Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vogelspeurtocht door de zomerse polder

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vogelspeurtocht door de zomerse polder

10 minuten leestijd

Het is een prachtig^e maandag^morg^en. We zijn vroeg opgestaan om eens de polder in te trekken en ons op de hoogte te gaan stellen hoe onze vrienden, de vogels, het maken. Gelukkig hebben we het weer vandaag b^zonder mee. Als we tegen zessen de polder inreden staat de zon al een eind boven de horizon in haar volle pracht te schijnen en dat geeft het landschap een b^zonder fris en vroiyk aanzien.

De bomen zijn in vol ornaat met hun bladerentooi. Ook veel bloemen verlevendigen het frisgroene weidelandsohap met hun kleuren. Soms overheerst het vrit van de madelieven, daar steekt de rode zuring zijn kop op en ergens anders komt het felle geel van de koolzaadbloemen te voorschijn.

Het eerste doel van onze tocht is een aangeplant bosje, waar wat elzen zijn gepoot op een struikaohtige ondergrond van hondsroos. In dit bosje meenden we enige tijd geleden een vogeltje te horen, dat we eens graag van nabij zouden zien. Als we het bosje aan een inspectie onderwerpen, zien we al vrij snel een lichtgekleurd vogeltje, zo groot als een mus, dat steeds enkele korte fluitgeluidjes uitbrengt. Omdat hij nogal heen en weer springt, zullen we nog wel even nodig hebben om het vogeltje goed waar te kunnen nemen. Maar na enig wachten wordt onze moeite beloond, want we zien een lichtgrijs kopje met een opvallend witte keel verschijnen. ....... Dit, samen met de, roodbruine vleugels V3jBiö«»>ei al eerdersstege» en' dê stsie^i»?»:^^. ";';*193o"rde zang, doet'het vermoeden'Tiietf •' «en grasmus te maken te hebben, be; waarheid worden.

„Struikvogrels"

De grasmussen behoren tot de familie van kleine zangvogels. Deze vogels voelen zich bijna allemaal het beste thuis in struikgewas. In ons land komen van deze familie de braamsluiper, de tuinfluiter, en de grasmus in meer of minder grote aantallen voor. In de winter zoeken ze warmere oorden op. zodat ze alleen in de zomertijd in ons land bivakkeren.

Wat verder in het bosje horen we een vogelgeluid dat wat vreemd aandoet. Soms wordt het een mooi wijsje, maar dan ineens is het alsof we met een pickup te maken hebben waarvan iemand de stekker uit het stopcontact haalt, want de vrijs loopt ineens af. Even later horen we een hard ,Jcék-kék", een geluid zoals ook de rietzanger weleens maakt en dan ineens weer een vloeiend „oeeiiiit". Dit is nu de vogel van enige tijd geleden en na enig scherp kijken zien we de mooie, gele spotvogel zitten. Wat opvalt aan deze vogel is het hoge voorhoofd.

Weidevog'els
. Nu zijn we lang genoeg bezig geweest met deze kleine zangers en we gaan weer eens wat verderop, om zo mogelijk wat weidevogels in het vizier te krijgen. We hoeven niet lang te wachten, want al vrij spoedig horen we een hoog „tepieettepiet-tepiliet" en daar zien we de wltzwarte scholekster rondvliegen. Het is eigenlijk voornamelijk een strandvogel, doch ze is ook veel in het binnenland te zien. Ze is groter dan de kievit, in wiens buurt ze vaak te vinden is. Door haar grote, oranje snavel en haar rozerode poten is ze echter duidelijk van de kievit te onderscheiden, terwijl in de vlucht de gepunte vleugels duidelijk anders zijn dan de rondaohtige van de kievit.

Ook de kieviten zelf vertonen wel enige activiteit: al duikelend vliegen ze in het rond. Toch zijn zij niet dè actiefsten, want als we verder kijken zien we ook de grutto's door de lucht wentelen en duikelen. Deze prachtige vogels bevinden zich overal, waar je ook heen kijkt.

Gevecht

Hoogtepunt in de vertoning die ons vanmorgen bezig houdt, is echter wel als een paar kraaien (eierrovers van formaat, doch ook nuttige vuilopruimers) het gebied van de grutto binnenvliegen. Op het eerste alarmgeroep van een grutto komen ogenblikkelijk van alle kanten de steltlopers in het geweer. Achter elkaar zie je ze opstijgen om daarna onder luid geroep op de indringers af te gaan. Als je op het geluid afgaat, lijkt het wel alsof er vele honderden kieviten, scholeksters en grutto's in de WdSï' zijl»..'én'; Sèiti •zie je horTMÏr^^^Wiaróhs ' stéRIöipèrs zich op de forsere kraaien weiiJen, die dan ook al weer spoedig van het terrein verdwenen zijn. Als het rumoer wat bedaard is gaan we maar verder.

Al met al zijn we haast de andere vogels in de polder vergeten. Dat is echter niet de bedoeling en daarom nemen we nog wat tijd om rustig naar de bijna altijd zingende leeuweriken te kijken, die hun vrolijk liedje dan vanaf een molshoop op de grond, dan weer hoog in de lucht uitsohallen. Ook graspiepers zijn volop in de weer. Het zijn net kleine leeuwerikjes, alleen wat kleiner en ze hebben een groenige tint. Soms begeven ze zich al zingeijd in de lucht, net zoals de leeuwerik, doch zij houden dat niet zo lang uit ais de leeuwerik, maar ze bevinden zich alras weer op de begane grond.

Torenvalken

Aan het eind van de polder zien we nogal eens torenvalken. Ook nu zien we weer een stelletje van deze mooie stootvogels, die onze polders ontdoen van de muizen, hoewel ook een spreeuw niet versmaad wordt. Het mannetje met zijn mooie grijze kop houdt vanuit een boomtop de omgeving wat in de gaten, terwijl het vrouwtje dit vanuit een lager gelegen positie doet.

We zien nog een fazantenhaan, wiens groen-met-rood. gloeiende kop mooi afsteekt tegen het hoge gras. We komen nu voorbij een plaats waar altijd boerenzwaluwen broeden en als we daar vlakbij een modderige plas water zien, stoppen we even. En ja hoor, daar komen ze al kwinkelerend aanvliegen. Ze strijken bij het plasje neer, nemen hter een hap, daar een snap en vliegen met een snavel vol modder weer weg naar hun woning In aanbouw.

Het is ontzettend leuk aan deze vogeltjes eens wat aandacht te schenken. Hoe mooi is de staalblauwe rug met de lange staartpennen en het roodbruine keeltje steekt prachtig af tegen het witte buikje. We rijden nu een ander soort landschap in. Links van ons zijn weilanden, maar rechts loopt een brede sloot, die omzoomd wordt door de resten van wat eens brede rietkragen waren. Hiertussen staan wat elzen en hier en daar een wilg.

Anders

We zien hier een heel andere plantenwereld, dan in het weiland. Om enkele voorbeelden te noemen: Ten eerste is daar het jonge riet met zijn zwarte pluimen, waartussen hier en daar de gele dotters zich vertonen; ook is hier de paarse dovenetel rijkelijk vertegenwoordigd, de valeriaan met zijn grote bloemschermen vind je hier, terwijl er ook enkele soorten kruiskruld bloeien. Ook de paarsgekleurde hondsdraf is hier in rulme mate aanwezig en je ziet ook het tere blauw van de ereprijs.

Wat al direct opvalt is de ruime aanwezigheid van rietgorzen en rietzangers, die we nog wel kennen. De rietgors is dat vogeltje dat zoveel pp een mus lijkt, alleen wat scherper getekend en met een geheel zwart kopje. De rietzanger is een vogeltje met een crème bulk, roodachtig bruine vleugels en staart en een roomgele oogstreep. Hij kan bijzonder leuk andere vogels imiteren, terwijl ook zijn eigen repertoire er zijn mag.

Als we een eindje op weg zijn, zien we een bruinige vogel op de kade scharrelen, die een wat schor „korr-korr" laat horen. Het lijkt wel een achtergebleven kramsvogel. Als we echter dichterbij komen verdwijnt de vogel in de rietkraag, en weldra klinkt het „kbrre-korre-korre-kietklet-kiet". De vogel is dus geen kramsvogel, maar een grote karekiet. Als we even rondkijken zien we hem zitten, rechtop, zich vasthoudend aan de rietstengels. De vogel is bijna zo groot als een spreeuw; kop, vleugels en staart zijn egaal lichtbruin, de buik is crème en hij heeft een vrijwel witte keel. Een vrij duidelijke oogstreep siert de kop. Deze vogel is de grootste neef van de rietzanger en behoort samen met deze kleine karekiet en de bosrietzanger tot de familie der rietzangers, die in ons land 's zomers vrij algemeen voorkomen.

Koekoek

Bij de eendekooi horen we het prachtige zuivere geluid van de koekoek. Deze grote, blauwgrijze of bruingrijze vogel geniet de meeste bekendheid door het feit dat hij zijn eieren in de nesten van zangvogeltjes deponeert. Bij het »dtkomen duwt het koekoeksjong de andere eieren en eventuele pleegbroertjes en -zusjes zonder gewetensbezwaren over de nestrand, waarna zij geen enkele overlevingskans meer hebben. Het aldus alleen overgebleven koekoeksjong wordt daarna door-zijn pleegouders met meerdere of minderet moeite -.^grootgebracht Bij veel mensen staat dé koekoek dan ook niet al te best aangeschreven.

Wie echter eenmaal de koekoek van zeer dichtbij heeft horen roepen, vergeet op slag het parasitisme van deze vogel. Het geluid is zo oneindig zuiver, dat het eigenlijk niet te beschrijven is, zodat we pogingen daartoe maar naJaten. Als de koekoek even later wegvliegt, waarbij we de gesperwerde borst kunnen zien, vervolgen we onze tocht, begeleid door het gekrakeel van de rietzangers. De kiemt, die elk jaar weer de lente aankondigt.

Onder een hoge boom houden we halt omdat we het schuchtere begin vaii een bekend vogelliedje horen; en ja hoor, na even wachten komt het: „tjif-tjaf-tjif-tjaftjif-tjaf', vele malen herhaald. Het is de tjjftjaf die deze gelegenheid benut om_ daar met zijn naam te pronken. De tjiftjaf is een klein geel vogeltje, alleen ddor de zang van de fitis en andere leden van de loofzangerfamllie te onderscheiden.

Watervogels

Iets verder zien we een verdachte beweging in het riet en als we nauwkeuriger toekijken zien we, dat wat op het eerste gezicht op een paal leek, een roerdomp blijkt te zijn. Deze relgerachtlge vogel is zo algemeen bekend, dat een verdere beschrijving overbodig i«. Ook zien we nog wat zwarte sterns hun gracieuze wendingen in de lucht uitvoeren, waarbij ze ook niet vergeten om op zeer geregelde tijd in het water te duiken om daar hun voedsel te halen. Het is bijzonder aardig eens even naar deze vogeltjes te kijken en dan in gedachten te raden waar ze het volgende moment heen zullen vliegen. Je raadt bijna altijd verkeerd, zo grillig zijn hun bewegingen.

Als we even Later nog eens naar het water kijken, dat intussen de kade aan. beide zijden omsluit; zien we een sloh^ eend zwemmen, terwijl een eindje verder een smient onder de walbegroeüng verscholen ligt. De smient is een vrolijk gekleurd eendje, waarvan wel het itieest opvallend is: de, voor een eend, korte snavel en het oranje bruine kopje met een geelbruine kruin. Ze worden in de winter in grotere aantallen in ons land gezien dan 's zomers.

AI voortgaand zien we ook nog een paartje koekoeken wat capriolen uithalen bij.een paat wilgen en dan2ljn we bijna weer in de bebouwde kom aangeland, zodat mussen en spreeuwen, samen met de zwaluwsoorten de boventoon gaan voeren.

Dat is dan het einde van een prachtige tocht door Oods schepping, die door Zijn machtwoord is gemaakt. Laten wlJ, aJs mensen die daarvan deel uitmaken, uit eerbied voor de Schepper trachten het vamielen van de natuur, wat op zo grote schaal plaatsvindt, zoveel mogelijk tegen te gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juli 1977

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

Vogelspeurtocht door de zomerse polder

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juli 1977

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken