinde onderwijzers, zich mijn zaak zo aangetrokken, dat hij van hier naar Den Haag vertrokken is, van daar is mijn zoon naar Groen van Prinsterer gegaan, met wie hij 1 uur gesproken heeft.

Die vertelde dat de 8 Haagse heren de 6de aug. 1855 vergaderden, en dat dan Groen over deze zaak spreken zou. Groen wilde daarop naar de Koning gaan, hij wilde dat de zoon met hem naar de Koning zou gaan, maar diens tijd liet niet toe, dat hij in Den Haag bleef. Zo zien wij dat door alle vernederingen die meester J. van Noort moest ondergaan, hier al sprake was van de schoolstrijd.

In die strijd en vervolgingen hebben veel gemeenten in de Afscheiding zelf een school gesticht. Er moest dan op die Gereformeerde scholen flink gewerkt worden. In Giessendam waren de schooluren voor de school van 9 tot 12 en van 13.30 tot 16.00 uur, en de avondschool van 6 tot 8, en de bezoldiging was niet hoog. Want de kerken die toen tijdens de Afscheiding de zaak van de schoolstichting ter hand namen, waren veelal slecht bij kas. Toch droeg men in die tijd der volging het Bijbels onderwijs een goed hart toe. Maar het was ook wel eens zoals J. v. Noort in zijn brieven schrijft: „Soms veel bevatting — weinig betrachting".

In het boek van dr. Rullmann wordt uit de Giessendamse periode van dominee Gispen nog verhaald, dat hier op 10 december 1860 een christelijke school werd geopend in het vroegere kerkgebouw. Er waren 120 scholieren en aan het hoofd stond meester D. Veenecourt. De kerkeraadsnotulen bevatten ook het reglement voor de school der Afgescheiden gemeente.

In artikel 1 werd omschreven „waarom de gemeente een school daarstelt". Het is „om hunne kinderen in de vreeze des Heeren te laten onderwijzen in alle nuttige wetenschappelijke zaken van het lager onderwijs, maar ook opdat zij naar haar vatbaarheid onderwezen worden in de gronden der Gereformeerde leer. Daarom verlangt zij, dat de onderwijzer niet alleen zijne bereidvaardigheid verklare om de jeugd in de vreeze des Heeren te onderwijzen, maar ook, dat hij verklare van ganscher harte verenigd te zijn met de Gereformeerde leer onzer vaderen, vervat in de Formulieren van Eenigheid, belovende niets te zullen leeren dat hiermede eenigszins strijdig is, en wanneer hij zich mocht misgaan, de bestraffing der schoolcommissie en des Kerkeraads te onderwerpen".

Dit was dus wel puur rechtzinnige en gestrenge taal en om alle vreemde smetten te weren werd in artikel 2 o.m. bepaald: „Alle onderwijs zal met gebed en psalmgezang worden begonnen en geëindigd; de Bijbel zal dagelijks worden gelezen en er zullen zulke boeken worden gebruikt, welke onder 's Heeren zegen tot wezenlijk heil van de jeugd kunnen dienstbaar zijn, welke boeken door de schoolcommissie en kerkeraad in overleg met den onderwijzer zullen gekozen worden".

Niet progressief

Bepaald vooruitstrevend kon de school een eeuw geleden niet genoemd worden. Men was zeer afkerig van nieuwe leermethoden en vaardigde daarom in artikel 3 een zonderling gebod uit: „Alle nieuwigheden zullen van de school geweerd worden, en de kinderen zullen door het spellen en lezen leeren; zoals van oudsaf gebruikelijk is".

Natuurlijk moest de hoofdonderwijzer als voorzanger fungeren, maar alsof dat een pil was die verguld moest worden, werd hiervoor als reden opgegeven: „opdat hij ook uiterlijke toone, dat hij met de leer onzer Kerk verenigd is". Intussen moest de goede man het zonder tractement stellen. Voor zijn diensten in de kerk genoot hij ƒ 25,- per jaar, de rest moest hij maar zo'n beetje bij elkaar scharrelen. Hij genoot alle voordelen welke uit het gewoon of buitengewoon onderwijs voortvloeiden tot een maximum van ƒ 400,- per jaar.

Kwam hij niet aan dat bedrag dan zorgde de — kerkelijke — gemeente voor aanzuivering. Voor vuur en licht kreeg hij ƒ 50,-. Beliep het bedrag van de schoolgelden echter meer dan ƒ600,-, dan kwam deze tegemoetkoming te vervallen.

En zo hebben deze strijders in deze donkere bladzijde van Neerlands Historie, toen men om Bijbels onderwijs vervolging en miskenning moest lijden, veel opgeofferd voor de zaak des Heren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 26 juli 1976

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

Onbekende brieven van hoofdonderwijzer Van Noort aan ds. Ledeboer

Bekijk de hele uitgave van maandag 26 juli 1976

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken