Bekijk het origineel

In de eeuwen der Reformatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

In de eeuwen der Reformatie

xt «Oi©rr©iiWlpi©*IW

6 minuten leestijd

De sterrekunde leidde tijdens de Middeleeuwen een sluimerend bestaan. Dit was gevolg van de afwijzing door de kerk van de klassiek Griekse inzichten. Rond het jaar 1000 kwam enige kentering, die onder

door dr. T. A. Th. Spoelstra
invloed van een ruimer bekend worden van de geschriften der . Griekse wijsgeren steeds duidelijker vorm kreeg. Helaas bleek het christendom van die tijd niet in staat de sterrekunde verder te ontwikkelen en schiep een vermenging van de heidens Griekse wijsbegeerte met de theologie der De Leidse Sterrewacht rond 1960 Scholastiek ruimte voor verdere uitbouw van deze wetenschap. Een en Euider had tot gevolg, dat 1000 jaar na het afscheid van de Griekse cultuur de sterrekunde aan het eind der Middeleeuwen weer op hetzelfde niveau aangeland was als destijds verlaten werd.

Voorspel

In de 14e en 16e eeuw vond een opleving plaats van de belangstelling voor wetenschap. Rond 1160 stichtte men de universiteit van Parijs, die in de 13e eeuw een centrum werd voor de studie van de oude Griekse cultuur. In deze tijd ontstonden ook elders centra voor wetenschap en cultuur: Oxford, Florence, Bologna, Heidelberg e.d. Voor de sterrekunde betekende deze ontwikkeling een herbezinning op de grondbeginselen van deze wetenschap zoals deze beschreven waren in het werk van Ptolemeüs (± 160). Deze studie werd Het zonnestelsel volgens Copernicus vereenvoudigd, doordat het Grieks als taal weer bekend werd. Grote bekendheid kreeg met name Johannes Regiomontanus (1436-1476), die astronomische tabellen aanlegde voor zon, maan, planeten en sterren. Deze tabellen bleken uiterst waardevol voor de scheepvaart: vooral de Portugese en Spaanse zeevaarders maakten er gebruik van. Toch was hij nog wel een aanhanger van de voorstellingen van Ptolemeüs.

De enige, die de dagelijkse aswenteling' van de aarde leerde voor Copernicus, was Celio Calcagninl, hoewel de aarde in zijn voorstelling wel in het centrum van de kosmos bleef.

Het heliocentrische beeld

Tot in de 16e eeuw werd het stelsel van Ptolemeüs algemeen aanvaard. Het werd in de loop van de tijd steeds meer verfijnd. Zo is bekend, dat Oirolamo Francastoro (1483-1638) 79 epicykels nodig had ter verklaring van de bewegingen der hemellichamenl

Niklas Koppemigk ofwel Copernicus (1473-1643) kwam uitgaande van het stelsel van Ptolemeüs tot de slotsom, dat een nieuw stelsel logischer de waarnemingen kon verklaren. Het is immers beter te begrijpen, dat de aarde in 24 uur rond draait, dan dat de hemellichamen in razende snelheid in dezelfde tijd rond de aarde bewegenl Het centrum van de kosmos werd nu de zon. Daaromheen bewogen de planeten, waarvan de aarde nu ook een was. Dit „heliocentrische beeld" (helios = zon) werd gepubliceerd in zijn boek "De Revolutionibus Orbium Coelestium' (Neurenberg, 1543). De bekende Lutherse theoloog Andreas Osiander, die het voorwoord schreef, verzorgde de uitgave. Osiander, kennelijk beducht voor de invloed van dit nieuwe systeem, trachtte middels zijn voorwoord bij de lezer de indruk te wekken, dat Copernicus niet bedoelde een beschrijving te geven van de natuurkundige werkelijkheid, maar een werkhypothese. Copernicus' persoonlijke vrienden waren ervan overtuigd, dat Osiander in zijn voorwoord niet de mening van de schrijver weergaf.

Ondanks de grote vooruitgang met dit stelsel, kon Copernicus de bewegingen der hemellichamen slechts verklaren door toevoeging van een groot aantal hulpcirkels aan de planetenbanen in zijn voorstelling. Voor het hele zonnestelsel had hij er 34 nodig.

Het heliocentrische stelsel werd verder vervolmaakt door Johannes Kepler (1571-1630), die hiertoe de beschikking had over waarnemingen, die Tycho Brahe (1546-1601) op de sterrewachten te Uraniaborg en Stjemeborg in Denemarken deed. Later werd Brahe op de sterrewacht te Praag assistent van Kepler. Deze sterrewachten waren nog niet iiitgerust met sterrenkijkers, maar met instrumenten om posities aan de hemel op te meten. Op grond van deze waarnemingen week Kepler af van de gedachte, dat banen van hemellichamen ruimtelijk gezien altijd cirkels moesten zijn en hij introduceerde ovalen. Van Kepler zijn de wiskundige formules voor deze banen afkomstig, 't Merkwaardige is, dat hoewel deze formules lieten zien, dat de banen met ellipsen te beschrijven waren, Kepler zelf dat inzicht nog niet had en bleef bij zijn ovalen. Het beeld van Kepler bleek eenvoudiger dan dat van CoSatumus gezien door Ruygens in maart 1655 pemicus: voor iedere planeet was slechts één ellips nodig. Ter verklaring van de regelmaat in de afstanden tussen de planeten verviel Kepler echter in de getaldoctrine der oude Griekse Pythagoreeërs, terwijl hij allerlei astrologische eigenschappen van de vijf op. aarde zichtbare planeten afleidde.

Waarneming^en en theorie

Rond 1610 vond Galileo Galileï (1564-1642) de telescoop uit. En met dit instrument ontdekte hij een illustratie van het heUocentrisohe stelsel: Jupiter, de grootste planeet in het zonnestelsel had 4 manen, die als kleine planeetjes om de grote planeet heen bewogen (later zijn nog 8 manen ontdekt). Deze waarnemingen brachten hem in conflict met de r.k. kerk. De afgevaardigden van de Inquisitie weigerden zijn waarnemingen na te gaan en hij moest zijn ideeën herzien. Mogelijk vanwege de afkeer van Rome kon in de protestantse kringen het heliocentrische stelsel verder ontwikkeld worden.

De ontdekking van de telescoop betekende ook voor de sterrewachten nieuwe mogelijkheden. In navolging van de stichting van de Leidse sterrewacht in 1633 werden Instrumenten van Tycho Brahe: links: een armittarium (voor nauwkeurige positiebepaling aan de hemel); rechts: astronomische sextant. Satumns ook elders aan imiversiteiten sterrewachten opgericht. En ook de opkomst van de moderne natuurkunde garandeerde een grootse toekomst voor de sterrekunde. Het eerste instrument van de Leidse Sterrewacht was het kwadrant, dat Willebrord Snellius (1591-1626) gebruikt had bij zijn metingen om de afmetingen van de aarde te bepalen. Vooral Christiaan Huygens (1629-1695) en Isaac Newton (1643-1727) waren van grote betekenis voor de ontwikkeling van de natuur- en sterrekimde. Huygens verrichtte ondermeer baanbrekend werk op het gebied van de theorie der golfbewegingen, bouwde de eerste slingeruurwerken en deed waarnemingen, waarbij hij de ringen van Saturnus, de afplatting van Mars en de Orionnevel ontdekte. Newton was de grondlegger van de klassieke en theoretische natuurkunde, hemehnechanica, uitvinder van de spiegeltelescoop en ontdekker van de wetten voor de zwaartekracht.

Met deze nieuwe ontwikkelingen doemden voor de sterrekimde zowel theoretisch als praktisch oneindige vergezichten op. Vergezichten, die in de volgende eeuwen steeds fascinerender werden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1976

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

In de eeuwen der Reformatie

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1976

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken