Bekijk het origineel

Een Israëliet, die Christus als zijn Messias beleed

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een Israëliet, die Christus als zijn Messias beleed

Isaac da Costa als dichter

11 minuten leestijd

Isaac da Costa (1798-1860) werd, tegelijk met zijn vrouw Hanna Belmonte en de arts Abraham Capadose, alle drie Joden van Portugese herkomst, op 20 oktober 1822 in de Pieterskerk te Leiden door de predikant Lucas Egeling gedoopt.

VerzetDa Costa was sinds zijn bekering een vurig propagandist van de godsdienstige en staatkundige opvattingen van zijn leermeester Willem Bilderdijk Maar al spreekt Da Costa over zijn (1756-1831). Ook Da Costa ging het om de erkenning van Christus en het Evangelie op alle levensterreinen. Nauw verbonden met de dichter-improvisator Willem de Clercq nam Da Costa krachtig deel aan het Réveil in ons land; zijn door J. F. Schimsheimer opgetekende Bijbellezingen genieten nog steeds ruime belangstelling. Vele van Da Costa's geschriften betekenen een hevig verzet tegen het optimistische levensgevoel en vooruitgangsgeloof van zijn tijd, tegen de uitvloeisels van het rationalisme van de Verlichting (18e eeuw), tegen de gevolgen van de Franse Revolutie, tegen het liberalisme, tegen de eigenwaan van de mensen; kortom: tegen de geest der eeuw.Da Costa geloofde niet in de vooruitgang van de mensheid zoals zijn tijdgenoten dat deden, maar hij geloofde wel, en dat met al de warmte van een vurig geloof, in de toekomst van Jezus Christus.Da Costa was niet alleen godgeleerde en bestrijder van de eeuwgeest, hij was ook dichter. Het volledige dichtwerk van Da Costa werd na zijn dood uitgegeven door de predikant-schrijver J. P. Hasebroek (1812-1896) onder de Titel: Da Costa's Kompleete Dichtwerken.Het dichtwerk van Da Costa behoort tot de Romantiek, de geesteshouding die in een veelheid van vormen een reactie betekende op het rationalisme van de Verlichting. De Romantiek en daarmee ook het Réveil, dat als geestelijke ontwaking één van de vele verschijningsvormen van de Romantiek is geweest, stelde de waarde van het gevoel, van de fantasie, van de intuïtie boven die van het verstand; in de tijd van de Verlichting waardeerde men daarentegen de rede, het verstand, boven het gevoel, enz... In het Réveil had dat gevoel veelal een godsdienstig karakter.Het dichterlijk leven van Da Costa splitst zich in twee tijdperken; het tijdperk vóór en na zijn bekering (1820), terwijl het laatste door het lied „Vijf en Twintig Jaren" (1840) in twee ongelijke perioden gedeeld wordt.Zanger van het gevoel
Het wezen van Da Costa's poëzie is het gevoel. In het gedicht „Gevoel" zegt Da Costa, dat het gevoel hem de gave van de dichtkunst gaf: „Gy zyt de onweerstaanbre gloed,
die my tot dichter maakte!"En in de voorafspraak bij de voorlezing van het dichtstuk „Des Dichters Lotsbestemming" roept Da Costa uit: „Acht dichtkunst is gevoel".En wanneer hij het natuurlijk verband van wijsbegeerte en dichtkunst beziet, erkent hij: „ ... 't is gevoel wat 's dichters geest ontsteekt". Da Costa geeft ook de herkomst aan van het gevoel, dat hem een dichter doet zijn: het is hem n.l. „...van God gegeven!". Ook noemt hij het gevoel ..de adem Gods in onze borst..." Veel betekent dat gevoel vopr zijn persoonlijk leven, want: „Gy, mijner Dichtkunst zielen doel!
gy zyt de bron mijns levens!
maar, overweldigend gevoel!
die van mijn sterven tevens! Gy zyt, 't geen my verbindt met Hem
voor wien de Serafs knielen!
Gy zyt de weergalm van Zijn stem
in onze doffe zielen".Het gevoel was dus voor Da Costa van diep godsdienstige betekenis: het is de relatie tussen God en zijn ziel, zijn vertrouwen op God. Daarom kan hij verder ook vertrouwend zeggen: „Maar als gy onze stappen leidt,
gevoel van God gegeven! 
zoo snellen wy ter zaligheid,
door 't stormen heen van 't leven!" Maar al spreekt Da Costa over zijn vertrouwen op zijn „krachtig brandend zielsgevoel", zijn vertrouwen op God, toch moet hij erkennen, dat bij hem dat vertrouwen niet altijd aanwezig is en moet hij klagen: „Maar ach! niet altoos blaakt die toovervlam in 't harte".Wanneer Da Costa in tijden verkeert, waarin hij het vertrouwen op God mist, dan wordt hij sterk bepaald bij wat de mens was vóór de zondeval en bij wat de mens door de zondeval geworden is; hij roept dan uit: „Waar bleef hun kracht? hun glans? Helaas! dat wezen viel!
't vergat zijn God, zich-zelf, zijn vroeger keilen grootheid,
en 't menschelijk harte werd het heiligdom der snoodheid,
het menschelijk lichaam tot der wormen aas bestemd!"Wat kan Da Costa in zulke tijden nog anders doen dan treuren over zijn zondig bestaan?: „En gy, o dichter! zoudt niet treuren?". Maar dan wordt de treurende dichter ook weer opgeheven uit de „diepten van leed en ellende" en kan hij de jubeltoon weer aanheffen, zoals hij dat heeft gedaan, kort na zijn bekering tot het Christendom, in het slot van de inleiding totde hymne „God met ons": „Mijn Redder, mijn Goël, mijn Zondenvernieler,
Mijn Meester, mijn Heiland, mijn Heer en mijn God!
Mijn Onheilverwinner, mijn Levensbezieler!
Gezegend, geheiligd, beslist is imijn lot!
Voor V wil ik strijden, voor U wil ik lijden.
Voor U wil ik de aarde doorgalm'en van lof!
Aan U wil ik adem en levenskracht jijden.
Tot de Engel des levens mij slake uit dit stof!"Israëliet
Da Costa, de christen geworden Jood, is ook na zijn bekering Jood gebleven.' Zelf heeft hij het als volgt gekarakteriseerd: „Ik bleef toch wel (neen! ik werd eerst recht) Israëliet, toen ik, door de genade van mijner Vaderen God en Zaligmaker, mij'Christus beleed". Ook als dichter blijft hij een zoon van Abraham in de meest edele zin van het woord. In de poëzie van Da Costa is het niet alleen het „Israëlitisch gewaad" dat ons boeit (men leze b.v. zijn „Hagar"), maar ook het Israëlitisch hart, dat van brandende liefde klopt voor zijn broeders naar het vlees. Nooit heeft Da Costa, zomin voor als na zijn bekering, zich in zijn gedachten afgescheiden van zijn stamgenoten. Hij heeft aan hun heimwee in de verstrooiing, aan hun uitzien naar verlossing, woorden gegeven die diep ontroeren. Sinds hij zelfde Messias had gevonden, heeft hij ze rusteloos toegeroepen: „Naar Davids troon, naar Davids Heer!" Met grote liefde heeft Da Costa in zijn groot proza-werk Israël en de Volken de lotgevallen beschreven van de Joden vanaf de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70. De dichterlijke opdracht waarmee Da Costa dit historisch werk aan „Israels verstrooiden" heeft vermaakt, is een van de roerendste uitingen van zijn hart: „Wien biede ik ze aan, dees bladen, volgeschreven
Van smart en smaad, en wederwaardigheen,
Onpeilbaar diep, toch wonderhoog verheven?
Wien buiten U, mijn volk, mijn vleesch en been?
Ja, Israël! aan U, Gods eerstgekende.
Sinds, toonbeeld van zijn toorn, van land tot land.
Bij 't schetsen van wiens lange, lange ellende.
Mijn broedren! schier verstijfd waar' deze hand,
Bezwemen 't oog, dat onze ban aanstaarde.
Bezweken 't hart, dat de oorzaak overdacht.
Stond over U, verstootenen der aarde.
Niet nog een woord der toekomst uitgebracht:
„Zij zullen zien, Wiens wet, Wiens hart zij braken,
„(Verbreken doet Hij nimmer Zijn Verbond!)„
En kussen zullen ze eens, Wien zij doorstaken!"
Genade komt ons tegen uit de wond". Er ligt een wereld van weemoed in bovenstaande versregels, over de smaad die Israël treft, maar veel dieper nog over Israels geestelijke blindheid; een diepe weemoed die alleen getemperd wordt door het profetische uitzicht, dat ook zijn stamgenoten nog eens zullen komen tot de erkenning van Jezus Christus als de beloofde Messias.

Tot staving van het voorgaande kan genoemd worden het meeslepende en aangrijpende lied, waarin Da Costa al zijn smart en liefde, al zijn geloof en verwachting voor Israël heeft gelegd; het is het lied „Bij de rivieren van Babel", met het bekende refrein: „Ween, Sionite! ween!"; „Hoop, Sionite! hoop!"; en aan het slot, als de dag van Israels verzoening is aangebroken: „Loof, Sionite! loof!".


Profetische gave


Da Costa heeft meer dan eens ger toond, dat hij een profetische gave bezat. Zo heeft hij zich in 1826, bij het bespreken van 't toenmalig „slechts in schijn vrijzinnig regeringsgebiëd", in profetische geestdrift de volgende woorden laten ontvallen: „Gij zult het zien, mijne vrienden! Willem I zal gedetesteerd (d.i. verfoeid), en geen Koning meer. sterven". Deze profetie heeft destijds diepe indruk gemaakt; en de jaren 1830 (Belgische opstand) en 1840 (troonsafstand van Willem I) hebben Da Costa's voorzegging niet gelogenstraft.


In Da Costa's latere periode, in wat men zijn „politieke poëzie" heeft genoemd, die met zijn „Vijf en Twintig Jaren" begon, ontbreekt deze zienersgave niet - integendeel; het is of zij daar steeds sterker op de voorgrond treedt. Trouwens dit ligt in de aard der zaak. De Israëliet Da Costa had immers zijn Messias gevonden; en met de aanschouwing van Hem Die het Licht der wereld is, was hem tevens het licht opgegaan om de gangen der eeuwen, het woelen en gisten der volken, maar ook Gods regering over, ondanks en door dat alles te bespeuren en te begrijpen. Men heeft deze zienersgave wel intuïtie, innerlijke aanschouwing of dichterlijk profetisme genoemd.


Toen in 1848 te Parijs de revolutie uitbrak, had Da Costa reeds een jaar tevoren in zijn lied „Wachter! wat is er van den nacht?" de staatkundige en maatschappelijke toestanden van Europa, rijp voor een uitbarsting, zo scherp en zo juist getekend, dat men in verrassing uitriep: „Da Costa heeft het voorspeld!" Zijn profetenstem had immers gewaarschuwd voor het communisme en revolutie: 

„Het Kommunismus eischt: Hersiel van 't Evenwicht!
De Revolutie dreigt: Aan my het eindgericht!
En op dien laatsten galm rinkinkelen de keetnen
De moorders in hun hol, volvaardig te verreeknen
Met heel de Maatschappy, en vragende inkt en bloed
Voor de aanklachtsakte, die zy voeren in 't gemoed.
De gronden schudden..."


We hebben hier met een dichter te doen, die aan politieke scherpzinnigheid de dubbele gave van intuïtie en combinatie verbindt: er is bij Da Costa sprake van een innige verwantschap tussen poëzie en profetie. In deze tijd leeft Da Costa uit en in zijn gedichten; in zijn brieven uit deze periode citeert hij vaak zijn eigen gedichten, „weloverwogen en met de zekerheid van een politicus die Mik. Willem de Clercq op zijn rapporten wijst". Gedurig controleert hij het wereldgebeuren en let hij scherp op de tekenen der tijden. De „tijd" geeft aan zijn profetendom een speciale dimensie: hij hoort „de stem des Tijds"; hij koestert en ondergaat „de gunst des Tijds"; hij luistert naar de „orakels van den Tijd" en hij schrijft „Poëzy des Tijds".


Maar Da Costa's profetische blik zag nog verder, want al de woelingen en worstelingen van de volken lossen zich bij hem op in de zekere verwachting van het nieuwe, dat de Heere ook op deze aarde zal scheppen, terwijl zijn ziel mét innig verlangen uitzag naar de wederkomst van Christus. De grondtoon van al zijn gebeden was: „Kom Heere, ja kom haastelijk!" Zo donker kunnen de tijden niet zijn of worden. Da Costa blijft het licht verwachten dat met Christus wederkomst komen zal. Daarom eindigen al zijn tijdzangen met een Maranatha.


Op geheel de aard van zijn dichterlijke werkzaamheid berust Da Costa's aansraak op de profetennaam.


Rpeping


In zijn tweevoudige hoedanigheid van Joods dichter en christen uit de Joden, die - verwant aan de profeten van het Oude Testament - „den psalm van het Oost in het West weergalmen deed, karakteriseerde Da Costa zijn roeping als volgt: 

„Voor my, één doel slechts heeft mijn leven,
Eén uitzicht vult geheel mijn ziel! 
En moog' my de adem eer begeven, 
Dan dat dit uitzicht my ontviel!
't Is, met der Dichtkunst geestverrukking
Het ongeloof en zijn verdrukking 
Omver te stoten van zijn throon:  
Hy, die de Goliaths doet treffen.
Kan de aard van 't Ongeloof ontheffen"
Door éénen dichterlijken toon ".


Actualiteit


Bij de lezing van Da Costa's grote tijdzangen „Vijf en Twintig Jaren", „Wachter! wat is er van den nacht?", „1648 en 1848", „De Chaos en het Licht") blijken verschillende stukken ook voor onze tijd nog een opmerkelijke actualiteit te bezitten. 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 november 1978

Reformatorisch Dagblad | 48 Pagina's

Een Israëliet, die Christus als zijn Messias beleed

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 november 1978

Reformatorisch Dagblad | 48 Pagina's

PDF Bekijken