Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

verhaaltjesklok

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

verhaaltjesklok

Oma is ziek (1)

9 minuten leestijd

DoorF.W.Moutv.d. Linden

Het is avond en al behoorlijk laat. De kinderen slapen en de grote mensen zijn ook naar bed gegaan. De lichten zijn uit en het is zo stil in huis. Opeens klinkt er in de stilte gesnik. Huilt daar iemand en waarom? Jaj^.efi.hu^ iemand. Het is een kleine jongen en hij is zo verdriet tig. Die jongen is Jan Jaap. Hij kan niet shpen, hij ligt maar aan oma te denken. Oma die zo ziek is en misschien wel niet meer beter wordt.

Vandaag is mama wel twee maal naar het ziekenhuis geweest en papa is er vanavond ook nog naar toe gegaan. Hij weet, dat oma graag naar de Heere wil. Maar dat is iets wat Jan Jaap niet wil. Hij kan oma nog niet missen. Als oma er niet meer is, wie moet er dan spelletjes met hem doen? Of wie moet er dan verhalen voorlezen? Wie kan zo mooi van de Heere Jezus vertellen als oma? En dan, oma is al zo vaak ziek geweest en ze heeft zo dikwijls in het ziekenhuis gelegen, maar altijd was daar de Heere, die als een machtige Helper oma door ziekte en pijn heenhielp. Jan Jaap kent die verhalen zo goed.

Hij wilde wel, dat hij zoveel van de Heere hield als oma. Maar overdag is hij druk met spelen, hij heeft zoveel te doen. Hij vergeet de Heere nog wel eens. Net als 's avonds, dan bedenkt hij soms met schaamte, dat hij bijna vergeten heeft om te bidden. Hij is blij als moeder komt en vraagt of hij al gebeden heeft. Maar nu heeft hij er iedere avond aan gedacht, hoe moe hij ook was. Hij zou willen, dat de Heere gelijk naar hem luisterde en oma beter maakte. Maar in plaats dat het beter wordt, gaat het slechter met oma. Tenminste de pijn wordt erger en oma kan veel dingen niet meer doen. Daarom gaan opa, mama, tante To en oom Jaap vaak naar het ziekenhuis om oma te helpen. De zusters hebben het zo druk, zij hebben niet overal tijd voor. Opa heeft gezegd dat ze het juist fijn vinden om oma te helpen, nu zijn ze dikwijls bij haar. Ze geven oma drinken en lezen haar voor. Oma heeft een mooi boek gekregen, voor iedere dag van het jaar staat een stukje over de Heere geschreven. Het begint bij één januari en het eindigt met eenendertig december. Het is dan ook een dik boek. Oma heeft zelf al veel bladzijden gelezen.

Vooral de bladzijde van haar verjaardag vindt ze mooi, die heeft ze een paar keer gelezen. Daar staat in, dat er een dag komt, dan zullen de kroonjuwelen van de grote Koning geteld worden. Kroonjuwelen zijn prachtige stenen, die veel geld kosten, weet Jan Jaap. De kroon van een koning of een koningin wordt ermee versierd. Nu vraagt oma aan de Heere Jezus of zij zo'n juweel mag zijn aan de kroon van de grote Koning. Dat vraagt opa ook, heeft oma verteld, niet alleen voor oma en voor hemzelf, maar voor hen allen, dus ook voor Jan Jaap. Dat moet wel iets fijns zijn, want oma's ogen schitteren helemaal als ze daarvan spreekt^

Jan Jaap wordt er gewoon stil van. Hij heeft er met Nellie en Jannie over gesproken. Zij denken ook, dat het iets heel moois is. Het is jammer, dat oma er zelf niet meer over kan lezen, haar ogen gaan pijn doen. Gelukkig dat opa en de anderen nu zoveel komen, zij lezen het voor oma. Zo is er iedere keer weer iets wat oma niet meer kan. En dat vindt Jan Jaap zo verdrietig. Hij denkt, dat de Heere oma niet beter zal maken, zoals Hij de andere keren, dat oma ziek was, wel deed. Hans, zijn grote broer heeft ook gezegd, dat oma wel niet meer beter zal worden. Dat alles houdt Jan Jaap wakker. Hij kan maar niet slapen en opeens moet hij huilen.

Hij duwt zijn hoofd in het kussen. Stel je voor, dat de anderen het horen. Dat mag niet. Het blijft gelukkig stil, maar Jan Jaap kan niet stil worden, hij huilt maar door. Daar hoort hij voetstappen. Wie zou er aankomen? O, het is moeder. Ze is wakker geworden. „Wat is ér vriend?" vraagt ze.

Maar die vriend kan niets vertellen, hij kan Heen maar zijn verdriet uitsnikken. Moeder gaat op de rand van zijn bed zitten. Ze drukt hem tegen zich aan. Langzaamaan wordt het snikken minder. Hij snuit zijn neus eens flink en dan lacht Jan Jaap door zijn tranen heen. „Ik moest ineens huilen", legt hij uit. „Dat hoorde ik", lacht ook moeder. Maar dan vraagt ze ernstig: „Wat is er Jan Jaap? Waarom heb je verdriet?" Nu begint Jan Jaap bijna weer te huilen. „Ik... ik... wil niet, dat oma zo ziek is. Ik wil dat ze beter wordt".

„Dat willen we allemaal", vertelt moeder. „Maar dat is misschien 'niet de wil van de Heere". Dat is nu iets wat Jan Jaap zo moeilijk vindt. „Uzegt altijd dat de Heere Jezus alles kan, dat Hij zo machtig is". „Dat is de Heere ook. Jan Jaap".

„Ik vraag iedere avond of de Heere oma beter maakt en oma wordt steeds zieker". „En nu denk jij, dat de Heere oma niet beter kan maken of je denkt misschien wel, dat de Heere het niet wil. Maar weet je, de Heere geeft ons niet altijd waar we om vragen. Wij willen het liefst, dat de Heere oma gelijk beter maakt, maar de Heere wil oma waarschijnlijk gauw tot Zich nemen. Je weet toch dat oma dat zelf ook graag wil? Daarom moeten we bij alles waar we om bidden, zeggen: Heere Uw wil geschiede. En dat is zo moeilijk, Jan Jaap. Niet alleen voor kinderen, maar ook voor grote mensen. Wij willen graag onze zin hebben. We willen graag, dat de Heere alles doet, waar wij om vragen. Jij en ik, we moeten allemaal leren zeggen: „Heere wat U doet is goed". „Daar heeft de meester op school weleens over verteld", bedenkt Jan Jaap. „Dan heeft hij zeker ook gezegd dat dat zo moeilijk is". Jan Jaap knikt. Hij denkt diep na. „Mam, dus de Heere kan wel alles, maar Hij doet het niet". „Als het niet goed is voor ons, nee, dan doet de Heere het niet". „Ik vind het helemaal niet makkelijk".

Jan Jaap schudt verdrietig zijn hoofd. „Dat is het ook niet, maar de Heere wil je erbij helpen. Zullen we daar samen om vragen?" O, ja, dat wil Jan Jaap wel. Eerbiedig bidt hij mee. Als moeder weer naar fiaar eigen kamer is gegaan, ligt hij er nog over na te denken. Hij weet nu hoe hij voortaan moet bidden. „Uw wil geschiede, ook met oma". Er is een vers van, heeft moeder gezegd. Dat vers staat achter de psalmen. Daar staat ook in van „Uw wil geschiede". Hij zal dat morgen eens opzoeken. Hij zal het tegen de meester zeggen, misschien gaan ze dat vers wel leren. Dan gaat hij dat vers bij oma zingen, hoe moeilijk het ook is. En als hij niet bij oma mag, schrijft hij het op, dan kunnen ze het voorlezen bij oma. Maar eerst gaat hij slapen, hij is zo moe. Hij heeft zoveel gehoord, moeilijke maar ook mooie dingen.

twee jongens op de hei
NEL VERSCHOOR-VAN DER VUS IjMpKmnar

31 — Ze rennen het keukentje In: „MoederI Hoe....?" Maar er is niemand. Ze zoeken om het huisje heen. Ze zien niemand, alleen de gelten staan daar maar te kijken en te mekkeren. Wat is dat nou toch...wat is dat nou toch? De geit staat aan zijn paaltje, net als elke dag. En vader en moeder zijn weg, het huisje is leeg. Ze lopen het keukentje weer In en ze praten samen. „Zouden vader en moeder nog niet thuis zijn van de boer?" „O, Ja hoor, kijk maar, daar ligt de pijp en de tafel Is gedekt". „Ja, en ik ruik worst, ze hebben al gegeten". „Maar waar zijn ze dan naar toe en hoe Is de geit teruggekomen?"

Ze kijken elkaar weer aan en ze begrijpen er niets van. En wéér praten ze samen. „O, Jö, vader en moeder hebben de geit natuurlijk onderweg gevonden!" „En toen hebben ze hem gauw mee naar huls genomen!" „Ja", zegt Klaas, „zó is het vast. Maar hoor es. Wim, dan zijn ze naar öns zoeken. Vast en zeker, ze zijn natuurlijk ongerust geworden. O, wat zal vader kwaad zijn als hij ons straks ziet. HIJ is altijd moe van 't werken bij de boer, moeder ook. En nou zijn ze voor ons de hei nog op!" „Ik weet geen raad", zeat Wim. Opeens pakt Klaas Wim bij zijn arm: „Ga Je mee, zeg, dan gaan we naar bed, dan liggen we alvast. Dan krijg Je nooit zo'n héél erg standje". „Maar ik heb zo'n honger", zegt Wim. „Ik ook. Maar alles is al op, kijk maar, alles Is al weg. Boven zijn wel appels, kom maar, daar mag ik altijd van eten van moeder, kom maar."

BAS VOERT DE KIPPEN

Dit leuke gedicht werd ons gestuurd door de 11-jarige Hermineke de Groot uit Nieuw-Lekkerland.
Kleine Bas mag kippen voeren, Zeven kippen en een haan. Moeder geeft hem 't voederbakje Vol met kost'lijk goudgeel graan. Trots stapt Bas het erf nu op Strooit 't graan en roept: „Kiep, kiep" Maar 't was of hij met zijn roepen Alle soorten vogels riep. Niet alleen de kippen kwamen Niet alleen de witte haan. Maar ook: lijsters, vinken, mussen. Alles pikte mee van 't graan. Eind'Iijk is er niets meer over. Dan gaat Bas weer naar zijn huis. Want hij moet nu zelf ook eten, Vader kwam zoeven thuis! Eer men weer van tafel gaat. Wordt er altijd eerst gelezen. Ook Bas moet hoe klein hij is Dan heel stil eerbiedig wezen. Vader leest Mattheüs zes, „Ziet de vogels, die niet zaaien. Die nooit zorgen voor hun brood. Nooit verzamelen of maaien! Dat de Heere hun voedsel geeft, Elke dag voor hen wil zorgen, Dat een musje nooit bezorgd Hoeft te zijn voor d' andere morgen". Toen aan 't eind zei kleine Bas: „Papa, mama dat is zeker Want ik heb het zelf gezien, Alles wat nu vader las! 'k Ging alleen de kippen voeren Maar wat denk je wel, o hé. Spreeuwen, lijsters, vinken, mussen. Allen pikten dapper mee!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 11 January 1980

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

verhaaltjesklok

Bekijk de hele uitgave van Friday 11 January 1980

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken