Bekijk het origineel

Geloof, hoop en liefde meer dan het spreken in tongen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Geloof, hoop en liefde meer dan het spreken in tongen

Buitenissigheden bewijzen het ware werk Gods niet

11 minuten leestijd

Bij een afweging van wat ons Pinksterchristenen willen doen geloven over de doop met de Heilige Geest kan het spreken in tongen, als een teken van het ontvangen van die doop, een imponerend struikelblok vormen. Wat moeten wij met die „glossolalie", met het spreken in tongen?

We zullen ons over het spreken in tongen eens buigen. Voor de Pinksterbeweging staat het dus vast dat de doop in de Heilige Geest als tweede bijzondere ervaring na de bekering, gepaard gaat met het spreken in tongen. Is dat waar?

Gordon Lindsay (aanbevolen door Maasbach) beweert in „Hoe u de doop in de Heilige Geest kunt ontvangen": „Het spreken in nieuwe tongen is niet alleen een teken, noch iets dat aan de doop toegevoegd wordt: het is een wezenlijk deel van de doop in de Heilige Geest." Derek Prince (aanbevolen door Hoekendijk) schrijft in „Waterdoop en Geestesdoop": „De gave van het spreken in tongen, zoals de Heilige Geest het geeft uit te spreken is er het gangbare Nieuwtestamentische bewijs voor dat een mens de doop in de Heilige Geest heeft ontvangen."

En om maar niet meer te noemen: E. van der Molen zegt in „Zekerheden": „De doop met de Heilige Geest is absoluut noodzakelijk voor elke christen. De doop in de Heilige Geest gaat gepaard met het spreken in tongen.

Geen bewijs

In mijn artikel "De Plnksterbeweging een chaotische eenheid (II) in deze krant, heb ik betoogd dat in feite ieder kind van God de gave van- de Heilige Geest ontvangen heeft, met de Geest gedoopt is. Het spreken in tongen kan dus nooit een bewijs zijn, van een bijzondere tweede ervaring, zoals de doop met de Geest zou zijn. Het spreken in tongen is, naar 1 Corinthe 18:18-20 een van de gaven van de Geest, een charisma.

Pinksterchristenen leiden uit enkele geschiedenissen in Handelingen hun instelling af. Twee dingen moeten we daarbij in het oog houden. Waarom zou juist tongentaal en niet de vurige tong een onomstotelijk bewijs van de doop in de Geest zijn, of het geluid van de wind? Verder: de Pinkstertekenen kwamen (gedeeltelijk) in Handelingen openbaar, bij de uitbreiding van de Evangelie-prediking tot de niet-Joden: lang niet iedereen sprak in tongen.

Bovendien: tongentaal is een niet specifiek christelijk verschijnsel. Ook
onder heidenen kwam het voor. Ook Mormonen schijnen in tongen te
hebben gresproken. ij het orakel van Delphi spraken de priesters extatisch.
Waarom, verder, isoleert men toch het spreken in tongen zo van de
andere in 1 Corinthe 12 genoemde Geestesgaven?

Geref. gezindte

Los van het hier weerlegde — glossolalie zou het bewijs van de (latere en pas volle) Geestesdoop zijn — bestaat er in de Gereformeerde gezindte een groeiende aandacht en een groeiend waarderen van de charismata, de gaven van de Geest, als zodanig. Hoe moeten wij daar tegenover staan?

Immers, ds. Joh. Francke, predikant van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt schreef onlangs in een artikel over „de doop met de Heilige Geest" in het „Nederlands Dagblad": „Wij lezen niet dat de speciale charismata ná de tijd der apostelen zijn opgehouden of teruggenomen. Ook vandaag kan de Heilige Geest naar Zijn welbehagen zulke charismata, die uit de volheid van Christus' verlossingswerk voortkomen, aan de ware kerk toedelen."

De Vrijgemaakte prof. dr. C. Trimp schreef in „De Reformatie" van 4 maart 1978: „Wij moeten ook niet zeggen, dat de gaven van genezing en glossolalie nooit meer aan de kerk geschonken zullen of kunnen worden, zodat wij deze charismata eigenlijk wel kunnen vergeten. Want niemand anders dan Christus Zelf zal het bepalen, wat Hij aan zijn kerk zal toedelen als gaven van de Heilige Geest."

Ik sprak van een groeiend waarderen van de charismata in de Geref. gezindte. Ds. G. Biesbroek uit Ede schrijft in „Profetie of fantasie?": „...de gaven van het spreken in tongen is niet iets, dat per se beperkt moest blijven tot de beginfase van de christelijke kerk. We mogen dus om deze gave bidden. Alleen moeten we ons wel realiseren, dat het spreken in tongen niet aan allen gegeven wordt en ook niet hèt bewijs is van de vervulling met de Heilige Geest..." Biesbroek wijst in dat verband op Calvijns uitleg bij Efeze 4 vers 11, waar hij de mogelijkheid niet uitsluit, dat God de bijzondere gaven, naar gelang de noodzaak der tijden, opnieuw schenkt.

Tongentaal nu

We kunnen onszelf inmiddels wel afdragen of men binnen de Pinksterbeweging op een Bijbels verantwoorde manier bezig is met de gave van het spreken in tongen. Daar is allereerst de krampachtigheid waarmee velen die gave willen bezitten: zónder die gave zijn ze geen christen in de ware zin van het woord. In de Bijbelse geschiedenissen van Handelingen sprak men spontaan in tongen:  nachtelijke bidstonden of speciale vasten  óm deze gave ontbraken. God deed het.

Zo vinden we in „Nieuw leven met de Heilige Geest" van de Amerikanen Dennis en Rita Bennett een „handleiding" om op een geforceerde wijze tot het spreken in tongen te komen. En Ben Hoekendijk zegt in zijn Bijbelstudie over „De doop in de Geest": „We moeten nu beginnen in geloof, en andere klanken gaan spreken. In Pinksterkringen wordt de kinderdoop in het algemeen afgewezen.

Ons verstand verzet zich. Onze hoogmoed steekt de kop op. Maar we gaan door. We geloven dat God geen stenen geeft voor brood. Onze stembanden maken de klanken. We zijn niet passief. Maar God inspireert door Zijn Geest. Als we zo doorgaan wordt het spreken in tongen steeds meer vloeiend en vanzelfsprekend. Na enige tijd kan men zonder inspanning beginnen in tongen te spreken onder werk."

Mijns inziens is hier wel iets anders aan de hand dan bij de Bijbelse Pinkstertekenen die ons in Handelingen verhaald worden. Hier begint men het zelf. Daar begon God het. Het is mijnsinziens veelzeggend, dat bij dit gedeelte van Hoekendijks Bijbelstudie geen enkele Bijbeltekst als verwijsplaats voor deze theorie wordt vermeld.

Bovendien zou ik de vermelding van Bennett: „de vijand heeft imitaties van alle ware gaven..." zeer serieus willen nemen. E. van der Molen schrijft in „De doop met de Geest en het spreken in tongen": „Inderdaad kan ook een boze geest bezit van een mens nemen." Dit, gevoegd bij de wetenschap dat de sprekende persoon zelfs de betekenis niet weet van zijn eigen spraak, mag ons wel terdege voorzichtig maken.

De juiste plaats

Wat is dan de juiste plaats van het spreken in tongen? Slechts in één brief, 1 Corinthe, behandelt Paulus het. Is dat wellicht maatgevend voor het geringe belang ervan? Op het verschil tussen het talen-wonder van Handelingen en de gave van het spreken in tongen gaan we in dit bestek niet verder in. In elk geval vinden we in 1 Corinthe 12-14 geen aanwijzing dat de gave regelrecht is verbonden met de doop in de Heilige Geest.

De gave van het spreken in tongen veroorzaakte in Corinthe spanningen, eerzucht. Paulus verbiedt het niet. Niemand kan hem er ook van verdenken dat hij het wil relativeren omdat hij het zelf niet kan. Hij spreekt immers meer dan alleen in tongen. Paulus verbiedt het niet. Maar zelfs in het Oude Testament was het volk Israël niet, bij de dreiging met de Assyriërs en hun vreemde spraak, voor bestraffing vatbaar. (Jes. 28:11). Hoe zullen dan ongelovigen door de glossolalie in Corinthe tot berouw komen? Daarvoor is profetie veel meer geschikt.

Paulus' doel was te tonen dat de gave der tongen niet zo belangrijk was als velen in Corinthe wel meenden. Glossolalie behoort tot het „kinderlijke" stadium van de kerk (1 Cor. 13:11, 1 Cor. 3:1,3) Maar bij het volwassen worden valt het weg. Geloof, hoop en liefde zijn het belangrijkste, die blijven!

Sommige Pinksterleraars zeggen, dat de andere gaven dan geloof, hoop en liefde, pas zullen verdwijnen als het volmaakte komt. Maar dat kan niet, want dan wordt ook het geloof aanschouwen. De bijzondere Geestesgaven zullen dus verminderen in de tijd dat geloof, hoop en liefde nog zullen zijn.

Geloof, hoop en liefde blijven. In dat verband zegt Paulus ook: jaagt de liefde na en streeft naar de gaven des Geestes, doch vooral naar het profeteren. Via de profetie immers kan de liefde in bemoedigende zin tot uitdrukking komen. De profetie moest overigens geen bron van nieuwe waarheid zijn, maar vertolking van de waarheid die al op andere wijze was geopenbaard. (Toetsing,  I Cor. 14:29)

Het hoofdthema van de hele bespreking van de glossolalie is, dat het zekerste bewijs van de vervulling met de Heilige Geest is: de liefde.

Laten rusten

De vraag rest: moeten wij ook nu niet de noodzaak van de gaven zoals het spreken in tongen benadrukken? Ik meen van niet. De Pinkstertekenen in Handelingen kwamen openbaar bij de uitbreiding van de Evangelie-prediking naar de niet-Joden. De wijze waarop Paulus in de Corinthebrief schrijft over het spreken in tongen daarbij betrekkend, doet mij concluderen dat wij het spreken in tongen beter kunnen laten rusten.

Dat wordt onderstreept door de geschiedenis. Van 100 tot 1900 na Christus was glossolalie vrijwel afwezig. De Montanisten — door de kerk veroordeelde ketters — spraken waarschijnlijk in tongen. Een passage in geschriften van Irenaeus kan op glossolalie duiden, maar is niet erg duidelijk. Tertullianus gaat er prat op tegen Mardon. Maar dat is in zijn periode als Montanist. Chrysostomus zegt dat er in zijn tijd geen glossolalie meer voorkomt. Datzelfde geldt Augustinus.

Het ontbreken betekent gebrek aan geloof, zo hoort men wellicht van de zijde van de Pinksterbeweging. Mogen we dat de martelaren om de Reformatie in de schoenen schuiven?

Andere bijzonderheden

Binnen de Pinksterbeweging komen we veel buitengewone voorvallen tegen. Ik kan daarvan niet onder de indruk komen als van een bijzonder werk van de Heere, als nadere ondersteuning van de Pinksterlezing.

Allereerst noem ik visioenen. David du Plessis, die onder de charismatische vlag de paus zijn grote vriend kan noemen zag visioenen. Sadhoe Soendar Singh zag de hemel. J. E. van den Brink zag gezichten. De gewezen Geref. predikant A. A. Leenhouts schrijft over visioenen (zie o.a. „Mijn wraak is barmhartig"). Maar Ben Hoekendijk zag in 1969 Utrecht branden en Samuel Doctorian Amsterdam in vlammen opgaan. Inmiddels wordt in Utrecht wél jaarlijks de One Way Day gehouden... De profetie van Ferwerda en Swart uit Friesland — ook binnen Pinksteren niet volledig geaccepteerd — is soms tegen personen gericht. Ik denk dat we met deze buitenissigheden op een uiterst gevaarlijke weg zijn. We hebben Gods Wóórd tot zaligheid.

Tientallen mensen zouden uit de doden opstaan in de opwekking van de Pinksterbeweging, (vlg. Du Plessis en Hoekendijk). Tijdens bijeenkomsten met de inmiddels overleden predikster Kathryn Kuhlman („badend in een goddelijk licht", Hoekendijk) sloegen velen tegen de grond. Soortgelijke dingen gebeurden bij Charles G. Finney. Voetgangers in Chicago, komend langs de zaal waar Dwight L. Moody predikte konden alleen kruipend over de grond langs het gebouw komen.

Het gaat over buitengewone voorvallen, binnen de Pinksterbeweging. William Branham vertelde de patiënten die onder zijn bediening om genezing kwamen uit eigen beweging wat ze mankeerden. (Gordon Lindsay schreef zijn levensverhaal).

Ik kan in dit allea geen noodzaak zien om aan de opvattingen van de Pinksterbeweglng meer gehoor te geven. Buitenissigheden zijn geen privilege van Pinksterchristenen, of van het ware werk van God. Ook bij de hypnotiseur Sordini gingen de mensen tegen de grond. Wie „Mijn beroep is helderziende" van M. B. Dykshoorn leest komt onder de indruk van zijn  mogelijkheden. Toch trad bij pas later toe tot de kerk. De tovenaars in Egypte deden ook tekenen. In „Geneest de zieken" geeft Osborn zelf toe dat sommigen hun genezing verliezen. Maar zou Christus dan half werk doen?

Wondergeloof

Het is onjuist al het onbegrepene te veroordelen. Dat gebeurt onder ons wellicht te gemakkelijk. Waarom zouden we ons oordeel uit moeten spreken over wonderlijke gebeurtenissen, boekjes van Corrie ten Boom of David Wilkerson. Toch dringt zich de gedachte aan wondergeloof bij b.v. de genezingen van Osborn sterk op. Dat moge dan ter waarschuwing dienen.

Zeker, er gebeuren nog wonderen. En ik hoef slechts namen als van Alexander Peden of van Huntington te noemen. Wij hoeven wondergeloof als zodanig niet af te keuren. Zonder het ware geloof is het echter voor de eeuwigheid tekort.

In het ware werk van God verheerlijkt de H. Geest Christus. Op de Pinksterdag wordt meer dóór de Geest dan óver de Geest gesproken. In dat Christusverheerlijkend werk heeft de overtuiging van zonde, gerechtigheid en oordeel, heeft het zondaar worden voor God, een belangrijke plaats. De noodzaak van levensvemieuwende genade en rechtvaardigend geloof in harten van diep gevallen zondaren, Gode tot heerlijkheid, gaat voorop. Van deze elementen merken we zo weinig in Pinksterkringen. Dat diene eveneens tot waarschuwing.

Met onze visie op de Pinksterbeweging echter zijn wij ook niet klaar. Altijd geldt nog de vraag: „zijn er ook weinigen, die zalig worden: strijdt om in te gaan door de enge poort.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 juni 1979

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

Geloof, hoop en liefde meer dan het spreken in tongen

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 juni 1979

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken