Bekijk het origineel

Kerk in diaspora: niet gebalde vuist, maar doorboorde handen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Kerk in diaspora: niet gebalde vuist, maar doorboorde handen

Dr. G. H. v.d. Graaf op Oost-Europadag:

6 minuten leestijd

UTRECHT — „De diaspora is geen noodlot, maar het wezenlijke van de gemeente. Zij kennen het vreemdelingschap dat wij niet meer kennen. Zij krijgen de kans zich daarop te bezinnen vanuit de Bijbel. Zij beleven en leven het geloof uit in hun dagelijks leven", aldus dr. G. H. van de Graaf op de informatiedag over Christenen en kerken in Oost-Europa, die georganiseerd werd door de Europacommissie, waarin onder andere de Gereformeerde en Nederlands Hervormde Kerk samenwerken.

De bijeenkomst, die gehouden werd in de Christelijke MTS „Scutos" te tltrecht, werd geopend door de voorzitter van de -commissie, dr. J. van Klinken, in zijn openingswoord zei hij flat er twee doelen zijn bij het OostEuropawerk. Het ene doel is het gezatnenlijk van dienst zijn ten aanzien Van Europa, het andere is om vanuit de vragen en perspectieven die zich daar voordoen, hier voorlichting te geyen. Men moet niet gaan werken vanuit de noden daar. Het gaat om een ontmoeting met hen en hun christen zijn hetgeen kan leiden tot innerlijke rijping van jezelf.

Vervolgens sprak dr. Van der Graaf, Herv. predikant te Vlaardingen, die 'in Roemenië is gepromoveerd. Ik voel ;mij, zo zei hij, erg betrokken bij de •praktische benadering van de diaspo'ra, dit mede ook door persoonlijke eraaringen die hij de afgelopen twaalf jaren heeft opgedaan. Om de diaspora Je kunnen begrijpen, moet men weten jdat Oost-Europa een vergaarbak is ,van nationaliteiten. De grenzen zijn j;r vaak gewijzigd, hetgeen leidde tot minderheden in bepaalde landen, bijvoorbeeld Duitsers in Polen en Rusland.

Minderheden

Met een van die minderheidsgroepen, namelijk de Hongaren in Roeme-, nië heeft hij veel contact, vooral met hen die behoren tot de Hongaars Hervormde (ot Gereformeerde) Kerk in Roemenië. Wat, voor hen geldt, geldt niet voor elke minderheidsgroep. Sinds 1947 is men gaan spreken over de diasporagemeenten in Oost-Europa. De Oostduitse bisschop Krusche zegt daarover in' het boek „Kerk in het socialisme" van dr. Hebly: ,,Wij christenen in Oost-Europa leven in een ideologische, politieke diaspora. Wij leven in een systeem waarin de levensbeschouwing dwingend wordt opgelegd".

De kerk is in het leninisme-marxisme een vreemdeling en op de lange duur een ongewenste vreemdeling. Hoewel godsdienstvrijheid bij de grondwet bestaat, staat ook in diezelfde grondwet dat zij moet verdwijnen. In geen enkel Oosteuropees land is plaats voor het geloof in God. Dit is de diaspora waarin de christenen daar leven.

Keuze

De kerken, die traditioneel volkskerken waren en een zekere politieke macht hadden, moeten omschakelen. Bij die omschakeling komen zij voor een keuze te staan. Moeten zij zich volledig aanpassen, volledig afsluiten (isoleren) of het beleid kritisch volgen? De Evangelische Kirche in de DDR heeft bijvoorbeeld duidelijk voor de laatste mogelijkheid gekozen. Men keurt het systeem niet af, maar plaatst er binnen de mogelijkheden die daarvoor zijn kritische kanttekeningen bij.

Een ander probleem is dat de verkondiging binnen de muren van de kerk moet plaats vinden, het bedrijven van evangelisatie of zending is uitgesloten. Ook bij de oecumene komt men voor grote problemen te staan, omdat zij door de overheid gestimuleerd wordt, zodat moeilijk te onderscheiden is wat eigen is en wat niet. Ook de mogelijkheden tot publikatie zijn beperkt.

Maar het grootste probleem voor de christenen vormt toch wel de maatschappelijke kant van hun christen zijn. Het behoren tot een kerk kan consequenties hebben voor je carrière. Ook de relatis tussen ouder en kind zijn moeilijk als je weet dat je kind op school verteld wordt, dat het geloof in God een sprookje is, dat het berispt wordt omdat het de catechisatie bezoekt. De grote vraag voor hen is wat moet ik met mijn christen zijn aan? Hoe beleef ik het in deze samenleving?

Het spreekt vanzelf dat deze problemen nog groter zijn, als men behoort tot een minderheid zowel wat nationaliteit als confessie betreft. Men wordt daarom al gewantrouwd. Men trekt zich terug op de eigen cultuur. Het gevaar voor de kerk is dan dat het nationalisme de boventoon gaat voeren en niet het geloof. Gelukkig beseft men dit ook in de kerk. Als men een keuze heeft gemaakt en men tot een kritische solidariteit overgaat. Dan nog is het zo dat de kritiek die men geeft, vaak verkeerd wordt begrepen.

Dit komt omdat de machthebbers aan de meegaande Orthodoxie gewend zijn en zij geneigd zijn te denken dat achter kritiek nationalistische gevoelens zitten. De volgzaamheid die soms op te merken valt heeft dan ook iets van niet anders kunnen. Dat de oecumene in Roemenië een geweldige kans zou hebben staat buiten kijf, maar toch is er ondanks alle conferenties veel koud vuur, ten dele veroorzaakt door het feit dat de regering die conferenties organiseert.

Dat publikatiemogelijkheden bemoeilijkt worden door het feit dat het Hongaars een minderheidstaal is, is duidelijk. De regering probeert de kerk vooral op organisatorisch terrein te controleren. Men geeft dan aan bisschoppen verantwoordelijkheden die zij nooit gehad hebben en de dominee wordt een soort van alleenheerser door het buitenspel zetten van kerkeraden. Hierdoor ontstaat het gevaar van conservatisme, van verstarring.

Taalproblemen

Aangezien de staat een Roemenisering nastreeft van alle minderheden, heft hij ook de Hongaarse scholen langzaam meer zeker op. Het gevolg is dat de kinderen geen Hongaars meer leren, zij kunnen daardoor de kerkdiensten niet meer volgen. Nu zou men kunnen beginnen met het preken in het Roemeens, maar dit is bij de wet verboden omdat er dan sprake is van protestantisering. Door het verleren van het Hongaars wordt vaak het contact met de kerk verbroken. Het is helaas onmogelijk om daar iets aan te doen.

Het is natuurlijk duidelijk dat men snel de neiging krijgt verbitterd te raken. Men is zelf door geboorte lid van de kerk geworden en zal dat tot zijn sterven blijven, maar voor de toekomst van de kerk ziet men vaak geen uitzicht. Hebben zij dan nog hoop? Ja zeggen zij ,,er is een goede God, Die weet..

De grote mogelijkheid is dat wij een onvergelijkbare Heere hebben, Die doorwerkt". Het geloof werkt dus in die gemeenten. ,,Zij zijn als christenen degenen die zaaien en de vrucht,en mogen komen. Het is alles een zaak van geloof', aldus dr. Van de Graaf.

Volgens hem hebben zij het contact met ons hard nodig, omdat men zo geïsoleerd leeft, is de behoefte daaraan zeer groot. Contact houden wil niet zeggen massaal daar heen gaan met een filantropische instelling, want dan verzwakken wij hen. Het contact moet aanleiding geven tot wederzijdse .stimulatie en moet goed onderhouden worden om niet uit. elkaar te groeien. Ook wij moeten ons bezinnen en een keuze maken in onze maatschappij. „Het is de opdracht van de diasporakerk om niet de kerk van de gebalde vuist, maar de kerk van de doorboorde handen te zijn", aldus dr. Van de Graaf, over wiens referaat plenair en in groepen uitvoerig werd gediscussieerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 24 maart 1980

Reformatorisch Dagblad | 10 Pagina's

Kerk in diaspora: niet gebalde vuist, maar doorboorde handen

Bekijk de hele uitgave van maandag 24 maart 1980

Reformatorisch Dagblad | 10 Pagina's

PDF Bekijken