Bekijk het origineel

UIT DE KERKELIJKE PERS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

UIT DE KERKELIJKE PERS

9 minuten leestijd

<br />

Moderne Naastenliefde

Over „moderne naastenliefde" schreef ds. C. Jongeheer in het „Hervormd Weekblad" van de Confessionele Vereniging binnen de Ned. Herv. Kerk. Zijn verhaal zou door tallozen kunnen worden aangevuld.

„Onlangs kwamen mijn vrouw en ik in een welvarende gemeente in het Gooi. Het was al in de avond en we moesten nog eten. Dus begaven we ons naar een restaurant om wat te gebruiken. Rondom dit restaurant waren de straten druk bezet met publiek. Men had veel bloemen bij zich en met enige vertedering stelden we vast, dat ook hier, gelijk in veel plaatsen in ons land, sprake moest zijn van een avond-vierdaagse. We zagen echter nog geen deelnemers en besloten maar gauw de auto te parkeren en vanuit het restaurant het gebeuren gade te slaan. Want zoiets doe ik graag, als ik niet mee hoef te lopen. We hadden echter wat pech, want voorbij het restaurant had men, zoals dat vaak voorkomt, zeer egoïstisch geparkeerd, d.w.z. met grote tussenruimten, omdat men niet geleerd heeft in te parkeren en niet denkt aan anderen, die ook hun auto kwijt willen voor een paar uren.

We keerden dus terug, zo langzaam mogelijk, want we wilden de menigte niet hinderen. Er waren nog steeds geen sportieve wandelaars te zien.

Plotseling sloeg iemand met zijn volle vuist zo hard hij kon tegen de ruit, rukte daarna het portier open en begon te roepen: „Schoften, die jullie zijn, kunnen die arme stakkers je dan geen ... schelen?"

Bij de eerste klap op de ruit was ik al zo geschrokken, omdat ik meende iemand aangereden te hebben zonder iets te hebben opgemerkt, dat ik al had geremd en ik stond ook meteen stil. Ik begreep er niets van, stapte uit en vroeg wat er aan de hand was. Mijn vraag was olie op het vuur. De man barstte los in verwensingen, maar maakte ook duidelijk, dat er een avond-vierdaagse was van gebrekkige kinderen.

En ik zou dezen volgens hem niet genoeg ontzien hebben. Maar ik had er niet één gezien. En ik probeerde het aan zijn verstand te brengen. En ook, dat ik er vreemd was en niet wist van de gebrekkige kinderen. Er was trouwens nog niemand gepasseerd. Mijn vertoog mocht niet baten. Verslagen over mijn gebrek aan naastenliefde, door mijn niet-gebrekkige medemens geconstateerd stapte ik in mijn auto, achtervolgd door schimpscheuten. Op korte afstand stond een agent en regelde het verkeer. Toen ik wegreed zag ik in mijn achteruitkijkspiegel een paar kinderen schuin achter me de straat oversteken. Ze waren de eersten van een groep. Mijn vrouw huilde.

Later ga je over zoiets nadenken. Want 'n eerste reactie is niet mogelijk. Je bent te boos en te geschrokken.

Maar later, als je weer geordend kunt denken, verbaas je je over deze soort naastenliefde. En als je verder rondom je heen kijkt dan zie je het overal.

Het is dit: de moderne mens verwijt de kerk gebrek aan naastenliefde. Hij is geen christen meer, maar humanist of een andere -ist. Maar in alle gevallen zal hij de kerk willen verbeteren. Zo ook in de naastenliefde. Vorige week hoorde ik nog een groot politicus, wiens naam ik niet noemen zal, maar die ook van de kerk is weggegaan, met bewogen stem roepen, dat hij en de zijnen wat wilden doen voor de arme drommels. We lopen ook zo warm voor bevolkingsgroepen ver weg. En wie zal willen beweren, dat dit niet allemaal ontzaggelijk edel is?

Maar het valt me op, dat men bereid is uit liefde tot de naaste andere naasten de hersens in te slaan. Die scheldende man sloeg bijna mijn auto in puin uit liefde tot gebrekkige kinderen. Op de tv zie je opstanden, relletjes, gewelddaden uit solidariteit met verdrukte minderheden.

Hier zit iets mis. En je voelt het vooral, als de woede van zulk een liefhebbend medemens zich op jou richt. Dan kun je alleen maar vertrekken. En de ander triomfeert. Hij heeft het weer eens goed gezegd. Of hij zelf wat doet is een tweede.

Waren ze bereid?

Het eerste schriftelijke bericht over de situatie in Irian-Jaya van het zendingsterrein der Gereformeerde Gemeenten in „De Saambinder".

„In de nacht van 25-26 juni werden we gewekt door een hevige aardbeving die in onze vallei 7 mensen het leven kostte, doordat 5 hutten in het ravijn stortten. Rondom ons hoorden we rollende stenen en bomen naar beneden komen. Met de verschrikte Langdaers hebben we op het vliegveldje gebeden. Al spoedig na het aanbreken van de dag vernamen we dat onze achterburen zeer ernstig getroffen waren. Het dodental is nu op 329 geïdentificeerd. 39 dorpen zijn met inwoners en al bedolven onder het puin. 2 vliegvelden onbruikbaar. Enige duizenden mensen worden nog vermist zodat gevreesd wordt dat het dodental meer dan duizend zal bedragen.

In dat gebied (ongeveer 20 km van Langda) werd 80% van de tuinen verwoest. Dagenlang reeds worden we steeds weer opgeschrikt door trillingen maar gelukkig wordt er geen verdere grote schade veroorzaakt door de landverschuivingen. Vele mensen uit de vallei kwamen naar ons in angst. Kwam de Heere Jezus? Waren ze bereid?

In deze dagen voelen we Gods Almacht, en mogen we extra diensten met de mensen hebben.

In Bemela waar we met de jongens een plaats bouwklaar maakten voor Gerrits huis, was een beven voor de krachten der natuur en kwamen de mensen uit verschillende dorpen vragen stellen betreffende God en Zijn Woord. In een dorp (Wasumut) werden vele tuinen verwoest, en is de bevolking naar Langda geëvacueerd. De kinderen zijn bij Jaimy op school gekomen en jl. zondag mochten we ons verblijden in een opkomst van ongeveer 350 mensen in Langda. Zo zijn de Wasumut mensen dichter bij de Evangelie-verkondiging gekomen, waarvan we hopen dat het velen tot zegen mag zijn. We verstrekken aan deze evacuees dagelijks in emmers rijst van de zending, opdat de tuinen van Langda door deze grote voedselschaarste niet overbelast zal worden.

De aardbeving blijkt onverwachte mogelijkheden voor de Evangelie-prediking te bieden. De Heere doe ons de noden van het volk van Irian Jaya dragen in het gebed en ook hen, die in hun midden mogen werkzaam zijn".

Samen de mist in

Prof. K. Runia gaat in het „Centraal Weekblad" in op de bezwaren tegen synodale beslissingen in verband met het PCR-fonds.

„Kortgeleden circuleerde in de pers het bericht dat ds. D. Groeneboer, hervormd predikant in Haarlem-Oost, een brief geschreven had aan de synodes van de Gereformeerde Kerken en de Nederlandse Hervormde Kerk. Enige tijd later stond in Trouw het bericht dat de centrale hervormde kerkeraad van Haarlem adhesie betuigd had aan de brief van ds. Groeneboer.

In zijn brief schreef ds. Groeneboer o.a.:

„In Haarlem-Oost worden alle diensten van de Gereformeerde Kerk en van de Hervormde Gemeente gemeenschappelijk gevierd. Als één der voorgangers van deze christelijke gemeente meen ik u te mogen en moeten zeggen, dat uw agenda mij zeer verontrust: alle kans dat weer een kerk-gebonden doch politiek-afzijdig evangelie wordt hooggehouden. Als ik wel ben ingelicht, bent u van plan wel belijdenis en kerkorde ter sprake te brengen, maar niet te huilen van politiek-evangelische woede. Weer de kans dat wel „Here, Here" wordt geroepen, maar dat wij niet geholpen worden om de wil van God te doen". In welke lijn hij bij die woorden „politiek-evangelische woede" denkt blijkt uit het vervolg:

„Ik heb met de gemeente - Gereformeerd/Hervormd - eerbiedig Ulrike Meinhof herdacht, maar u zweeg pijnlijk over haar en ik vond geen stembekrachtiging van u... Ik heb in de naam van God verkondigd dat Hij er gekleurd op staat in Rhodesië en in Zuid-Afrika; dat Hij communist is in Italië; dat Hij katholiek is in Ierland; dat Hij Allah wil heten in Libanon, maar ik kreeg geen ruggesteun door ondubbelzinnige uitspraken van uwentwege".

Verder komen (natuurlijk) nog ter sprake: de levering van kernreactoren aan Zuid-Afrika; de „beroepsverboden" in Duitsland; soortgelijke verschijnselen aan de VU; de fabriek voor atoomafval; die de Duitsers vlak bij onze grenzen willen bouwen in het Hümmlinggebied. Aan het slot van de brief schrijft hij: „Hoe u uw tijd zult verdoen, als u rustig voortgaat met bedisselingen over geloof en leven der gemeenten. Uw belijdenis kan ik bij voorbaat niet luchten en uw kerkorde zal ik van meet af niet lusten".

Prof. Runia's reactie:

„Het Koninkrijk dat Jezus predikte is heel wat anders dan wat ds. Groeneboer vanaf de kansel in Haarlem verkondigt. Ik vraag me af, of hij wel ooit het woord van Jezus tot Pilatus heeft gelezen: „Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van deze wereld" (Joh. 18:36).

Blijkbaar doet ds. Groeneboer dit alles in Haarlem-Oost in het kader van „samen op weg". Blijkbaar moet het volgens hem zo en wordt dit in Haarlem-Oost aanvaard door Hervormden en Gereformeerden. Hoe dat kan is mij een raadsel. Dit mag dan „samen-op-weg" heten, maar vraag niet waarheen het gaat! Het is m.i. „samen-de-mist-in", waarbij de zon van het evangelie dat Jezus en zijn apostelen verkondigd hebben verdwijnt achter de dampen van een nieuw politiek wetticisme, dat Jezus en zijn Koninkrijk, zonder zelfs met de ogen te knipperen, annexeert".

Ongemakkelijk

Karl Marx was nu toch ook weer geen prettig heer. Dat doet ons Fritz. J. Raddatz geloven in „Karl Max, een politieke biografle". Kees Waagmeester schrijft in „Hervormd Nederland":

„Het motto dat hij aan Het Kapitaal meegeeft is: Volg je eigen baan en laat de mensen praten. Dat heeft hij waargemaakt. Het heeft ook te maken met zijn opvattingen over democratie, zouden wij zeggen. Raddatz wijst op wat Plato, één van Marx' lievelingsschrijvers heeft gezegd: het komt de verstandige toe te heersen. De bewoners van de staat moeten gedwongen worden tot die kennis te geraken, die wij als hoogste noemden, namelijk het goede te zien.

Zo wordt het begrijpelijk dat Marx aan Engels schrijft: „Onze benoeming tot vertegenwoordigers van de proletarische partij konden wij van niemand anders ontvangen dan van onszelf". Marx wil slechts weten van een kaderpartij, met een leiding die het weet.

Marx weet het. Hij heeft zichzelf aangewezen. Daarbij is hij zeer achterdochtig. Raddatz schrijft dat ieder die ook maar iets van zijn theorieën afweek, zijn vijand was, zo mogelijk daartoe aangezet. En: Het abstracte, utopische denken leidt tot intolerantie tegen hen die daarop kritiek hebben.

Opvallend is dat Marx vrijwel niemand verdraagt. Friedrich Engels, zijn beste vriend, blijft wat in hem zien. Die ontdekt zijn grote betekenis voor de geschiedenis van de wereld al tijdens Marx' glansloze leven en blijft naast hem staan. Engels financiert Marx bij wijze van spreken. Marx weigert een baan te aanvaarden; hij studeert, schrijft pamfletten, profileert zich door zijn tegenstanders op de korrel te nemen. Raddatz zegt: „Marx' levenspad is bezaaid met het puin van vernielde, weggegooide relaties. Met mede-revolutionairen, mede-emigranten, mede-communisten - nauwelijks één bleef over".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 31 juli 1976

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

UIT DE KERKELIJKE PERS

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 31 juli 1976

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

PDF Bekijken