Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Versterk positie minister voor wetenschapsbeleid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Versterk positie minister voor wetenschapsbeleid

Eigen takenpakket en verantwoordelijkheid

5 minuten leestijd

DEN HAAG — „Het blijft noodzakelijk om in het nieuwe kabinet het wetenschapsbeleid op kabinetsniveau als duidelijk identificeerbaar werkterrein te handhaven. Daarom blijft het wenselijk dat aan het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen twee ministers verbonden zijn" — dit schrijft de Raad van advies voor het wetenschapsbeleid in zijn Jaaradvies 1977.

In dit advies doet de Raad met het oog op de kabinetsformatie een aantal aanbevelingen voor de positie en de taak van de minister voor wetenschapsbeleid. De raad vindt dat in het thans demissionaire kabinet het uitgangspunt voor de coördinatie van het wetenschapsbeleid niet juist is gekozen. Daarom wil hij dat de minister in het nieuwe kabinet een duidelijk eigen takenpakket en een budgettaire verantwoordelijkheid krijgt. Daardoor zal de positie van deze bewindsman in het kabinet en tegenover het parlement worden versterkt.

„Een coördinerend bewindsman kan effectiever optreden als hij zélf de verantwoordelijkheid draagt voor de organisatie en financiering van althans een gedeelte van het fundamentele en het algemene toegepaste onderzoek, aangezien die hem in staat stelt door goede coördinatie de diepgang van het onderzoek van de vakdepartementen te vergroten en voorts mogelijkheden aan te duiden voor nieuwe terreinen van toegepast onderzoek" — zo stelt de RAWB.

De Raad meent dat in dit verband gekozen zal moeten worden uit twee varianten: een minister zonder portefeuille die belast is met de zorg voor het hoger onderwijs, inclusief het universitaire onderzoek en enkele grote organisaties als ZWO, TNO en de Koninklijke Akademie óf een minister zonder portefeuille die niet rechtstreeks is belast met de zorg voor de universiteiten, maar wel met die voor ZWO, TNO en de Akademie en die eventueel ook meer rechtstreeks wordt belast met enkele taken die thans aan de vakdepartementen zijn toevertrouwd.

Daling onderzoekuitgaven
De Jaaradviezen van de RAWB besteden in het bijzonder altijd aandacht aan de ontwikkeling van de uitgaven voor wetenschappelijk onderzoek. Daarbij beziet de Raad het in september j.l. dopr de Regering gepubliceerde wetenschapsbudget en geeft hij aanbevelingen voor de opstelling van het volgende wetenschapsbudget, waarin alle uitgaven voor onderzoek van de overheid vermeld staan. In het Jaaradvies 1977 heeft de Raad voor het eerst een methode gepresenteerd om deze uitgaven te corrigeren voor de inflatie.

Op deze manier kan een inzicht worden verkregen of het totaal van de onderzoekaktiviteiten (het z.g. onderzoekvolume) in de afgelopen jaren is gestegen of is gedaald. De Raad heeft dit gedaan voor de periode 1966-1976. Daaruit blijkt dat in de jaren 1966 t/m 1972 een gemiddelde jaarlijkse reële groei van 6.5% heeft plaatsgehad. Sinds 1972 is de R & D inspanning van de overheid echter nauwelijks gegroeid, aldus de RAWB. De meerjarencijfers voor de periode 1977 t/m 1981 voor de z.g. homogene uitgavengroep voor de wetenschapsbeoefening laten een totale daling zien van 5 %.

De Raad heeft berekend dat het onderzoek op terreinen als landbouw, industrie en handel en het sociaal wetenschappelijk onderzoek in verhouding nog wel iets zullen stijgen, terwijl het milieu-onderzoek, het volksgezondheidsonderzoek en de co'mputerscience daarentegen sterker dan het gemiddelde zullen dalen.

In het Jaaradvies gaat de RAWB ook uitvoerig in op het universitaire onderzoek en in het bijzonder op de z.g. Beleidsindicaties van staatssecretaris Klein voor de periode 1979-1983. De Raad is het van harte eens met de beleidsdoelstelling om de financiering en de verantwoording van het universitaire onderzoek los te koppelen van die van het onderwijs. „Daardoor wordt gebroken met de bestaande praktijk waarin aantallen studenten het uiteindelijk belangrijkste gegeven vormen dat de omvang van het onderzoek bepaalt.

De doelstelling van de staatssecretaris kan er sterk toe bijdragen dat de ontwikkeling van het onderzoek meer dan thans beïnvloed zal gaan worden door overwegingen van kwaliteit of taakverdeling" — zo schrijft de Raad. De RAWB heeft echter reserves met betrekking tot de wijze waarop deze voornemens in de Beleidsindicaties zijn uitgewerkt in het bijzonder wat betreft het aantal manjaren dat voor onderzoek zal worden besteed. De Raad beveelt voorts nog aan op korte termijn in enkele goed gekozen gebieden te beginnen met de opzet van „experimentele" landelijke taakverdeiingspatronen, in de vorm van z.g. zwaartepunten. Hiermee kan dan ervaring worden opgedaan bij het tot stand brengen van interuniversitaire samenwerking.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 4 juli 1977

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

Versterk positie minister voor wetenschapsbeleid

Bekijk de hele uitgave van maandag 4 juli 1977

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken