Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Hemelse schatten

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hemelse schatten

6 minuten leestijd

Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft en waar de dieven doorgraven en stelen; maar vergadert u schatten in de hemel, waar ze noch mot noch roest verderft en waar de dieven niet doorgraven noch stelen.

Mattheüs 6:19 en 20.

U moet deze tekstwoorden maar eens goed tot u laten doordringen. Wat worden we eigenlijk door deze woorden veroordeeld. Wat doen we van nature? Wel dan zoeken we juist de schatten van deze aarde, dan zoeken we de dingen die toch voorbijgaan, als het één en het al. De één meent op zijn geld en goed zijn geluk en zaligheid te kunnen bouwen. Oe ander meent op zijn wijsheid zich te kunnen verlaten. Weer een ander zoekt zijn troost in zijn goede werken. Hij meent dan zoveel goedheden te hebben dat hij zijn ziel gerust kan stellen. Wat zoekt de mens toch de dingen van deze tijd.

Nu zijn er nog veel groter en heerlijker schatten, dan wij van nature menen dat er zijn. Daarvan wordt in onze tekstwoorden gesproken. Dat zijn de hemelse schatten. Die schatten zijn veel kostbaarder dan al het goud en zilver. En wie déér deel aan heeft, die heeft vrede met God. Wat is er rijker dan voor eeuwig met God verzoend te zijn? Wat is er rijker dan om verlost te zijn van de macht der zonde? Om der zonde wil is alles op aarde zo betrekkelijk. Om der zonde wil rust hier op alles de vloek Gods. Maar hoe anders is het met de hemelse schatten. Daar rust geen vloek op.

Hoe zou de mens dan toch vóór alle dingen die hemelse schatten moeten zoeken. Maar helaas, van nature verwerpt hij juist dat, wat hem het meest gelukkig zou doen zijn. Het trekt hem dan niet verlost te zijn van de zonde. Hij begeert van nature het teven met en door de Heere niet.

Wat een dwaasheid openbaart de mens toch. Verstaan we dat? En is het ons tot schuld geworden, dat we zo achter de dingen van deze wereld aanjagen en dat we Gods genade en Gods goedertierenheid zo verachten? Waar God hèt zoeken naar die hemelse schatten in het hart legt, daar leert men zijn dwaasheid en schuld verstaan. Daar moet de ontdekte zondaar het belijden: Al hetgeen ik meende te hebben en al datgene waar ik op meende te kunnen bouwen, dat is niet in staat om mij voor God te doen leven.

Gods kind leert het verstaan: geen enkele schat der wereld, al waren het al de zogenaamde goede werken der mensen kan mijn schuld wegnemen ën mij rechtvaardigen voor God. Gods kind leert zijn armoede kennen en zó leert het die hemelse schatten, waar Gods Woord zo wonderlijk van spreekt, zo nodig krijgen.

De ware zoekers van de hemelse schatten leren het verstaan, hoe ze Christus en dat, wat Hij door Zijn lijden en sterven verworven heeft, zo nodig hebben. Niets op aarde kan vergeleken worden met wat daar bij Christus aan de rechterhand des Vaders is.

Hebben we in waarheid dat leren verstaan, hebben we In waarheid al het onze als niets leren achten en hebben wij Christus en Zijn gerechtigheid leren nodig krijgen?

Wat een zaak toch, waar we dat verstaan en waar we ons zelf verfoeiend en verootmoedigend in Hem het leven zoeken. Die in Christus het leven zoeken, belijden het: Heere ik heb alles verzondigd, ik ben tiet niet waard, dat Gij mij aanziet, maar nochtans leren ze het gebed verstaan: Wees mij genadig o God, om wat bij u te vinden is. Niet bij mij, maar bij U in Christus Jezus is dat, wat met God verzoent en leven doet. Hoe groot waar we zo ootmoedig en afhankelijk tot God uitmoeten en die hemelse schatten zoeken.

Hoe is daar in Christus toch gerechtigheid voor zulken, die moeten uitroepen: Ik heb geen enkele gerechtigheid, het is alles ongerechtigheid bij me. Hoe is daar in Christus heiligheid voor zulken, die zo moeten zuchten vanwege het gemis aan heiligheid en het moeten belijden: Als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij nabij.

Ja hoe krijgen zij, die op de weg des levens leren wandelen Christus en Zijn genadegaven zo nodig. Steeds meer leren zulken zien, hoe het hun aan alles ontbreekt, steeds meer leren ze verstaan, hoe erg het is aan de zonde onderworpen te zijn. En hoe leren ze al meer en meer de onmisbaarheid van Christus en Zijn hemelse gaven verstaan. Wat een rijke zaak dan toch, als God door de bedlening van Zijn Geest en Woord het Zijn kinderen, die niets in zichzelf hebben om op te steunen, komt te betuigen: Zie eens, wat daar bij Mij voor u is. In Mijn Zoon heb ik u genade en leven, gerechtigheid en heiligheid bereid. Ja wondere zaak dan in een levend geloof te verstaan, dat God ons om Christus wil genadig is.

En nu, onderzoek uzelf. Waar is uw hart? Is het nog bij de dingen van deze aarde, die toch voorbijgaan? Jaagt u de schatten van deze aarde na als het allerhoogste? Hebt u nog nooit geleerd, hoe arm u in uzelf bent, al moogt u veel in deze wereld hebben? Wat is het dan droevig met u gesteld. U mist de vrede, die alle verstand te boven gaat. Het oordeel Gods rust op u.'

Laat deze tekstwoorden toch tot u doordringen. Versta wat God u voorhoudt. Verneder u voor God, en bid Hem dat Hij uw ogen opent en dat Hij u verlost van dat gaan op de wegen des doods. Wat wens ik u toch toe, dat u in waarheid voor Hem leert buigen, uw zonde en dwaasheid Hem leert belijden, en Zijn genade en ontferming om Ch.ristus wil leert zoeken. Hoe groot is het, zo daar door Gods genade in uw leven een zoeken geboren werd naar die dingen, die daar boven zijn, een zoeken van de hemelse schatten, Zalig zo waarlijk Christus en Zijn gerechtigheid u onmisbaar en noodzakelijk is geworden.

't Is waar, wat kunnen zij, die op de weg des levens leerden gaan, toch weer na ontvangen genade opgaan in de dingen, die voorbijgaan en zo ver van God af leven. Niet alzo, gij die de Heere hebt leren vrezen en lief krijgen. Geeft toch goed acht op dat, wat God ons in Zijn Woord te zeggen heeft. Laat het Woord Gods u maar bestraffen en u uw zonde voor ogen stellen. Laat het Woord Gods u maar voorhouden: Maar vergadert u schatten in de hemel, waar ze noch mot noch roest verderft en waar de dieven niet doorgraven noch stelen. Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is zittende aan de rechterhand Gods.

Mogen er maar velen zijn onder jongeren en ouderen, die door Gods genade niet meer in het hunne en niet meer in hun werken, maar in Christus en Zijn genadegaven het leven zoeken en de bede verstaan: Regeer ons door Uw Woord en Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen.

Katwijk aan Zee ds. J. Vroegindeweij

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1977

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

Hemelse schatten

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1977

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

PDF Bekijken