Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Organisatie rijksdienst niet voor eens en altijd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Organisatie rijksdienst niet voor eens en altijd

Den Uyl legt rapport voor aan kabinetsformateur

7 minuten leestijd

DEN HAAG — De regering heeft een organisatie nodig die passend is om het regeringsprogramma met een maximale kans op succes te verwezenlijlien en de lopende bestuurlijke processen goede voortgang te doen hebben. Het is echter niet zinvol een „blauwdruk" te ontwerpen voor de organisatie van de rijksdienst in de veronderstelling dat deze voor eens en altijd aan alle behoeften zou kunnen beantwoorden. Er zullen regelmatig bijstellingen nodig zijn op grond van maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Veelal is de kabinetsformatie het juiste moment om in de organisatie van de rijksdienst op hoofdpunten wijzigingen aan tet^ brengen.

! Van onze parlement-sredactie)

Het rapport van de „Ministeriële commissie interdepartementale taakverdeling en coördinatie" (MITACO), waaraan het bovenstaande is ontleend, is dan ook op het juiste moment uitgebracht. De verantwoordelijkheid van het rapport komt niet voor rekening van het demissionaire kabinet, maar is uitsluitend voor verantwoordelijkheid van de ministeriële commissie. Dit schrijft de voorzitter van de commissie, minister-president (demissionair) Den Uyl aan (ex-)kabi»etsformateur Den Yul. Uyl. moge /reemd klinken, doch is nietr zo ver^vinderlijk, aangezien drs. Den Uyl bij ie instelling van de commissie - 28 november 1975 - tot voorzitter werd benoemd. Verder hadden in de commissie zitting vice minister-president Van Agt en de ministers van Binnenlandse taken De Gaay Fortman en van Financiën Duisenberg, alsmede tot diens aftreden staatssecretaris Polak van' Binnenlandse zaken. Deze was o.m. speciaal belast met vraagstukken in:ake de organisatie van de rijksdienst.

De commissie heeft voortgebouwd 9p de analyses van het rapport van de toenmalige commissie-Van Veen (1971) en van het rapport over de organisatie van het openbaar bestuur (1975) van de Wetenschappelijke raad voor het'regeringsbeleid. In dit laatste rapport zijn aanbevelingen gedaan voor de interdepartementale, taakverdeling en coördinatie. '«''Pj^if:

Nietrigóüretts

De commissie is van oordeel, dat de organisatie van de rijksdienst niet bij elke kabinetsformatie rigoureus wordt gewijzigd op grond van accenten, die het nieuwe kabinet legt op bepaalde beleidsvoornemens en de daaruit voortvloeiende overheidstaken. De politieke verhoudingen in Nederland stellen grenzen daaraan. Ook vanuit een oogpunt van doelmatigheid van werken moet het belangrijk worden geacht dat continuïteit in de organisatie en de beleidsvorming verzekerd is. Het lijkt dan ook niet aannemelijk dat in de aantalen departementen en bewindslieden grote verschuivingen kunnen worden aangebracht, zo stelt de commissie in het rapport. In de toekomst zuilen knelpunten in interdepartementale taakvcrdc* ling en coördinatie moeten worden opgeheven door nog meer gebruik te maken van de horizontale aanpak via vormen van projectorganisatie. In het onderzoek dient ook de ministeriële verantwoordelijkheid te worden betrokken.

De coördinatie om, ten behoeve van eenheid in het regeringsbeleid, meer onderwerpen te begrijpen onder onderwerpen van regeringsbeleid die in de ministerraad aan de orde worden gesteld (besluit van 5 juni 1975) voldoet volgens de commissie goed. Toch bestaat er nog behoefte aan verduidelijking van de positie van de „coördinerend bewindsman" en van de werkwijze van onderraden en ministeriële commissies.

Klaarheid

Een nieuw kabinet dient van meet af aan over de positie van aan te wijzen coördinerende bewindslieden klaarheid te scheppen is de conclusie van de commissie, mede in het belang van het gemeen overleg met de Staten-generaal.

Het parlement dient wel onderscheid te maken tussen de functies van zulk. een bewindsman. en van „vakminister", wanneer deze in een persoon zijn verenigd. In tegenstelling tot de coördinerend bewindsman kan de vakminister voor het beleid waarvoor hij de eerste verantwoordelijkheid draagt door het parlement ter verantwoording worden geroepen.

Onderraden

In het rapport worden de voor- en nadelen van onderraden (uit de ministerraad) uitvoerig behandeld. De commissie beveelt aan de aanwijzingen inzake werkwijze ministerraad en onderraden aan te vullen. Nog nadrukkelijker moet de aandacht worden gevestigd op het belang van beleidsvoorbereiding en van nauwgezette invulling van die rubrieken van het aanbiedingsformulien voor mmisteiraadstukken, die betrekking hebben op de ambtelijke interdepartementale beleidsvoorbereiding.

Het aantal onderraden en ministeriële commissies dient overigens beperkt te blijven, aldus de commissie. Er worden diverse suggesties gedaan. Zo over de economisch en politiek belangrijkste projecten op te terrein van de exportbevordering een nadere regeling van de interdepartementale coördinatie nodig is.

Wat de herindeling van ministeries betreft, wordt opgemerkt, dat de grenzen van een ministerie in beginsel aanzienlijk kunnen worden verruimd door een docltrefTcnde organisatie en het benoemen van een meer staatsecretarissen. Bij heroverweging van deze indeling zal bij voorkeur moeten worden getracht deze indeling zodanig te kiezen dat zoveel mogelijk afgerond zelfstandige onderdelen worden verplaatst, hoewel dit niet altijd mogelijk zal blijken.

Waar uit diverse bronnen reeds voorstellen tot reorganisatie van het welzijnsbeleid zijn gekomen, schenkt de commissie hieraan uitvoerig aandacht. Uit organisatorisch oogpunt moet worden vastgesteld, dat elk bestaand ministerie, waaraan de welzijnszorg wordt aangehaakt, aanzienlijk wordt vergroot. Het oprichten van een nieuw ministerie heeft volgens de commissie vele nadelen: a, de ministeries van Justitie en van Volksgezondheid en milieuhygiëne worden zeer klein; b, de ministerraad wordt uitgebreid evenals het aantal interdepartementale relaties; c, er moet veel energie in de opbouw van een nieuw ministerie worden gestoken. Het komt de. commissie noodzakelijk voor het gewicht'van de verschillende argumenten terzake van coördinatie van het welzijnsbeleid nader te onderzoeken.

Coördinatiepunten

Met betrekking tot de ontwikkelingssamenwerking wordt opgemerkt, dat regelingen voor coördinatie van Buitenlandse zaken en ontwikkelingssamenwerking min of meer langs dezelfde lijnen moeten worden opgezet als die voor coördinatie tussen de minister van Buitenlandse zaken en zijn ambtgenoten van Financiën, Economische zaken en van Landbouw en Visserij.

Over het functioneren van het ministerie van Volksgezondheid en milicugygicne stelt het rapport, dat een aantal taken op milieugebied bij gebrek aan mankracht en deskundigheid bij het nieuwe ministerie nog op de historisch gegroeide organisatorische plaats (bij andere ministeries) zijn gelaten. Overwogen zou kunnen worden geleidelijk meer uitvoerende taken naar genoemd ministerie over te hevelen.

Wanneer v/etenschapsbeleid blijft ressorteren onder een minister zonder portefeuille, verbonden aan het ministerie van O en W zal een duidelijke en werkbare taakverdeling moeten worden afgesproken. De varianten zijn: de minister blijft ook verantwoordelijk voor het wetenschapsbeleid en wordt in zijn onderwijstaak bijgestaan door een of meer staatsecretarissen, of de minister wordt bijgestaan door een staatssecretaris voor wetenschapsbeleid, die ook de zorg heeft voor TNO, ZWO en KNAW en eventueel voor het tertiair onderwijs.

Een afzonderlijk ministerie, voor energiebeleid acht de commissie in de Nederlandse verhoudingen niet denkbaar. Inpassing van bedoeld beleid bij Volksgezondheid en milieuhygiëne, bij Votkshuishouding en ruimtelijke ordening en bij Wetenschapsbeleid vraagt wel nadere aandacht, aldus het rapport.

Als grootste bezwaar tegen het benoemen van een aparte bewindsman of -vrouw voor het emancipatiebeleid acht de MITACO, dat de feitelijke invloed van zulk een minister met uitsluitend coördinerende taken slechts gering zou kunnen zijn.

ii^ts Vermindering

Met'tetrèkking tot het aantal ministers stelt de coiflmissie dat slechts dan een nieuwe portefeuille dient te worden gecreërd wanneer om politieke redenen het van de grond brengen van nieuw beleid op een bepaald punt nodig is. Aan de hand van een aantal uitgangspuntetj komt de commissie ook tot de conclusie, dat te verwachten valt dat het aantal staatssecretarissen worden verminderd.

Sinds 1960 zijn de aantallen ministers en staatssecretarissen gestadig uitgebreid. In het kabinet-De Qay (tot 1963) hadden 13 ministers en 11 staatssecretarissen zitting; kabinet Marijnen (1963-'65) resp. 13 en 12; kabinet-Gals resp. 14 en 13; kabinet Zijlstra, resp. 13 en 9; kabinet De Jong, resp. 14 en 12; kabinet-Biesheuvel, 16 en 13 en van het kabinet-Dên Uyl maken 16 ministers en 17 staatssecretarissen deel uit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1977

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Organisatie rijksdienst niet voor eens en altijd

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1977

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken