Bekijk het origineel

Kinderrechters: rechten van ouders ontbreken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kinderrechters: rechten van ouders ontbreken

Kritiek op wetswijziging hulpverlening minderjarigen

10 minuten leestijd

De Nederlandse kinderrechters zouden gelukkig zijn met een wijziging van artikel 280 van het Wetboek van strafrecht (hulpverlening aan minderjarigen) zoals dit door de kamerleden Roethof en Haas-Berger (beiden PvdA) vorig jaar was voorgesteld.

De afhandeling van het voorstel van deze beide leden, is vorig jaar op 4 oktober opgeschort. Reden van deze opschorting was dat een aantal kamerfracties van oordeel was, dat er behoefte bestaat aan nadere informatie van de kinderrechters, in dit geval de afdeling familie- en jeugdrechtspraak van de Nederlandse vereniging voor rechtspraak.

Met het begrip ,.zorgvuldige hulpverlening" hadden een aantal fracties, zoals CDA, SGP en GPV wat moeite. De overweging van de beide socialistische parlementariërs, om artikel 280 van het Wetboek van strafrecht aan te vullen, was dat het in het belang van een zorgvuldige hulpverlening aan minderjarigen die zich onttrokken hebben of onttrokken zijn aan de ouderlijke macht, wenselijk is dit artikel aan te vullen.

Rechtsongelijkheid?

'Een en ander komt erop neer dat het verbergen van kinderen niet meer strafbaar is als de betrokkene handelt in het kader van een „zorgvuldige hulpverlening" aan de minderjarigen van twaalf jaar en ouder. Volgens de beide indieners is er op dit moment sprake van rechtsongelijkheid. Iedereen die een weggelopen kind huisvest, hetzij een tante, of een predikant of wie dan ook, is in de zin van de wet -strafbaar. Daar nu wilden de beide kamerleden een eind aan maken.

Blijkens het aantal amendementen dat op het wetsvoorstel is ingediend, bestonden er nogal wat weerstanden tegen. Zo hebben VVD en CDA in een amendement ervoor gepleit om de hulpverlener te verplichten de kinderrechter te berichten dat hij met de hulpverlening aan een minderjarige is begonnen.

Ook zou hij moeten worden verplicht de kinderrechter alle medewerking te verlenen met betrekking tot de verblijfplaats van het kind. Dit zou in bepaalde gevallen de rechter de mogelijkheid bieden een bevel tot beëindiging van de hulpverlening te geven, waarna de hulpverlener niet meer van vervolging in de zin van wet zou zijn uitgesloten.

Inbreuk

De SGP en het GPV hadden zwaarwegende argumenten om het wetsvoorstel argwanend te bekijken. Zij menen dat de voorgestelde wijziging van artikel 280 als een principiële inbreuk op het ouderlijk gezag en de daaruit voortvloeiende rechten van de ouders moet worden beschouwd. Hoewel zij erkennen dat in sommige gevallen er inderdaad sprake kan zijn van een ernstig gestoorde relatie tussen ouders en minderjarige kinderen, zien zij toch niet in dat de voorgestelde wetswijziging een positieve bijdrage zou kunnen leveren tot het weer herstellen van deze relatie. Het grootste bezwaar van de beide reformatorische partijen geldt wel het „zogenaamd hulpverlenend" optreden van organisaties als het JAC, Release en de Sosjale Joenits een wettelijke basis te geven. Hoewel de PvdA'er Patijn ons verzekerde dat hij zelf heeft geconstateerd dat het allemaal „keurige" mensen en keurige kantoren zijn, plaatsen ook wij hier de nodige vraagtekens. Ons staan brieven van ouders ter beschikking, waaruit blijkt dat er in de eerste plaats getracht wordt het weggelopen kind (daartoe niet zelden door het JAC e.a. aangemoedigd!) los te weken van de omgeving waarin het kind opgroeide.

De geest die uit de door de beide PvdA'ers gewenste wetswijziging spreekt, geeft ook al aanleiding tot enige terughoudendheid. Eén van de indieners van het wetsaiitwerp, de sccialist' Roethof ie bij de verdediging van het ontwerp op 13 september 1979: ,,De tijden veranderen en daarmee ook de zeden. Vooral na de Tweede Wereldoorlog, zijn de opvattingen over gezag, gezin en huwelijk in beweging geraakt. De gezagsband wordt wat minder knellend en de nadruk valt op de vertrouwensrelatie..."

En even verder zei hij: ,,Ik deel dan ook niet de indruk van de heer Abma en Verbrugh, die een relatie leggen tussen het weglopen en het bestaan van alternatieve hulpverlenende organisaties. Het weglopen hangt, volgens Roethof dan ook samen met een meer algemeen maatschappelijk verschijnsel. Het verschijnsel van het weggelopen kind deed zich eerder voor dan het bestaan van alternatieve organisaties, vindt hij. Zo meende hij in dit verband erop te moeten wijzen dat het aantal verkeersongevallen niet toenam als gevolg van het instellen van de ANWB-hulpdienst...

Kritische opstelling

Nu is er wel terdege een zeer directe relatie tussen het weglopen en de alternatieve hulpverleningsorganisaties. Getuigenissen van betrokkenen, ouders en weer teruggekeerde kinderen, wijzen duidelijk in deze richting. Op scholen zijn dergelijke „organisaties" niet zelden actief, waarbij kinderen op hun „zware" lot wordt gewezen en dat zij zich gerust tegen hun ouders mogen verzetten. Zijn het niet de organisaties, dan zorgen bepaalde leerkrachten er wel voor dat het kind "kritisch" leert nadenken over de relatie tussen hem en zijn ouders.

Hoe dan ook, een aantal kamerleden wilde deze wetswijziging niet zomaar overnemen en vroeg, na opschorting van het wetsontwerp, advies aan de kinderrechters. De Vaste comissie voor Justitie achtte, nu de positie van de kinderrechter in het geding was, het zinvol de genoemde afdeling te raadplegen.

De kinderrechters kregen de volgende vragen voorgeschoteld: Indien in het wetsontwerp een meldingsplicht voor de hulpverlener zou worden ingevoerd, waar zou deze melding dan dienen te geschieden?  Indien een melding aan de kinderrechter in het wetsontwerp zou worden opgenomen, hoe ziet de afdeling dan de taak voor de kinderrechter? Wat is het oordeel van de Afdeling over de voorgestelde informatieplicht van de ouders?

Niet partijdig

Nu was dit voor de Afdeling geen geringe opgave. Men aarzelde dan ook om op het verzoek van de vaste kamercommissie in te gaan, omdat het hier gaat om een wetsontwerp dat reeds uitvoerig onderwerp van bespreking in de Tweede Kamer is geweest. „Tegen beantwoording pleit", zo schreef de Afdeling, „dat de Rechterlijke macht ver van het politiek strijdgewoel behoort te blijven. Hij mag niet de schijn op zich laden van op enige wijze partij kiezen op straffe van ongeloofwaardigheid..."

Dat de Afdeling toch heeft gemeend op het adviesverzoek te moeten ingaan, houdt verband met het feit dat men bovengenoemde bezwaren heeft laten wijken voor het belang dat men de Kamer rechtstreeks vanuit de praktijk het voor en tegen van de wetswijziging uiteen kan zetten.

Een theoretisch struikelblok is volgens de afdeling de constructie van zorgvuldige hulpverlening als strafuitVaak krijgen de ouders niet te horen waar de weggelopen Jongere onderdak heeft gevonden. sluitingsgrond. De bewoordingen van het wet.sontwerp zijn voor tweeërlei uitleg vatbaar: is bij zorgvuldigheid van de hulpverlening de strafbepaling geheel vervallen?

Onhanteerbaar

Voor de praktijk van de opsporing komt de politie bovendien voor allerlei onzekerheden te staan. Hoe kan een rechercheur nu vaststellen of er van zorgvuldige hulpverlening sprake is (of is geweest?). Bovendien vragen de kinderrechters zich af of de indieners van het wetsontwerp niet ten onrechte menen dat de politie bij de opsporing voldoende houvast zal hebben om te beoordelen of van zorgvuldigheid sprake is; dat zal zeker in de eerste periode van het verbergen niet het geval zijn, zo menen de kinderrechters. Het begrip,,zorgvuldige hulpverlening" acht de Afeeling in de voorgestelde constructie onhanteerbaar. Immers, een hulpverlener kan, in zijn pogingen een weggelopen minderjarige te helpen, volstrekt falen? Toch kan hij ,,zorgvuldig" te werk zijn gegaan.

Met de amendementen kon de Afdeling ook niet uit de voeten. ,,Indien de melding woret voorgekchreven (zoals één amendement dat wil) aan kinderrechter, officier of (kinderpolitie), moet daarbij dan worden aangegeven in welk arrondissement dit moet geschieden?"

Ondoordacht

Het wetsontwerp en de amendementen zijn, volgens de Afdeling, in zoverre onvoldoende doordacht, dat uitsluitend wordt gesproken over de strafbaarheid van de hulpverlener en niet over het recht van de ouders, opsporing, aanhouding en teruggeleiding. Wordt gerept: o.i. zeer belangrijkeaspecten! Het oordeel van de Afdeling over de eventuele verplichting van de hulpverlener om de ouders in te lichten is evenwel positief. De Afdeling is het ermee eens dat in het algemeen een van de eerste taken van de hulpverleners moet zijn het berichten van de ouders of andere gezagsdragers dat de minderjarige terecht is. Wél tekent de Afdeling hierbij aan dat de melding de hulpverlening niet in gevaar mag brengen.

Deze beide zaken hangen volgens de Afdeling dan ook nauw met elkaar samen en wel in die zin ddt het algemeen artikel 280 van strafrecht pas een functie krijgt indien een verzoek niet tot enig resultaat leidt, omdat de minderjarige verborgen wordt gehouden.

In het kader van het huidige advies kan, volgens de Afdeling niet uitvoerig op deze problematiek worden ingegaan. Men heeft in 1974 aan de minister van Justitie suggesties gedaan voor een buitenwettelijke regeling. Het is de Afdeling bovendien bekend dat o.m. voorstellen zijn gedaan vanuit de Nederlandse vereniging van maatschappelijk werkers en door de korpschefs van gemeentepolitie van de vier grote steden.

Afspraken

Na alle andere vragen van de Kamercommissie uitvoerig te hebben beantwoord, komt de Afdeling tenslotte tot de conclusie dat alle energie besteed aan artikel 280, in geen enkele verhouding staat tot het belang van dit artikel als strafbepaling gericht op het handhaven van de maatschappelijke orde.

Volgens haar moet de oplossing van het probleem van de weglopers niet worden gezocht in een wijziging van artikel 280, maar in een wetgeving rondom de rechten van minderjarigen in overeenstemming met de hedendaagse maatschappelijke ontwikkelingen.

De Afdeling motiveert dit standpunt door erop te wijzen dat in vele plaatsen afspraken functioneren tussen hulpverleners. Raad voor de kinderbescherming en politie en wel op een dergelijk niveau, dat de meeste gevallen zonder verdere conflicten_ worden afgewikkeld. Daarom kan dan ook, volgens haar, zonder schade worden gewacht op een nadere regeling van de rechten van de minderjarige. Tot zover dan de brief van de Afdeling familie- en jeugdrechtspraak. De afwijzende houding van de Afdeling van én het wetsvoorstel én de meeste amendementen, zal waarschijnlijk de verwerping van het Wetsontwerp tot gevolg hebben. (Gezien het aantal VVD'ers dat niet afkerig is van samenwerking met de PvdA, zou het niet uitgesloten zijn dat de wetswijziging alsnog wordt aangenomen. De VVD loopt dan echter wel het risico dat de amendementen ingediend door het fractielid Nijpels, niet in de wet worden opgenomen. Er komt dan een wetswijziging tot stand die behalve voor enkele liberale dissidenten, voor de VVD als geheel in feite onaanvaardbaar is). Op het eerste gezicht lijkt verwerping een goede zaak: aanvaarding van de wetswijziging zou de praktijken van o.m. het JAC een wettelijke status gegeven hebben.

Uit de brief blijkt echter dat een ,,wettelijke regeling" van de rechten van de minderjarigen wenselijk wordt geacht, hetgeen ook de mening is van een brede laag uit het parlement. De term ,,in overeenstemming met de hedendaagse maatschappelijke ontwikkelingen", doet al enigszins vermoeden in welke richting een dergelijke regeling zal kunnen gaan.

Strafbaar

Onder de huidige wetgeving gaan de praktijken van allerlei alternatieve hulpverleningsorganisaties evenwel gewoon door. Het JAC constateert dit in een reactie op de brief van de afdeling eveneens, maar dan met andere oogmerken. Zij blijven n.l. in de zin van de wet strafbaar wanneer zij minderjarige kinderen verborgen houden en dat is voor hen een ongewenste situatie. Hoewel zij hun werk dus in de illegaliteit moeten verrichten, worden hun bemoeienissen met weggelopen kinderen door de autoriteiten niet zelden door de vingers gezien. Niet zelden krijgen ouders, ook al zijn de autoriteiten van de verblijfplaats van het betreffende kind op de hoogte, niet het adres van hun weggelopen kind. Ouders die toch achter een dergelijk adres komen en zich ongevraagd toegang tot de,, woning" (vaak kraakpanden) verschaffen, kunnen worden vervolgd wegens huisvredebreuk.

Wanneer er een wettelijke regeling voor de rechten van minderjarige kinderen gaat komen, zullen ook (en niet in de laatste plaats) de rechten van de ouders moeten worden gewaarborgd. Het gezin blijft voor het grootste deel van onze bevolking immers dé plaats waar het minderjarige kind moet opgroeien. Welnu, ouders hebben het recht om vanuit deze overtuiging hun kinderen op te voeden.

Niemand zal ontkennen dat er schrijnende, ja verbijsterende gevallen zijn, dat kinderen door hun ouders worden mishandeld. Er staan de wetgever op dit moment voldoende middelen ter beschikking om in dergelijke gevallen in te grijpen.

Maar om het ,,recht van minderjarigen" in de wetgeving vast te leggen omdat bijvoorbeeld een principiële opvoeding als té knellend wordt ervaren, gaat toch wat al te ver.

Eén ding is duidelijk: het gezin zal in de nabije toekomst heel wat aanvallen te verduren krijgen. Het gezin in de branding!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 13 februari 1979

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

Kinderrechters: rechten van ouders ontbreken

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 13 februari 1979

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken