Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Poëzie van geloof en twijfel bij christenen en niet-gelovigen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Poëzie van geloof en twijfel bij christenen en niet-gelovigen

Vlaamse bloemlezing in vijfhonderd verzen

9 minuten leestijd

TIELT, België — Waarvan verschijnen er méér op de markt der Nederlandse letteren: nieuwe poëzie of nieuwe bloemlezingen uit vele oude bundels? Misschien houden beide reeksen uitgaven wel gelijke tred. Wellicht zijn we ook eerder een land van bloemlezers, niet per se van Bloem-lezers.

In elk geval behoeft niemand, die een beetje wil kunnen meepraten of zelfs meezingen met hen die de schone Hollandse (inbegrepen de Vlaamse en Zuidafrikaanse) letteren beminnen, zelf alle mogelijke dunne en vaak dure bundeltjes aan te schaffen. De bloemlezers van allerlei soort hebben het voorbereidend werk al voor gedaan en u kunt naar hartelust grasduinen in wordt opgedist uit de literaire wat keuken.

De laatste tijd is ons taalgebied verrijkt met heel wat van dat soort verzamelwerken. Ik denk aan de - ook hier besproken - ,,Spiegel van de Nederlandse poëzie" in twee delen, door Victor E. van Vriesland en Hans Warren. (De laatste heeft in het deel 20e eeuw een wel zeer persoonlijke en bepaald niet representatieve selectie geboden van onze dichtkunst).

Ik denk aan de zojuist uitgekomen herdruk van het „Breviarium der Vlaamse lyriek" van Marnix Gijsen en Karel Jonckheere. Te noemen valt ook de door Gerrit Komrij bijeengegaarde Ijundel ,,De Nederlandse poëzie van de 19e en 20e eeuw in duizend en enige gedichten", waarover een rechtbankzaak aan de gang is, omdat een paar dichters zonder hun toestemming toch gedichten van hen in Komrij's enigszins als satire en kritiek op de ,,officiële" letterkundigen bedoelde verzameling zagen opgenomen.

Daarnaast hebben of hadden we natuurlijk de beschikking over een hele serie thematische, kleinere, bloemlezingen in pocketvorm of anderszins. Boekjes, gewijd aan het oeuvre van één dichter of aan één thema, zoals de mooie verzamelingen van J. W. Schulte Nordholt: gedichten over God, Jezus Christus en de H. Geest. We kennen ook selecties als „Zeven eeuwen katholieke poëzie" (door Anton van Duinkerken) of „Vlaamse poëzie", bijeengelezen door Jos Vandeloo.

Die collectie is nu weer uitgebreid met een reeks omvangrijke en kostbare verzenboeken van uitgeverij Lannoo te Tielt en Amsterdam. In die reeks verscheen nu „En het Woord was bij God", vijfhonderd religieuze gedichten uit de Nederlandse letterkunde, verzameld door Anton van Wilderode (pseudoniem). Al eerder kwamen uit het „Groot Gezinsverzenboek" door Jozef Deleu (in derde druk) en het „Groot verzenboek voor al wie jong van hart is" door de al genoemde Karel Jonckheere.

„En het Woord was bij God" - de titel is bedacht door Kees Fens is géén bloemlezing uit de christelijke lyriek van Zuid en Noord door de eeuwen heen. De titel is daarom ietwat misleidend. Wel zijn het zo'n vijfhonderd „religieuze" gedichten, maar daarbij komen bepaald heel wat dichters aan bod, die men moeilijk in de categorie van christelijke verzenmakers kan rangschikken.

Leo Vroman bijvoorbeeld, of J. H. Leopold of Albert Verwey met zijn esthetische „O Man van Smarte met de doornenkroon" of de Vlaming Willy Spillebeen (die nog de Vlaamse spelling ,,Kristus" hanteert, die elders allang is losgelaten) en de naar eigen belijden volslagen agnosticus Marnix Gijsen.

Maar sommige van hun gedichten zijn wel religieus in die zin, dat ze „God" - wat dat dan voor liun persoon of in hun gedicht ook mag betekenen - met name noemen ot een religieus geladen levensgevoel onder woorden brengen. Het zal duidelijk zijn, dat het moeilijk is, te schiften en duidelijke keuzeregels te hanteren.

Selectie
Persoonlijke voorkeur speelt daarbij een slinke rol en de samensteller, die zelf ook als dichter en literair publicist naam gemaakt heeft, is de eerste om dit toe te geven. In dat opzicht is kritiek op de keuze nauwelijks mogelijk: het is zijn keuze, niet de mijne. Die zou naast tal van ook hier opgenomen gedichten vele andere bevatten, die mij al jaren vergezellen. Ook dat zouden niet per se „christelijke" gedichten zijn, want ,,Na Gethsémane" van de platonist P. C. Houtens kan evengoed ontroeren als sommige eenvoudige sonnetten van Marinus Nijsse.

Kritiek op de selectie kan dus achterwege blijven omdat Van Wilderode echt niet de pretentie heeft, hier een soort lengtedoorsnede van de hele Nederlandse godsdienstig getinte poëzie te geven. Hij kiest vooral voor dichters van onze eeuw; van vóór 1900 komen een vijftigtal gedichten aan bod, o.m. van Vondel, Jan Luyken, Constantijn Huygens, Willem Bilderdijk en Jeremias de Decker.

De smaak van Van Wilderode gaat niet uitsluitend uit naar RK dichters, maar dat ze een grote plaats innemen is voor de hand liggend. De mensen rond het vroegere lilad „De Gemeenschap" komen dan ruimschoots aan bod. We vinden vaak Gabriel Smit, Jan Engelman, Michel van der Plas ook, Anton van Duinkerken en natuurlijk heel wat ten onzent onbekende Vlamingen, üf kende tl wel „Kerstavond in Veume - Ambacht" van Fernand Florizoone? (De dichtersnaam alleen al is pure poëzie...)

Protestanten

De vijfhonderd verzen zijn dus afkomstig van een relatief toch beperkt aantal poëten: terecht is niet gekozen voor de wellicht meer waardenvrije, maar waardeloze, selectie volgens het „één dichter - één gedicht" - beginsel. Dat betekent, dat we Van der Plas, Karel van de Woestijne of Guido Gezelle heel wat malen ontmoeten.

De protestants-christelijke poëzie is sober vertegenwoordigd, maar gelukkig niet vergeten: De Mérode bijv. en Anthonie Donker, Muus Jacobse, maar weer niet W. A. P. Smit. Wel een paar gereformeerde dichter-dominees: Jaap Zijlstra en Hans Bouma en - opmerkelijk genoeg - één Vrijgemaakte Geref. dichter: de neerlandist' Lenze L. Bouwers met het vers „Perspektief' uit zijn bundel „Leven". Diverse andere Vrijgemaakte dichters kent de samenlezer niet, om van de zogenoemde reformatorische letterkunde maal helemaal te zwijgen.

Reformatorisch

Is dat nu bewust negeren of gewoon gebrek aan kennis? Ik vermoed het laaUite. Op een kritische bespreking van de platenatlas der Nederlandse letteren .schreef bijv. samensteller drs. Wam de Moor mij, dat hij graag wat méér van die reformatorische letterkundigen zou vernemen. Kennelijk presenteert die groep - die geen „groep" of duidelijk geprofileerde richting is - zich nog te weinig in de literaire wereld van onze dagen.

Valse schaamte wellicht? Hun sonnetten zijn toch niet slechter dan die van Gerrit Komrij of het geraas van Jan Kal? Hun moderne poëzie toch niet minder acceptabel dan dat van Omslag van het door Anton van Wilderode bijeengelezen lijvige boekwerk vol religieuze poëzie uit Zuiden Noord-Nederland. andere epigonen der Vijftigers? Hun eenvoudige stichtende verzen toch niet méér rammelend dan gelijkaardige binnen de klieken, die door Jeroen Brouweis zo aardig zijn aangevallen? In elk geval heeft Van Wilderode bij zijn religieuze poëzieverzameling heel wat bundels over het hoofd gezien. Wat hij wèl deed, terecht, is het opnemen van verzen van Zuidafrikanen tenslotte zijn ze van de Nederlandse stam... - onder wie de nu 65-jarige Elisabeth Ëybers, die vanuit ons land publiceert en van Dirk Opperman („Wederkoms").

Gossaert en Emmaus

Soms slaat de bloemlezer de plank mis bij zijn keuze. Dat doet hij bijv. bij de gedichten over Paasavond en Eminaus, waarbij ook het bekende „Libera nos, Domine!" (verlos ons Heere) van Geerten Gossaert (prof. F. C. Gerretson) wordt afgedrukt. Dit gedicht lijkt op het eerste gezicht te gaan over de Emmaüsgangers, maar Gerretson zelf heeft later de sleutel voor het verstaan ervan vrijgegeven: de vreemde, die de klink der deur lichtte, was niet Christus, maar juist de satan! De fout in de uitleg is gemakkelijk gemaakt; het prachtige gedicht eindigt niet voor niets met „Maar 't laatste van dit bitter lied Zal God alléén verstaan."

Ik zei het al: het zijn niet allen christendichters. Toch staat het christelijk geloof voor de samensteller centraal. Het mooi gebonden boek (608 blz., acht fraaie kleurenillustraties van grafschilderingen en uit de O. L. Vrouwekerk te Brugge, prijs 69 gulden) heeft immers deze indeling: Het Woord en de woorden. Ik geloof. Ik geloof in God. Ik geloof in Jezus Christus, Ik geloof in de Heilige Geest. Ik geloof in de gemeenschap van de heiligen en Ik geloof in het eeuwige leven.

Geen rijmers

Dichters met hun vragen, hun wanhoop, hun zoeken op de heen- èn de terugweg kregen erin hun plaats, waarbij ook het literair gehalte voorop stond. Geen stichtende rijmers en christelijke verzenfabrikanten, wier oplagen de vele duizenden overtreffen, kregen ruimte, wel sommige uitgaafjes in eigen beheer. Spottende, beledigende of badinerende verzen over God werden geweerd, evenals wat Van Wilderode noemt de „onserieuze raadgevingen aan God hoe Hij zijn wereld behoort te leiden".

Goed rooms draagt de bloemlezer de bundel op „aan allen, die wetend of onbewust met de Heer onderweg zijn (...)". Daartoe behoort in zijn visie - die wij niet delen - zeker iemand als Ed Hoornik, die in „Tweespalt (2)" deze terzinen neerschreef:

„Onmachtig ben ik, God, U te belijden.

Poolstilte waart Gij, toen ik om U schreide,

wanhopig wachtend het gestelde uur.

Gij laat mij hongren zonderr rust of duur;

Gij hebt mij lief achter een blinde muur.

Hoe haat ik U, hoe blijf ik U verbeiden."

Herkenbare poëzie, of niet soms? Dichtertaal doorbreekt soms ook andere dan taalgrenzen: die van kerkmuren, leerstellingen, principes-terwille- van-het-principe.

Aantekeningen

Wie zó leest kan vele genoeglijke uren beleven aan ,,Het Woord was bij God", ondanks de in dit opzicht weinig geslaagde titel. Ondanks ook één manco: de nogal willekeurige en gebrekkige annotatie: van Hadewijch en Suster Bertken e.d. worden middelnederland. se termen wel verklaard, maar naar de betekenis van sommige hedendaagse dichters kan men als Noord-Nederlander gissen. Of weet u zonder aarzelen wat „O Zee, die mijne lip doorkeent..." van Karel van de Woestine betekent? Of „Een bonke keerzen kind!" van Gezelle?

Tenslotte: herkenbaar, maar verwerpelijk, is een zo aardgebonden gedicht als „God Spreekt" van Jan Greshoff, die één van zijn verzen zó besluit: ,,Zoek u op aarde een aards geluk, /Bemin de vrouw die bij u ligt, / Kus haar gesmolten lippen stuk: /Toch, altijd, ku.st gij Mijn gezicht". Dat lijkt op de Hafische strofen van Jan Eekhout, maar het is een vitalistische parodie op het christelijk geloof: wijn en „wijf zijn geen gave Gods op de wijze waarop Greshoff die „vertaalde".

De reeks bloemlezingen van Lannoo wordt voortgezet met .,Vijfhonderd verzen over de vrouw" door de Gezelle- specialiste Christine D'Haen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 26 februari 1980

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

Poëzie van geloof en twijfel bij christenen en niet-gelovigen

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 26 februari 1980

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken