Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Jodocus van Lodenstein overleed vóór 3 eeuwen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Jodocus van Lodenstein overleed vóór 3 eeuwen

Bekend predikant-dichter der Nadere Reformatie

7 minuten leestijd

UTRECHT — Vandaag is het juist drie eeuwen geleden dat de bekende Utrechtse predilcant-dichter Jodocus van Lodenstein op 57-jarige leeftijd overleed. Het was 6 augustus 1677 's morgens om drie uur, toen hij zijn laatste woorden zuchtte: „Ik ben zeer vol van gedachten". „Hemels, hemels", had hij kort tevoren in het overdenken van de Goddeliike heerlijkheid nog uitgeroepen.

Na zijn overlijden typeerde zijn levensbeschrijver ds. Van der Hooght Van Lodenstein aldus: „Dat grote voorbeeld van ongeveinsde godvrezendheid, dat sieraad van Gods Kerk, die kweker van zoveel geestelijke oefeningen en heilige plichten, die worstelaar in 't bidden, die wonderlijk begaafde op de predikstoel". Nimmer leefde hij voor zichzelf, altijd was zijn arbeid „voor de Heere, voor de Kerk en voor Sions kinderen".

Door zijn zelfverloochenend leven en zijn arbeid als zieleherder in woord en geschrift, verkreeg Van Lodenstein een waardige plaats in de rij Hollandse geloofshelden. Hij was wel een van de meest typerende vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie. Leer en leven waren bij hem één. Hij was een ijverig voorstander van de gereformeerde leer en als middel in Gods hand beïnvloedde hij — ook door zijn navolgers — ons vaderlandse kerkelijk leven tot de dag van vandaag.

Leven

Jodocus of Joost van Lodenstein werd op 6 februari 1620 geboren te Delft. Zijn vader was daar een van de stadsregenten. Al vroeg leerde Van Lodenstein door genade gering te zijn in eigen ogen, opdat de Heere door hem verheerlijkt mocht worden. Zijn milieu stimuleerde hem niet tot het predikambt, maar de Heere Zelf riephem ,,om zielen te vangen en Sion te bouwen".

Omstreeks 1640 studeerde Van Lodenstein in Utrecht theologie onder leiding van Voetius en in Franeker onder Cocceius. Op 28 augustus 1644 werd hij bevestigd in zijn eerste gemeente Zoetermeer. Tot ver in de omtrek zegende de Heere Van Lodensteins prediking. Na zes jaar vertrok hij naar het stadje Sluis in Vlaanderen. Evenals in zijn eerste gemeente moest hij daar zijn vermaningen laten volgen door het toepassen van de kerkelijke tucht.

Op 17 april 1653 werd Van Lodenstein bevestigd als predikant van Utrecht. Tot zijn overlijden zou hij in deze stad arbeiden. Door zijn genade en gaven kreeg hij bijzondere achting in de gemeente. Voor vriend en vijand was zijn godvruchtige levenswandel een voorbeeld. Sober en ingetogen leefde hij; ernstig kon hij spreken over de omgang met de Heere.

Naast de veelvuldige prediking hield Van Lodenstein verschillende catechisaties, gaf hij praktische colleges aan de studenten en hield hij gezelschap in zijn ruime buitenhuis ,,Het Park" aan de Maliesingel buiten de stad.

Utrechtse kring

Een trouwe vriendenkring vormde zich rond de profetische figuur van Van Lodenstein. Zelden was er een stad waar zoveel predikanten waren die elkaar liefhadden in de vreze des Heeren, als Utrecht in de tijd van Van Lodenstein.

Tot de Utrechtse kring behoorden Van Lodensteins boezemvrienden ds. Justus van den Boogaart, wiens „laatste uren" door Van Lodenstein ontroerend beschreven zijn, professor Essenius en ook de al grijze Gisbertus Voetius, op wie Van Lodenstein later een uitvoerig gedicht „Ter nagedachtenisse" zou vervaardigen.

Ook gelijkgezinde ambtgenoten als Joh. Teellinck en Abraham van der Velde en verschillende studenten zoals Witsius, Wilhelmus a Brakel en anderen, bezochten de bijeenkomsten. Ook vrouwen als Anna Maria van Schuurman en Sara Nevius worden vermeld. Van der Hooght was als student meermalen bij het stichtelijke gezelschap aanwezig. Later getuigde hij: Maar nooit keerde ik van hem weder anders dan gesticht, opgewekt en overtuigd van zijn evenwichtige en altijd geestelijke omgang. Men sprak in ernstige redeneringen van de staat der kerk, van studie en van hetgeen Gods Sion aanging. De gezongen Psalmen en Van Lodensteins eigen liederen gaven aanleiding tot verklarende en opwekkende gesprekken. Krachtig bepleitten Van Lodenstein en zijn kring de doorgaande reformatie in de kerk.

Werken

De gedachten der Nadere Reformatie vonden hun verwoording in Van Lodensteins geschriften. Zijn deels postuum verschenen hoofdwerk „Beschouwinge van Zion" vertolkt in een samenspraak tussen een predikant en twee ouderlingen de zorg over de treurige toestand van de kerk. Belangrijk is ook de ,,Weegschale der onvolmaaktheden", waarin wordt aangetoond dat de gebreken der wedergeboren Christenen geen kleinigheden, maar zware zonden zijn. De nagelaten preken van Van Lodenstein vonden pas later een plaats in verzamelbundels en hebben een ruime verspreiding gevonden.

Tale Kanaans

De bevindelijke taal in Van Lodensteins werken heeft het gebruik van de „Tale Kanaans" gestimuleerd. De onwetendheid in goddelijke zaken wijt Van Lodenstein zelfs aan onkundigheid in de termen van het zieleleven en het „ongebruik en vergeten van de tale van Kanaan". Maar ,,alle praktijk zonder de kennis der zaligheid" noemt hij „maar een schijn van godzaligheid". Daarom roept hij de lezers op tot erkenning van zonde, zelfverloochening, bekering door Gods genade en een heilig leven in eenzaamheid met God gemeenzaam.

De steeds weer reformerende kerk heeft de kerkelijke tucht te paren aan de zuivere prediking. De dode geesteloosheid en de wereldgezindheid van zijn dagen brachten Van Lodenstein tot verwerpen van de formulieren en uiteindelijk het bezwaar het Heilig Avondmaal te bedienen. Als rechtzinnig gereformeerde schaarde Van Lodenstein zich aan de zijde van Voetius in de strijd om de zondagsviering en de autonomie van de kerk.

De dramatische gijzeling die Van Lodenstein in 1673 moest ondergaan als gevolg van de brandschatting die de Franse bezetters van de stad Utrecht eisten, was mogelijk een reactie op zijn waarschuwende en niemand ontziende prediking.

Dichter
Als dichter krijgt Van Lodenstein thans een plaats in de schaduw van de grote dichters van de Gouden Eeuw. Zelf schreef hij zijn liederen en gedichten zonder literaire pretenties, maar ter ere Gods: God al en het schepsel niets. In zijn rust- of uitspantijd, meestal 's zondags, dichtte hij een gezelschapslied of een dichterlijke toepassing op een gepasseerd voorval.

Een jaar voor zijn overlijden bundelde Van Lodenstein zelf zijn poëzie onder de titel Uyt-spanningen. „Ten opzichte van de geestelijkheid is het een liedboek zonder weerga", schreef ds. Willem a Brakel. Om de geestelijke waarde vond de bundel dan ook zo'n grote verspreiding onder de gezelschapsgangers van de achttiende eeuw. Pas de laatste kwart eeuw is er aandacht voor de poëtische waarde van Van Lodensteins verzen.

Invloed

Van Lodensteins invloed heeft ver doorgewerkt. Reeds drie eeuwen hebben zijn geschriften als zielevoedsel voor Gods kinderen mogen dienen, vooral in tijden waarin de verkondiging van het levende woord schaars was. Latere „oude schrijvers" beriepen zich in hun geschriften op Van Lodenstein en citeerden zijn gedichten. Vooral bij Schortinghuis vinden we sterke navolging.

In de negentiende eeuw werd Van Lodenstein bijzonder gewaardeerd in de kringen van de Afscheiding. Bij ds. Ledeboer is — misschien via Hieronymus van Alphen -enige dichterlijke invloed te bespeuren. Kruisdominee Elias Fransen kan wellicht als de laatste predikant die Van Lodenstein voortdurend citeert, worden aangemerkt.

Van Lodensteins typeringen van het kerkelijk en geestelijk leven hebben in onze dagen nauwelijks iets van hun actualiteit verloren. Daarom is het jammer dat de zeventiende-eeuwse taal en spelling voor velen een belemmering zijn tot onderzoek. Van Lodensteins woorden kunnen ook nu nog tot zegen gesteld worden.

In de geschiedenis van de kerk was Van Lodenstein een figuur van uitzonderlijke hoogte. Maar ook voor hem geldt: ,,Uit genade zijt gij zalig geworden", zoals hij zelf steeds weer uitdrukte, dat het ware leven buiten de mens niet te vinden is:

„Hoog, omhoog mijn ziel, naar boven!

Hier beneden is het niet.

't Rechte leven, lieven, loven.

Is maar daar men Jezus ziet".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 augustus 1977

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

Jodocus van Lodenstein overleed vóór 3 eeuwen

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 augustus 1977

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

PDF Bekijken