Bekijk het origineel

Mensenrechten in Oost en West (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Mensenrechten in Oost en West (II)

Brochure wekt valse hoop

9 minuten leestijd

In een brief van de „Groep tot medewerking aan de uitvoering van de Akkoorden van Helsinki", die aan de vooravond van de Toetsingsconferentie te Belgrado aan de deelnemers werd toegezonden, worden enkele suggesties gedaan om het (voorziene) probleem van de verschillen in benadering tussen Oost en West tot een oplossing te brengen.

Logisch redenerend komen de schrijvers tot de conclusie, dat wanneer er twee tegenovergestelde standpunten zijn, er maar één mogelijkheid is om uit de impasse te geraken, namelijk eensluidende criteria. Wanneer bijvoorbeeld de Oosteuropese afgevaardigden kritiek over de situatie van de mensenrechten in hun land afdoen met de beschuldiging van inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van andere staten, dan wijst dat op de noodzaak om duidelijk'heid te krijgen over de vraag, welke daden van het ene land met betrekking tot de mensenrechten in een ander land als jnmenging in de binnenlandse aangelegenheden beschouwd moeten worden. 30ok willen zij de vraag aan de orde gesteld zien, of en in hoeverre de verspreiding van informatie over gerechtelijke processen en levensomstandigheden van gevangenen kan worden tegengegaan met een beroep op het staatsbelang.

Zinvolle vragen dus in deze brief, die onder meer het voorstel bevat om alle Helsinki-ondertekenaars vrije toegang te geven tot alle processen en gevangenissen binnen het verdragsgebied. Het tragische is evenwel, dat de aangedragen „oplossing" alleen kans van slagen heeft, als het Westen werkelijk bereid is de communistische staten vast te pinnen op de door hen ondertekende verdragen en als de communistische staten open kaart willen spelen en ronduit erkennen, dat naleving van de mensenrechten zoals men dat in het Westen wil en zoals in de VN-documenten is verwoord, in hun maatschappelijk systeem een onmogelijkheid is. Van beide hier genoemde voorwaarden is in Belgrado weinig of iets gebleken...

Tegenstrijdigheid?

In de oecumenische brochure „Mensenrechten in Oost en West" wordt in rverband met onderhavige problematiek het volgende citaat doorgegeven uit de Stotacte van Helsinki: (de deelnemende staten zullen) „het recht van ieder van hen eerbiedigen om vrijelijk zijn eigen politiek, sociaal, economisch en cultureel stelsel te kiezen en te ontwikkelen alsmede het recht om zijn eigen wetten en voorschriften vast te stellen" (pg. 5).

De schrijvers zien hier een moeilijkheid en spreken op pagina 6 zelfs van een innerlijke tegenstrijdigheid in de Helsinki-overeenkomst: „enerzijds", zo zeggen zij, „verplicht men zich de mensenrechten in zijn land te handhaven en te respecteren; anderzijds krijgt men toestemming ze door de eigen wetten en op grond van het eigen politieke, economische enz. systeem te beperken". Een nogal boute stelling!

Reeds eerder werd erop gewezen, dat de hier gesignaleerde „tegenstrijdigheid" alleszins normaal kan zijn. En is het niet veel meer voor de hand liggend om uit het feit, dat het beginsel van de souvereiniteit en de eerbiediging van de rechten van de mens in één verdrag genoemd worden, te concluderen, dat de ondertekenaars in het éne geen of althans geen ingrijpende aantasting wensen te zien van het andere?

Volgens ex-minister mr. M. v.d. Stoel bood het souvereiniteitsbeginsel in ieder geval niet de mogelijkheid verstoppertje te spelen in het geval men aangesproken u worden over (schending van) de jmensenrechten. „Men zou kunnen zeggen", zo stelde hij tijdens een op 17 mei 1977 te Den Haag gehouden voordracht, „dat op het punt van de mensenrechten  de nationale grenzen poreus zijn geworden...Dat betekent dus dat, expliciet op- :komende voor de mensenrechten in het 'kader van Helsinki, men niet intervenieert maar wel insisteert (aandringt), op het naleven van plechtig aangegane verjplichtingen".

Over één kam?

Op grond van bovengenoemde door hen gesignaleerde „tegenstrijdigheid" 'besluiten de schrijvers, dat nu „ieder kan toepassen of weglaten wat hem het beste uitkomt. Dat gebeurt dan ook zowel in het Westen als in het Oosten" (pg. 6). Iets verder wordt gesteld, dat in het Westen de gelijkheidsrechten (zeg maar sociale en economische rechten) onderschat worden, terwijl in de communistische staten de „gelijkheidsrechten de vrijheidsrechten (voornamelijk politieke en burgerrechten) overschaduwen" (pg. 8). Welnu, tegen een dergelijke voorstelling van zaken, waarbij Oost en West wat de naleving van de mensenrechten betreft over één kam geschoren worden (het feit, dat bepaalde gebreken aan communistische zijde meer worden uitgewerkt dan Westerse feilen, verandert hier weinig aan), tekenen wij bezwaar aan.

Het is immers volstrekt duidelijk, dat het zowel wat de sociale als de politieke rechten betreft (zoals die in internationale verdragen zijn omschreven) in het Westen aanzienlijk beter gesteld is dan in de Oostbloklanden. Daarbij gaat het vanzelfsprekend niet aan om - in navolging van de communistische betoogtrant alles aan gene zijde als zwart en alles aan deze zijde ais wit te bestempelen.

Wel moet nuchter worden vastgesteld, dat het in het Oosten zelfs wat de aldaar zo primair geachte sociale en economische rechten betreft nog altijd zeer pover gesteld is. De levensstandaard is beduidend lager dan in het Westen en van het hooggeroemde recht op arbeid blijft bij nadere bestudering niet zo erg veel over. Bij dit laatste wordt in de brochure overigens duidelijk de vinger gelegd, (pg. 11 en 12).

De eerder aangehaalde uitspraak, dat in het Westen de gelijkheidsrechten onderschat worden, is na de langdurige ontwikkeling, die de meeste Westerse staten hebben doorgemaakt van nachtwakersstaat naar verzorgingsstaat, in zijn algemeenheid niet hard te maken. Dit weerspiegelt zich trouwens ook in de door Westerse landen opgestelde VN-documenten inzake de mensenrechten, waarin de sociale en economische rechten én de politieke en burgerrechten gelijkelijk aan hun trekken komen.

Moderne theologie

Wat de verdere inhoud van de brochure betreft, willen we volstaan met enkele opmerkingen. Zoals uit het bovenstaande moge blijken, zijn we niet gelukkig met de teneur van deze voorlichting (we vernamen, dat deze brochure onder weer werd toegezonden aan alle hervormde predikanten). Op een al te gemakkelijke en ongefundeerde wijze wordt op het Westen kritiek geleverd en van de opstelling van de communistische staten gezegd, dat die verdragsmatig te sche zijde; het gaat om de algehele beleidslijn en die is ook na ondertekenine van de Helsinki-akkoorden onveranderd gebleven.

Bij de theologische bijdragen treft men, zoals helaas te verwachten was, geen reformatorische schriftbeschouwing aan. Zo zegt bisschop Frankel (DDR) van Gods geboden, dat zij „geen tijdloze rechtsregels zijn, maar de telkens in een bepaalde historische situatie aan ons geschiedende gebiedende wil van God..." De marxistische denkwijze van deze bisschop moge blijken uit het volgende citaat; „Er zijn structuren, die eerst opgeruimd moeten worden voordat menselijkheid mogelijk wordt, omdat ze op zichzelf een schending van de mensenrechten vormen."

Heeft in zijn bijdrage'de fundamentele notie van de zondeval nog een plaats, in de theologische analyse van prof. Wingren ontbreekt dit kardinale gegeven volkomen. Niet in de zondeval met zijn vreselijke gevolgen, maar „binnen de democratieën" moet volgens hem de fundamentele reden gevonden worden, waarom mensenrechten vertrapt worden, „en in het bijzonder in het denkbeeld dat elke verhoging van de produktie tot gevolg heeft, dat er een grotere taart te verdelen is, en natuurlijk onder ons te verdelen is, tussen ons, die de taart gemaakt hebben."

Godsdienstvrijheid

Op een aspect van ons onderwerp willen we nog de aandacht vestigen. Men zou namelijk op grond van de interpretatieverschillen tussen Oost en West ertoe kunnen komen te zeggen, dat klachten over schending van de mensenrechten aan het adres van de communistische staten geen zin hebben. Immers wat de één een duidelijk geval van schending van bepaalde rechten vindt, worcjt door de ander als een normaal (want aan het systeem inherent) geval van rechtsvervolging beschouwd.

Dat hier sprake is van een ontoelaatbare versimpeling van de problematiek, blijkt om te beginnen uit het reeds genoemde feit, dat tekst en bedoeling van de VN-verdragen niet te rijmen zijn met de communistische uitleg. Verder moet in dit verband ook bedacht worden, dat lang niet alle schendingen van mensenrechten in de Oostbloklanden zijn terug te voeren op interpretatieverschillen. Het is namelijk zo, dat in een aantal gevallen de basiswetgeving (grondwet) en de overige wetten met elkaar in strijd zijn, en voorts is er veelvuldig sprake van onwettig optreden van de (plaatselijke) autoriteiten. Sowjet-grottdwet We willen een en ander kort illustreren aan de hand van de situatie van de godsdienstvrijheid in de USSR. Zowel in de UNO-Verklaring (art. 18) als in de Slotacte van Helsinki (par. VII, 3-e al) wordt godsdienstvrijheid omschreven als de vrijheid om een godsdienstige overtuiging te hebben èn die na te leven (de geboden en voorschriften tot uitvoering te brengen).

In artikel 52 van de Sovjet-grondwet wordt „aan de burgers van de USSR gewetensvrijheid gegarandeerd, d.w.z. het recht om een godsdienst te belijden of om dat niet te doen, alsmede (het recht) om godsdienstoefeningen te houden of om atheïstische propaganda te voeren... In de USSR is de kerk gescheiden van de staat en de school van de kerk". Men mag derhalve een godsdienstige overtuiging bezitten, maar de praktische consequenties daarvan worden (in strijd met de internationale verdragen) beperkt tot het houden c.q. bijwonen van de eredienst.

Nu blijkt, dat het enige recht, dat men volgens de grondwet dus heeft, aanzienlijk wordt ingeperkt door de „Wet op de godsdienstige gemeenschappen" (1929). Volgens deze wet moeten gemeenten een verzoek tot registratie indienen (dat al dan niet beslist over hun bestaansrecht), welk verzoek door de sinds 1975 centrale) overheid kan worden afgewezen zonder vermelding van redenen. Het zal geen verbazing wekken, dat dit laatste regelmatig gebeurt.

Het recht van godsdienstoefening wordt nog verder beperkt doordat volgens de wet, de staat zorg draagt voor het onderdak van de (uiteraard erkende) godsdienstige gemeenschappen. Men kan zich evenwel nergens op beroepen wanneer de overheid niets ter beschikking heeft of het eerder in bruikleen afgestane gebouw weer afneemt omdat het nodig is voor „staats- en maatschappellijke behoeften".

Discriminatie

Wat de onwettige praktijken betreft noemen we discriminatie van gelovigen bij het krijgen van woonruimte, bij de toelating tot instellingen van middelbaar en hoger onderwijs en op hun werk. Veelvuldig ook worden de diverse denominaties (vooral de baptisten) in de pers te schande gemaakt zonder dat zij het recht op antwoord hebben, terwijl ook het huishouden van met kettingen e.d. gewapende knokploegen onder groepjes gelovigen die terugkeren van een godsdienstoefening, aan geen enkele wet in de Sovjet-Unie gerelateerd kan worden.

En dan te bedenken, dat er ook nog ongeschreven wetten bestaan oftewel geheime instructies, die aan de (erkende) gemeenten worden doorgegeven via de Raad voor Godsdienstzaken, het centrale controleorgaan van de kerken...

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juni 1979

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

Mensenrechten in Oost en West (II)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juni 1979

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken