Bekijk het origineel

Het leven van P. N. Menten

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het leven van P. N. Menten

6 minuten leestijd

DEN HAAG — Pieter Nicolaas Menten werd geboren 26 mei 1899 te Rotterdam. Zijn werkzaamheden zijn omschreven ais: handelaar, zakenman, verzamelaar van kunst en antiquiteiten. Menten is in zijn leven betrokken geweest in een zeer groot aantal civiele en strafrechtelijke processen aangaande zijn zakelijke en particuliere levenswandel.

Zijn altijd felle benadering leidde in die zaken „tot meer papier", meer tijd en meer goochelarij dan bij welk proces ook" zo stelde op 31 maart 1949 de advocaat-fiscaal, mr. J. Besier, voor het bijzonder gerechtshof te Amsterdam.


Menten vestigde zich in het begin van de jaren twintig in Polen als agent voor Westeuropese ondernemingen, zoals de Nederlandse rijstpellerij Oryza. Hij leidde er een omstreden zakelijk leven gekenmerkt door faillissement en processen, dat hem echter geen windeieren legde. Uiteindelijk verwierf hij een groot landgoed in Oost-Galicië, bij Sopot (toen Pools gebied, nu Russisch).


Tweede Wereldoorlog


Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kwam hij, mede door zijn pro-Duitse houding in contact met de SIPO-SD commandant dr. Eberhard Schöngart in Lemherg. Hij hielp hem als tolk en diende hem van advies bij aankopen van kunstvoorwerpen. Menten trad daarnaast voor veel Joodse antiquairs op als Treuhander (vertrouwensman), aangezien zij zelf geen handel meer mochten drijven. In 1943 was de argwaan van de Duitse autoriteiten tegen zijn manier van zakendoen zo groot geworden dat hij het verzoek kreeg naar Nederland terug te keren.


Hij mocht zijn bezittingen, waarvan niet kon worden aangetoond dat hij ze zich onrechtmatig had toegeëigend, meenemen. Vaak is beweerd dat zijn bezittingen afkomstig waren van diefstal van rijke Poolse Joden en dat hij er drie goederenwagons vol van naar Nederland meenam. Na de oorlog begon een jaren slepende procedure tegen Menten op verdenking van roof van kunstschatten in Polen en dienstbetrekking bij de vijand. Het bijzonder gerechtshof te Amsterdam oordeelde alleen hulp en dienstverlening aan de vijand bewezen en de bijzondere raad voor cassatie veroordeelde Menten ten''slotte, in oktober 1949, tot acht' , rnaanden gevangenisstraf wegens 'aan de vijand verleende diensten van ,,niet gewichtige betekenis".


Menten had zelf inmiddels een eis tot schadevergoeding aanhangig gemaakt tegen het ministerie van Oorlog, omdat tijdens zijn voorlopige hechtenis in 1946 leden van de Binnenlandse strijdkrachten zijn villa in Aerdenhout geplunderd zouden hebben. Het ministerie kende hem tenslotte een schadevergoeding van 250.000 gulden toe.


Beschuldigingen


Eind 1949 bereikten het Openbaar ministerie beschuldigingen uit Polen en Israël dat Menten betrokken was geweest bij enkele ma.ssamoorden in de zomer van 1941 in de buurt van zijn landgoed, namelijk in Podhorodce en Ürycz. Polen diende een uitleveringsverzoek in, waarop de Nederlandse minister van Buitenlandse zaken negatief beschikte. Zijn collega van Justitie had overwogen dat Menten al veroordeeld was voor zijn oorlogsverleden en niet nog eens vervolgd kon worden. Ook op een tweede uitleveringsverzoek van Polen, begeleid met een getuigeverklaring, volgde een negatieve Nederlandse reactie.


De uit Polen en Isréël gekomen beschuldigingen en toelichtingen daarop hebben bijna driejaar lang bij het ministerie van Justitie en de procureur-generaal te Amsterdam stof opgeleverd voor de overweging het onderzoek te heropenen. Dat is niet gebeurd.


Accent


Pas in 1976 kwam de kwestie weer aan de orde toen Menten probeerde een deel van zijn collectie in Amsterdam te laten veilen. Een weekblad (Accent) haalde de oude beschuldigingen op en publiceerde verklaringen van een getuige van de massamoord in Urycz en verklaringen van mensen die hun informatie daarover hadden van anderen, die inmiddels overleden waren, ook uit Polen werd weer gemeld dat Menten daar verdacht werd van betrokkenheid bij massamoorden.


Het openbaar ministerie heropende het onderzoek. Nog voordat Mentens schuld enigszins was aangetoond vluchtte hij op 26 november 1976 naar Zwitserland, waar hij op 6 december werd aangehouden. De Zwitserse regering leverde hem aan Nederland uit op voorwaarde dat Menten niet verder uitgeleverd zou worden aan Polen of de Sovjet-Unie. De Tweede kamer gaf minister mr. A. A. h/t: van Agt van Justitie opdracht een historisch-wetenschappelijk onderzoek te laten doen naar hetgeen justitie in de periode 1945 in de zaak-Menten had gedaan of nagelaten. De minister stelde een commissie in onder voorzitterschap van prof. Dr. I. Schöffer.


Strafzaak


De Amsterdamse officier van Justitie, mr. A. F. J. C. Habermehl, vond voldoende belastend materiaal, onder meer na een beisoek aan de, plaatsen van misdrijf jn Kusland, om een strafzaak tegen Menten aanhangig te maken. Deze diende op 4 april 1977 voor de bijzondere strafkamer van de rechtbank te Amsterdam. Na 26 zittingsdagen werd Menten op 14 december 1977 veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf wegens massamoord en misdrijven tegen de menselijkheid. De rechtbank achtte bewezen dat Menten aan een executie van ruim dertig Poolse burgers, meest Joden, in Podhorodce in de zomer van 1941 had deelgenomen. Niet bewezen achtte de rechtbank zijn betrokkenheid bij een executie in Urycz waarbij ruim 130 mensen het leven lieten.


Zowel de Officier van Justitie als Mentens raadsman, mr. L. van Heijningen uit Den Haag, ging in cassatie van het vonnis bij de Hoge Raad der Nederlanden. Die vernietigde op 29 mei 1978 het vonnis wegens enkele ,,vormfouten" en verwees de zaak naar de rechtbank te Den Haag. De Raad achtte de strekking van het vonnis van de rechtbank juist, maar vond dat onvoldoende aandacht was besteed aan Mentens verweer dat minister mr. L. A. Donker van Justitie hem in 1952 met kennis van dezelfde beschuldigingen van verdere rechtsvervolging zou hebben ontslagen en dat de rechtbank had verzuimd te beslissen op een verzoek vier getuigen voor de verdediging te horen. 

Nieuw onderzoek

De Bijzondere strafkamer van de rechtbank te Den Haag benoemde mr. J. J. P. Bakker tot rechter-commissaris in het nieuwe vooronderzoek. Deze meldde eind oktober 1978 dat hij in de archieven van het ministerie van Justitie niets had kunnen vinden dat rechtstreeks of een sepotbeslissing van minister Donker duidde. Ook de commissie-Schöffer had inmiddels geconstateerd dat er geen document was te vinden dat deze bewering van Menten kon steunen. Wel stelde zij dat in 1951 minister van Justitie mr. A. A. M. Struycken zich bij zijn besluit, niet in te gaan op het Pools uitleveringsverzoek, kennelijk onder druk had laten zetten door de advocaten van Menten, onder wie Tweede-kamervoorzitter dr. J. Kortenhorst. 

De Westduitse regering liet in de zomer van 1978 curatoir beslag leggen op Mentens villa in Blaricum, een geestelijk gestoorde stak de villa kort daarna in brand. Het was de Bondsregering uit het strafproces duidelijk geworden dat Menten in 1958 ten onrechte een oorlogsschadevergoediiig van  .50.000 DM had gekregen

Altijd ontkend 

Menten heeft altijd alle beschuldigingen ontkend en verklaard dat hij het slachtoffer was van lieden die afgunstig waren op zijn welvaren en tegen hem samenspanden en lastercampagnes op touw zetten. De bijzonder strafkamer van de rechtbank in Amsterdam omschreef hem als volgt: ,,Zoals hij ter zitting en uit de processtukken naar voren is gekomen: een man, voor wie geld en goed in zijn leven en allesoverheersende rol hebben gespeeld. (...) Ook heeft hij op uiterst cynische wijze blijk gegeven van geringschatting, zo niet minachting voor zijn medemensen, voor zover hij meent dat deze zijn minderen zijn"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 5 december 1978

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

Het leven van P. N. Menten

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 5 december 1978

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken