Bekijk het origineel

Maatschappelijk werk (I)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Maatschappelijk werk (I)

11 minuten leestijd

Het zogenaamde maatschappelijk werk heeft in de huidige samenleving een zeer belangrijke plaats ingenomen, ja het is onmisbaar geworden. Dit is niet altijd zo geweest. Het maatschappelijk werk, zoals wij het nu kennen, is van vrij recente datum. <br />

Men kan hieruit de voorbarige conclusie trekken, dat men gedurende eeuwen aan de maatschappelijke nood lichtvaardig voorbij is gegaan, terwijl men eerst in de laatste tijd de ware aandacht aan deze nood heeft besteed. Dit is onjuist.

In de geschiedenis zien wij steeds weer, dat bepaalde verschijnselen opkomen, als er behoefte aan bestaat. Als die verschijnselen er niet waren wijst dit erop, dat er ook geen behoefte aan bestond. Wij mogen niet de behoeften van onze eigen tijd als vanzelfsprekend in vroegere tijden vooronderstellen.

Ik geef hiervan een voorbeeld: het gebruik van verdovende middelen. Men beschikte over narcotica zonder ze te gebruiken, omdat men minder pijngevoelig was. Eerst de pijngevoeligheid wekte de behoefte aan narcotica.

Zo is het ook gesteld met het maatschappelijk werk. Eerst in de laatste twee eeuwen is de behoefte aan maatschappelijk werk openbaar geworden. Die behoefte heeft het maatschappelijk werk doen ontstaan. Welke verandering in de samenleving heeft die behoefte doen ontstaan?

Feodalisme

Altijd is er maatschappelijke nood geweest. Toch was er niet altijd behoefte aan maatschappelijk werk. Die behoefte komt eerst later op. Oudtijds behoorde ieder tot een gemeenschap. In het feodalisme is dit wel heel duidelijk. De gehele maatschappij was hiërarchisch ingedeeld. Niemand was rechtloos. De hogere stand was verantwoordelijk voor de lagere, maar ook de verschillende standen en gilden zorgden voor him eigen leden. Uit de Germaanse tijd stamde de hulp aan stamgenoten of dorpsgenoten. De burenhulp heeft nog heel lang gefunctioneerd.

De latere feodale maatschappij liet ook niemand onverzorgd. In die maatschappij was de kerkelijke zorg uiterst belangrijk. De barmhartigheid is altijd door de Kerk beoefend en niet alleen beoefend, maar zij is ook door de Kerk altijd gepredikt. Die prediking heeft een enorme invloed op de barmhartigheidsbeoefening van de gehele maatschappij gehad.

Deze barmhartigheid vernederde de behoeftigen echter geenszins. De behoeftigen en lijdenden bewezen omgekeerd de weldoeners een grote barmhartigheid. Zij herinnerden hen aan hun eigen broosheid en vergankelijkheid. Zij waren voor hen op die wijze wegwijzers naar de eeuwigheid. Zij wekten ootmoed en een behoefte aan Goddelijke erbarming bij de weldoeners zelf. Daarom werd het als een voorrecht beschouwd om barmhartigheid te mogen oefenen.

De behoeftigen verleenden dit voorrecht. Zij zijn in het middeleeuwse openbare leven daarom onmisbaar. Zij komen daarom op vele schilderijen voor. Dit is wel sterk in tegenstelling tot onze tijd, waarin alles, wat lijdend en behoeftig is, uit de openbaarheid wordt geweerd, terwijl het toch blijft bestaan.

De behoeftige heeft een belangrijke fimctie in de middeleeuwse maatschappij. Hij maakt de niet-behoeftige ootmoedig en heilbegerig en wat nog belangrijker is: hij geeft hem de mogelijkheid om zich te erbarmen en daardoor blijk te geven Gods erbarming voor de broze zondige mens dankbaar te verstaan.

Het is daarom niet te verwonderen, dat de behoeftige, ja zelfs de mismaakte veel zelfverzekerder was dan in onze tijd. Zij wisten zichzelf de getuigen der waarheid omtrent de situatie van de verloren mens in deze wereld en daarmee van de Goddelijke ontferming. Kortom, zij waren zelfverzekerd en niet gefrustreerd.

Kenmerkend is, dat de mismaakte hofnar als neef van de vorst werd erkend en boven alle wetten stond. De mismaakte nar herinnerde de vorst voortdurend aan eigen broosheid en ellende. De nar wees de vorst zijn plaats aan tegenover God. Hij wekte de vorst op tot ootmoed en vroomheid.

Tegelijk verleende de vorst zijn gunsten aan de nar. Dit alles wijst erop, dat de behoeftige lijdende mens oudtijds veel minder geïsoleerd was. Hij was geheel in de samenleving opgenomen, Ja hij was er bijna onmisbaar in. Niemand stond apart. Ieder behoorde tot een gemeenschap, ook de behoeftige. Daarbij moet nog het allerbelangrijkste gezegd worden. De gemeenschap met God was veel sterker te ervaren. Ten opzichte van het belangrijkste deel van het leven, dat aanbreekt na de dood, het eeuwige leven, stond de behoeftige niets achter bij de „beter bedeelden". Ja, in veel opzichten achtte men dat hij aangaande het eeuwig heil er dikwijls veel gunstiger voor stond.

Reformatie

De reformatie heeft in deze opvattingen wel enkele accentverschuivingen aangebracht. De diepere kennis van de menselijke ellende zorgde ervoor, dat er minder behoefte was aan het „aanschouwelijk onderwijs", dat de lijdende in de Middeleeuwen gaf. Het accent viel nu veel meer op de opdracht om uit dankbaarheid voor de eigen verlossing door Christus' bloed, de nooddruftige barmhartigheid te bewijzen.

De diaconie is in de reformatorische, vooral Calvinistische kerken een uiterst belangrijk element. Dit leidde ertoe, dat vele buitenlanders, die onze Calvinistische republiek in de 17e en 18e eeuw bezochten, de merkwaardige indruk kregen dat er geen armen waren.

Het loont dan ook de moeite om een uitvoerige studie te maken van de diaconale archieven. Enkele voorbeelden: de diaconie van IJsselmonde droeg in de 17e eeuw er zorg voor, dat een lid van de gemeente, die als slaaf in Noord-Afrika verkocht was, vrijgekocht werd en huiswaarts werd gebracht. In een toen kleine stad als Rotterdam werd in de 18e eeuw per jaar drie à vierhonderdduizend gulden door de diaconie uitgekeerd. Dat is naar de tegenwoordige geldswaarde ongeveer dertig miljoen. Dit werd door particulieren bijeengebracht.

Het is langzamerhand mode geworden om op de oude tijden te smalen. Meestal doet men dit zonder iets van die tijden te weten.

Zielszorg

Er is nog een andere belangrijke reden voor het ontbreken van de behoefte aan maatschappelijk werk in de moderne zin.

Er was in de oude tijden een intense zielszorg. Meestal brengen wij zielszorgen in verband met het huisbezoek van de kerkelijke ambtsdrager. In de Middeleeuwen bestond dit eigenlijk nog niet.

In de tijd van de Reformatie werd het vooral beperkt tot het ziekenbezoek van de ziekentroosters. In tijden van vervolging werd het huisbezoek belangrijk om de mensen voor de gemeente vast te houden. Het belangrijkste werk van de predikanten was echter de prediking, de catechese en het pastorale gesprek.

Vanouds werd in de Middeleeuwen de meeste zielszorg in de kerk beoefend. Daar was de liturgie, de viering van het sacrament, de prediking. Daarin werd een onmiddellijke zielszorg beoefend. Zeker mag niet onderschat worden de zielszorg van de biecht. In de reformatorische tijd is de zielszorg in de prediking en in het sacrament met de catechese de belangrijkste. Men vergete niet, dat de predikanten dagelijks hadden te prediken. ledere dag was er kerkdienst. Dit betekende een dagelijkse zielszorg in de kerk. De Reformatie heeft de verplichte biecht afgeschaft. Toch bleef er een behoefte bestaan aan het gesprek onder vier ogen. Het pastorale gesprek voorzag in die behoefte. Kortom, eeuwenlang ontving het volk een intense zielszorg.

Franse revolutie

De Franse revolutie heeft dit alles sterk veranderd. De gegoede derde stand nam de macht in handen. Zij ontdeed zich van „God en de meesters". Het is een overbekend feit, dat de Franse revolutie niet ontstond door verdrukking. Zij kwam voort uit de welgestelde burgerij die geen invloed op de regering had. Om toch 'n ideëel motief te hebben en om bondgenoten te verwerven, wierp die welgestelde burgerij zich op tot bevrijder van het arme deel der burgerij. Het is bekend, dat deze nieuwe meesters veel harder waren dan de oude. De geschiedenis laat het resultaat zien. Het volk werd onder de nieuwe leiding der welgestelde burgerij tot proletariaat.

Niet de godsdienst is aansprakelijk voor het ontstaan van het proletariaat, maar juist het ongeloof van de Franse revolutie. De welgestelde burgerij wist de nieuwe technische vindingen in handen te krijgen. In de fabrieken werd het volk rechtloos gemaakt. De fabrieken vielen buiten de feodale rechten der gilden, d.w.z. buiten de rechten, die de religie had geschonken.

Niet overal trad de gegoede burgerij zo op. In de Calvinistische republiek had de voorname burgerij reeds bij de tachtigjarige oorlog een belangrijke invloed gekregen. Deze had voor een deel een aristocratisch karakter gekregen. Het Calvinisme had de burgerij een onmiddellijke band met de levende God gegeven. Die band maakte de burgerij voornaam en geweldig, kortom edel. Daarom werd het volk niet tot proletariaat. Het eenvoudige Calvinistische volk had iets voornaams. Het wist zichzelf uitverkoren, letterlijk elite.

In de republiek was helaas ook een andere tendens, die zich vooral openbaarde in de Staatsgezinde partij met haar partijbelang en libertinisme. De partij van Van Oldedebameveldt en Johan de Wit heeft de Franse revolutie mee helpen voorbereiden. Zij waren de voorlopers van de latere bourgeoisie, die het volk tot rechtloze proletariërs maakte. Het is niet toevallig, dat dit volk altijd bij de Prinsen van Oranje steun zocht tegen die tirannie. Er was echter een andere aristocratie, namelijk die van de Calvinistische regenten, die met Oranje het heil des volks zocht.

Vacuüm

Als de Franse revolutie en haar gevolgen een groot deel van het volk tot rechtloze proletariërs heeft gemaakt, door het los te maken van de religie en de oude meesters, ontstaat een groot vacuüm.

De invloed van de kerk is steeds geringer geworden. Het proces van de secularisatie verloopt steeds sneller. Dit betekent, dat de oude oefening der barmhartigheid steeds minder wordt. De oude verbanden en gemeenschappen gaan steeds meer verdwijnen. Dit betekent, dat de eenzaamheid steeds meer toeneemt. Hoe langer hoe meer wordt de moderne mens een volstrekt verlatene. Hij wordt tot massamens. Het kenmerkende van die mens is, dat hij geen God en geen naaste meer heeft.

Het is duidelijk, dat een mens zo niet kan leven. Een mens is geschapen in het Beeld Gods, dat wil zeggen: hij is mens in zoverre hij gemeenschap met God en zijn naaste uitoefent. Als dit ontbreekt, schreeuwt hij om vervanging van het verlorene.

De geschiedenis van de 19e eeuw laat die noodkreet duidelijk horen. Het negentiende eeuwse proletariaat gevoelde zich geheel verlaten. Het werd op de schandelijkste manier uitgebuit. Niet de religie was hiervan de oorzaak, maar juist het ontbreken van religie. Hoe komt het nu, dat het proletariaat zo anti-religieus werd, Ja zelfs de godsdienst aanzag voor de oorzaak van de ellende? De bourgeoisie, die zelf niet meer geloofde, misbruikte de godsdienst als een middel om het volk gelaten en rustig te maken. Onder invloed van de bourgeoisie werd de kerk geteisterd door een liberale onschriftuurlijke leer van zoetigheid en gelatenheid. Met alle middelen werd die leer in de kerken verbreid. De belangrijkste sleutelposities werden door mannen van die leer bezet.

Ik moet er met nadruk op wijzen dat .deze lieden die de kerk verwoestten, gesteund werden door hun geestverwanten buiten de kerk, de gegoede bourgeoisie. Daarom is het protest van de orthodoxie tegen deze liberale kerkleer ook voor het maatschappelijk leven van groot belang geweest. Het Calvinistische volk heeft nooit van die gelatenheid willen weten. Daarom heeft het Calvinisme zich altijd voor het maatschappelijk leven geïnteresseerd. De strijd van de orthodoxie in de 19e eeuw tegen de liberale theologie is daarom mede zo belangrijk, omdat de orthodoxie de corrupte achtergronden van de liberale theologie zag: de liberale theologie, die zelf geen geloof meer bezat, wilde het volk tot een willoze proletarische massa maken.

Het is kenmerkend, dat de orthodoxie zich hiertegen heeft verzet op grond van de Heilige Schrift, Die geen gelatenheid, maar barmhartigheid eist. Ik noem twee voorbeelden. Het Reveil, stammend uit de orthodoxie van Bllderdljk heeft een aristocratisch schriftuurlijk protest gesteld tegen de liberale uitbuiters. Het is bekend, dat mevrouw Groen van Prinsterer en mevrouw Da Costa persoonlijk aan de grootste bloedhonden van uitbuiters de les gingen lezen, hetwelk grote resultaten had. Daarbij herinner ik aan de vele grote dingen, die het Reveil heeft gedaan.

Helaas is de invloed der orthodoxie veel te klein geweest. De orthodoxie was zelf in een strijd op leven en dood met de tijdgeest gewikkeld. Zij was ook niet meer in staat om het volk te bevrijden.

Techniek

Niet alleen de verandering van meesters had het volk in die grote nood gebracht. De veranderingen, die de techniek in de samenleving had gebracht, hadden ook grote gevolgen. De techniek vervreemdde de mens van de Schepping en van de natuur. Het scheppend ambacht werd velen ontnomen. Voor het edele ambacht trad een loonslavernij in de plaats. Steeds meer verloor het leven zijn vreugde. In de industriële samenleving was eigenlijk geen plaats meer voor het idyllisch feodale, noch voor het pastorale diaconale, omdat de kerk haar invloed op de samenleving steeds meer had verloren.

De nood van het proletariaat was groot. In het socialisme kreeg de nood stem. Het georganiseerde proletariaat stelde haar eisen aan de machthebbers. Die eisen werden steeds meer ingewilligd. Eén van de belangrijkste dingen was het sociale werk. Dit betekende niet alleen een materiële bijstand, maar veel meer. Het sociale werk moest vervangen, wat eens in zielszorg en diaconaat door de kerk geschonken werd.

Zonder die vervanging zou de moderne maatschappij geheel zijn vastgelopen. De vraag, die wij moeten beantwoorden is: heeft in de huidige situatie christelijk maatschappelijk werk nog zin van bestaan, of kunnen christenen slechts medewerkers zijn in het algemeen maatschappelijk werk?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juli 1976

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

Maatschappelijk werk (I)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juli 1976

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken