Bekijk het origineel

Na de Reformatie heerst nog altijd de revolutie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Na de Reformatie heerst nog altijd de revolutie

6 minuten leestijd

Een opvallende tegenstrijdigheid komt aan het licht bij het lezen van mijn artikel over de Kerkzang der Reformatie in het Reformatorisch Dagblad van 1 augustus j.l. en van het tegenwoord van de heer A. M. Alblas.

Terwijl ik mij in alles laat leiden door hetgeen de grote reformator Johannes Calvijn en zijn voorzanger Pierre Vallete schreven in hun voorwoorden bij het gereformeerde Psalmboek, met instemming doorgeef wat ds. Petrus Datheen en Maritix van Sint Aldegonde in navolging van Calvijn ons kerkvolk leerden en volop citeer wat de kerken der Reformatie hier te lande en in Duitsland voorschreven ten aanzien van het langzame, eerbiedige en majesteitelijke tempo van de psalmzang en het kerklied..., doet de heer Alblas zijn best toch maar vol te houden, dat „we eigenlijk niets weten over het tempo van het Psalmzingen in Geneve ten tijde van Calvijn".

Wie van harte de Reformatie is toegewijd en met Calvijn en al die andere zo even genoemde personen èn kerken zich door een sterke band des geloofs weet verbonden — zoals schrijver dezes — zal, wanneer hij over de geschiedenis van de psalmgezang en kerkmuziek nadenkt, altijd dankbaar zijn voor hetgeen de kunstzinnige reformator Calvijn op dit gebied geleerd heeft.

Van mijn vader, de orgelist Jan Zwart (1877-1937) is het kernachtige motto afkomstig: „Zonder Calvijn geen Sweelinck, zonder Luther geen Bach".

Wat hebben deze mannen der Reformatie bevruchtend gewerkt op heel het machtige muzikale oeuvre der reformatorische kerkmuziek.

Onrecht

Wie daarbij beweert, zoals de heer Alblas: „van het tempo van de psalmzang maakte Calvijn geen principe", doet als zovele roomse en liberaal vrijzinnige bestrijders van Calvijn, de grote Hervormer èn de kerkmuzikale ontwikkeling der reformatie tot en met Bach beslist onrecht aan.

Wat dit betreft past het ons het grote erfjoed der Reformatie in ere te houden, temeer omdat na de Reformatie — zoals we allemaal weten, maar veel te weinig beseffen en in rekening brengen — in de periode van de Verlichting de grote revolutie is gekomen, waarvan die erfenis der Reformatie nog altijd de dupe is.

Wereldse muziek

Dr. K, Ph. Bernet Kempers geeft er in zijn Muziekgeschiedenis een duidelijke omschrijving van: „Reeds tijdens het leven van Bach (1685-1750) begon in Duitsland de monodie (de alleenzang, die als melodische bovenstem het voornaamste element in de muziek wordt) het contrapunt - de meerstemmigheid te verdringen. De vernieuwing der muziek na 1725 is de meest ingrypende tussen 1600 en 1900.

Was de muziek van en vóór Bach geïnspireerd door voorstelling van aardse of hemelse majesteit en stonden kerkelijke en religieuze muziek toen in hoog aanzien, dat alles werd omstreeks 1725 geheel anders. Men zoekt dan het subjectieve, wereldse en individuele, waarbij de revolutie (aldus nog steeds dr. Bernet Kempers) zich vooral op instrumentaal gebied voltrok.

Een minder diepzinnige levens- en kunstopvatting wilde alleen de toevallige aandoening en de onmiddellijke uiting daarvan laten gelden. Het was de tijd der Empfmdsamkeit (uiterste gevoeligheid), der „Schöngeisterei" (het ijdeltuiten met een gevoelige, schone ziel), van het Rococo (op de spits gedreven sieriijkheid en verfijning). Dit alles verdroeg muzikaal geen polyphonic. Bij het Rococo ontbreekt de voorstelling van majesteit in de muziek. De Style Louis XVI en de Sturm und Drang wortelt in de kringen, die zowel in de litteratuur en de muziek, alsook in de politiek de revolutie voorbereiden. Zij nam de door Rousseau gepredikte terugkeer tot de natuur en de natuurlijkheid ter harte. De Sturm und Drang is bovendien opstandig, heftig en strijdlustig".

Revolutie

In dit verband moet nooit vergeten worden, dat het een der gevolgen van de Franse Revolutie is geweest, dat in Parijs het eerste Conservatorium werd gesticht. Dit muziekonderwijsinstituut — stoelend wat zijn onderwijs o.m. in dirigeren betreft op de revolutionaire Mannheimer School — heeft zich sindsdien van de Franse hoofdstad uitgebreid over gans Europa en de gehele wereld. (Matthijs Vermeulen in Princiepen der Europese Muziek.)

Welnu, het is deze revolutie op muzikaal gebied, die de kerk en de kerk-stijl de rug heeft toegekeerd. Een nieuwe revolutionaire manier van dirigeren deed dank zij Stamitz en de Mannheimer School haar intrede, waarvan nu nog — meer dan twee eeuwen later — de kerkmuziek van Calvijn tot en met Bach de dupe is.

Wie op dit gebied wil zoeken — het blijft christen-musici en christen-scribenten geboden — naar de historisch juiste tempi van psalmgezang en reformatorische kerkmuziek, kan niet om Calvijn heen! Mijn eerste artikel geeft eerlijjée citaten uit de niet weg te redeneren documenten der reformatie.

Wie echter wil volhouden dat in de kerk van Geneve ten tijde van Calvijn de psalmen snel en in een vrij hoog tempo (MM 120-144) werden gezongen (J. R. Liïth); wie werkt met de revolutionaire idee van een halve polsslag, die tegen de natuurlijke orde ingaat en bij geen mens bestaat (dr. J. van Biezen) en wie ontkent dat het psalmzingen op hele en halve noten maestoso, majesteitelijk en waardig diende te geschieden, stoelt met zijn drang tot snelle kerkzang — hoewel ongewild en ongedacht — op de verderfelijke wortel der Mannheimer muziekrevolutie!

Waardigheid

Deze discussie, die mijnerzijds een oproep tot reformatie inhoudt, beëindig ik met een enkel woord van de altijd principiële reformator Johannes Calvijn: „Voorts is meer dan klaar en duidelijk, dat noch de stem, noch het gezang enige kracht heeft in het gebed, noch een haar voordeels doet bij God, zo 't riiet komt uit een diepe en grondige beweging des harten"...

...„En om de waarheid te zeggen, wanneer het gezang naar de waardigheid (gravlteit) en stemmigbeid, dewelke Codes en der Engelen aanschijn betamelijk is, gepast en gematigd wordt, zo geeft het de heilige oefeningen, aanzien en aangeiiaamheid, en het is zeer krachtig om de harten tot ware vurigheid en naarstigheid in het bidden op te wekken. Men moet nochtans vlijtig toezien, dat de oren niet aandachtiger zijn tot de zoete melodie der stemme, dan de harten tot het geestelijke verstand en begrijp der woorden. Wanneer derhalve deze matigheid wel wórdt waargenomen, zo is het zingen zonder twijfel een zeer heilige en heilzame instelling"...

Tot zover Calvijn in zijn Institutie (III, 20, 31, 32 in de vertaling Corsmannus 1889). Woorden, die bij de gedeformeerde tempojacht van heden uitermate actueel zijn. Geve God er gehoor aan bij velen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1980

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Na de Reformatie heerst nog altijd de revolutie

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1980

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken