Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Integratie betekent veel meer dan het samenvoegen van twee schooltypen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Integratie betekent veel meer dan het samenvoegen van twee schooltypen

Basisschool gaat kleuter- en lagere school vervangen

37 minuten leestijd

In augustus 1983 moet volgens de plannen de nieuwe Basisschool voor kinderen van 4-12 jaar van start gaan. De Wet op het Basisonderwijs is klaar en ligt ter behandeling bij de Tweede kamer. De basisschool zal dienen ter vervanging van de huidige kleuter- en lagere school. Nu betekent dat niet zonder meer een samenvoeging van beide bestaande schooltypen, maar het gaat om een inhoudelijk nieuw soort onderwijs in veel opzichten.

Integratie, ja of nee? De integratie van het kleuter- en lager onderwijs is een zeer ingrijpende gebeurtenis in ons onderwijsbestel. In dit artikel gaat de heer E. Blaauwendraat, leraar aan De Driestar in Gouda, in op de consequenties ervan, in het bijzonder voor het christelijk onderwijs. Hij gaat daarbij in op de volgende vragen:
• Is integratie wel zo nodig?
• Hoe zal de nieuwe basisschool eruit zien?
• Hoe moeten we uitdrukking geven aan onze identiteit in het dagelijks handelen?

De integratie betekent dan ook een gigantische operatie in het bestaande onderwijs. En hoewel er nog nauwelijks een kleuterleidster of onderwijzer(es) te vinden is die niet overtuigd is van deze operatie, bestaat er toch wel onzekerheid omtrent de lijnen waarlangs deze vernieuwing moet lopen en het punt waar ze uit moet komen.

Zoals al gezegd gaat het om de ontwikkeling van een nieuw schooltype. De basisschool zal niet bestaan uit een kleuter en lagere school, die weliswaar bij elkaar inwonen maar verder ongestoord hun eigen leven blijven leiden, nee, het moet komen tot een harmonische samenleving waarin een vloeiende lijn is te ontdekken in pedagogische en didaktische aanpak. Dat wil zeggen dat de onderwijsgevenden ;,in die basisschool op dezelfde wijze, vanuit dezelfde beginselen en met hetzelfde doel voor ogen, kinderen opvoeden en onderwijzen.

Basisschool

Sommigen denken misschien nog dat de kleuterschool bij de lagere school gevoegd wordt en dat daarmee de integratiekous af is. Je hangt een bord „Basisschool" boven de deur en klaar is Kees. Maar zo eenvoudig is dat niet. Deze basisschool zal in veel opzichten niet lijken op de huidige lagere school. Om een paar zaken even aan te stippen — straks gaan we daar nader op in — noemen wij het volgende:

- het zittenblijven zal afgeschaft worden; 

- het onderwijs moet aangepast worden aan het niveau, het tempo en de belangstelling van het kind;

- bekeken moet worden in hoeverre leerstof die we de kinderen aanbieden past bij de uitgangspunten en doelstelingen van ons onderwijs;

- datzelfde geldt voor de wijze waarop de onderwijzer les geeft en de activiteiten die het kind onderneemt bij het leren

- kinderen met problemen (op het gebied van het leren of het gedrag) moeten in de basisschool aangepaste hulp ontvangen;

- afspraken moeten worden gemaakt over hoe we met kinderen behoren om te gaan, hoe we belonen en straffen, welke regels er in de school zullen gelden, met andere woorden: welk pedagogisch klimaat er in de basisschool zal heersen; 

- de rol van de ouders in dit hele opvoedings- en onderwijsgebeuren moet duidelijk omschreven worden;

- en ten slotte maar niet het minst moet worden vastgesteld vanuit welke grondslag en met welke doelstellingen voor ogen de onderwijsgevenden in de basisschool zullen moeten werken.

De identiteit van de school zal heel duidelijk ingekleurd moeten worden en — wat veel moeilijker is — alle bovengenoemde terreinen zullen moeten worden belicht vanuit de identiteit. Als het goed is hebben de doelstellingen, zoals ze door een bepaalde basisschool geformuleerd worden, consequenties voor de methoden die men kiest, de leerstof die men aanbiedt, de werkvormen die men hanteert, de activiteiten die men de leerlingen laat verrichten, de wijze waarop de onderwijsgevenden met elkaar, met de ouders en met de kinderen omgaan.

Christelijke didaktiek

Professor Waterink, in leven hoogleraar in de pedagogiek aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, heeft er zich herhaalde malen over beklaagd dat het christelijk onderwijs er nooit in geslaagd is een eigen (dus christelijke) didaktiek (dat is leer van het onderwijzen) te formuleren. Misschien hebt u ook wel eens de opmerking gehoord: de christelijke school duurt maar tot half tien. Met andere woorden: na de bijbelles kun je niet meer zien datje in een christelijke school bent. Men gebruikt dezelfde methoden en werkwijzen als bijv. in het openbaar onderwijs.

Of dat nu volledig waar is of niet doet er weinig toe. Feit is dat we nu als het ware uitgedaagd worden om eens precies op te schrijven wat ons drijft en bezielt in het christelijk onderwijs en zo in de praktijk met de kinderen te werken dat daar ook iets van zichtbaar wordt. Dat is een moeilijke, maar ook zeer waardevolle opgave. Wie weet lukt het ons om althans een aanzet te geven tot een christelijke didaktiek. Het zal duidelijk zijn dat, waar er zoveel aan de hand is en zoveel op het spel staat bij de integratie, de medewerkmg van alle betrokkenen (besturen, personeelsleden en oudercommissies) onontbeerlijk is. Voor leidsters en onderwijzers is er zelfs een nieuwe 2-jarige cursus gestart in september (o.a. aan „De Driestar") om hen te ondersteunen bij de ontwikkeling van een schoolwerkplan voor de nieuwe basisschool.

Nieuwe opleiding

Als de kleuter- en lagere school gaan verdwijnen kunnen de bestaande opleidingen voor kleuterleidsters (OK) en onderwijzers (PA) op den duur ook niet meer gehandhaafd blijven. Ook op 1 aug. 1983 moet de PABO (Pedagogische Academie Basis-Onderwijs) van start gaan. Hard zal moeten worden gewerkt de komende jaren om deze PABO gestalte te geven. Wat dat betreft verkeren we bij „De Driestar" in de gelukkige omstandigheid dat we nu reeds een opleiding voor onderwijzers en kleuterleidsters onder één dak hebben. Dat zal de integratie van beide opleidingen zeker vergemakkelijken. Dat maakt het ook gemakkelijker om onze studenten die nu op de PA en de OK zitten reeds enigszins voor te bereiden op hun functioneren straks in de basisschool.

Van wie is de gedachte?

De huidige minister van Onderwijs en Wetenschappen Pais (VVD) heeft een wetsontwerp op het „Basisonderwijs voor 4-12 jarigen" ingediend bij de Tweede kamer. Hij heeft dit wetsontwerp, na enkele wijzigingen te hebben aangebracht, overgenomen van de vorige minister Van Kemenade (PvdA). Doch ook Van Kemenade is niet de „vader" geweest van de integratiegedachte. Dat dit toch algemeen gedacht wordt berust op een misverstand. De integratiegedachte is niet van vandaag (Pais) of gisteren (Van Kemenade). Reeds in 1970 diende de toenmalige staatssecretaris van O. en W. Grosheide (AR) die „diende" onder minister Van Veen (CHU), de huidige voorzitter van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen, een nieuw wetsontwerp in op het basisonderwijs voor 6-12 jarigen. U ziet: vogels van zeer diverse pluimage hebben zich hiermee bezig gehouden. Dat verklaart waarschijnlijk ook voor een deel de grote overeenstemming die er in politieke (en onderwijs-) kringen bestaat omtrent de ideeën rond een nieuwe basisschool.

Stukje geschiedenis

In het Voorontwerp van de Wet van Grosheide (voor 6-12 jarigen dus) stonden de volgende gedachten centraal:

- het zittenblijversprobleem moet opgelost worden;

- het kind moet centraal gesteld worden in plaats van de leerstof;

- er moet wat aan het aansluitingsprobleem tussen kleuter- en lagere school gedaan worden.

Met deze doelstellingen was eigenlijk iedereen het eens. De kritiek die er loskwam richtte zich tegen de derde gedachte. Niet dat men in het onderwijsveld niet vond dat er een aansluitingsprobleem bestond (integendeel!) en ook niet omdat men vond dat er niets aan gedaan moest worden (alweer integendeel!) maar men vond dat de voorgestelde oplossing niet afdoende was. Grosheide wilde n.l. door een andere werkwijze in de eerste klas (meer spelend leren) dit probleem te lijf gaan. Intussen waren echter al overal in den lande speelleerklascursussen gestart en in de praktijk bleek dat óf de oplossing niet afdoende was, óf het probleem verschoven werd naar de overgang van klas 1 naar klas 2.

Kortom: Grosheide moest zijn huiswerk overdoen. Er moest een heei nieuw type onderwijs komen, n.l. basisonderwijs voor 4-12 jarigen, dat het huidige kleuter- èn lager onderwijs zou vervangen.

Kleuteronderwijs

Is dat aansluitingsprobleem zo groot dan? Inderdaad, men spreekt zelfs van een breuklijn in de ontwikkeling van het kind op ± 6-jarige leeftijd. Het kleuteronderwijs gaat uit van de Kleuteronderwijswet van 1956. Dat is een vrij moderne wet dus, waarin bijdetijdse inzichten zijn neergelegd. Het onderwijs zoals dat in de kleuterschool wordt gegeven is vastgelegd in het Speelwerkplan, waarin de volgende onderdelen omschreven moeten worden: godsdienstige vorming, lichamelijke ontwikkeling, taalontwikkeling, muzikale vorming, ontwikkeling van andere middelen tot expressie, sociale vorming' en verstandelijke vorming. Merkt u op dat verstandelijke vorming pas helemaal aan het eind komt? Ziet u ook hoe veelzijdig het onderwijs in de kleuterschool is? Het doel van het kleuteronderwijs is: het kind de gelegenheid geven zich spelende te ontwikkelen. Hiertoe gebruikt men het ontwikkelingsmateriaal: blokken, puzzels, lotto's, klei, papier, zand, water, enz. De kinderen werken individueel (arbeid naar vrije keuze) of in groepjes (een groep tekent, een andere is aan het bouwen, enz.) of in de kring (vertellen, zingen). Wat het meest opvalt in de kleuterschool is de gezellige drukte die er heerst, het geroezemoes vaak, het spelen en bewegen. Ook de verstandelijke vorming verloopt spelenderwijs of vindt bijv. in het speellokaal plaats tijdens bewegingsonderwijs.

Lager Onderwijs

Het lager onderwijs wordt geregeld in de Lager Onderwijswet van 1920. Deze wet is zeer moeizaam tot stand gekomen na vele jaren strijd tussen voor- en tegenstanders van het Bijzonder Onderwijs. In allerlei opzichten ademt deze wet nog de sfeer en de ideeën van de vorige eeuw.

Toen de wet ingevoerd werd was lager onderwijs voor zeer veel kinderen nog eindonderwijs, d.w.z. ze gingen na de lagere school meteen aan het werk. Nu is dat niet meer het geval en dit stelt andere eisen aan lager onderwijs. Het is nu niet meer dan een basis waarop in het voortgezet onderwijs wordt voortgebouwd. Bovendien bestond er in 1920 nog geen kleuteronderwijs, dus daarop kon het lager onderwijs ook moeilijk aansluiten.
De volle nadruk ligt in de Lager Onderwijswet op de verstandelijke ontwikkeling. Zie hiertoe het merkwaardige art. 42 van de LO-wet waarin het doel van het lager onderwijs als volgt wordt geschetst: „Het schoolonderwijs wordt onder het aanleren van gepaste en nuttige kundigheden dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens der kinderen, aan hunne lichamelijke oefening en aan hunne opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden".
Er moet geleerd worden, dat is duidelijk. Het onderwijs is verdeeld in vakken die ook in de wet genoemd worden: lezen, schrijven, rekenen, taal. Dat zijn de hoofdvakken. Daarna komen vaderlandse geschiedenis, aardrijkskunde en kennis der natuur. Pas later zijn zingen, tekenen, lichamelijke oefening, nuttige (!) handwerken en, nog niet zo lang geleden, handenarbeid erbij gekomen. Ziet u de volgorde van de vakken? Dat geeft meteen een idee van het belang dat men hechtte aan de vakken.

Kennis is deugd

Het ging om de ontwikkeling van het verstand in de eerste plaats, om het bijbrengen van kennis. Het oude 19e-eeuwse „kennis-is-deugd"-ideaal zit eigenlijk in ons lager onderwijs ingebakken. De kinderen zitten op school om te leren (deze toestand is inmiddels achterhaald). De onderwijzer(es) doet voor, de kinderen doen na. De onderwijzer legt uit, de kinderen luisteren en trachten te begrijpen en te onthouden. De leerstof is opgesplitst in vakken en verdeeld over leerjaren. In het leerplan staat precies welke leerstof in welk jaar voor een bepaald vak moet zijn doorgewerkt. Kinderen die achter raken of de leerstof zich onvoldoende hebben eigen gemaakt moeten het nog een jaartje overdoen. Hierbij tellen alleen de hoofdvakken. Helpt zittenblijven ook niet dan volgt plaatsing bij het Buitengewoon Onderwijs.

Buitengewoon Onderwijs

Intussen hebben we 17 soorten scholen voor Buitengewoon Onderwijs (Bu.O) waarin bijna 100.000 kinderen een plaats gekregen hebben. Je zou kunnen spreken van een wildgroei onder het Bu.O enerzijds en van een uitstoot van kinderen naar het Bu.O anderzijds. Zo is de LOM-school (voor kinderen met Leer- en Opvoedings Moeilijkheden) bijv. pas ontstaan na de Tweede Wereldoorlog en nu zitten daar meer dan 30.000 kinderen. Kinderen, die vroeger kennelijk nog wel een plaatsje vonden in het lager onderwijs en nu niet meer. Dit zijn schrijnende cijfers die niet pleiten voor de structuur van het lager onderwijs.

Zittenblijven

Zeer schrijnend" is het zittenblijversprobleem. Tien procent van alle eersteklassers blijft zitten. Deze kinderen zijn ook vol enthousiasme begonnen op de ,.grote school". In de volgende leerjaren ligt het percentage weliswaar lager maar ook daar komt het nog betrekkelijk veel voor. Zittenblijven zou een maatregel om bestwil zijn. Echter, hoe goed is het voor een kind om alles weer over te moeten doen, ook die onderdelen die het wel beheerste? Hoe goed is het om uit de groep van vriendjes, vriendinnetjes gehaald te worden en in een vreemde klas geplaatst te worden? Hoe zal het met de motivatie gaan (de zin in leren) als het kind echt z'n best deed en niet beter kon, maar toch afgestraft werd? Hoe wordt het kind thuis (en in de familie!) opgevangen? Wordt het kind gebrek aan inzet verweten? Of voor dom versleten? Trouwens, worden kinderen intelligenter als ze blijven zitten? Gaan ze zich beter concentreren, gemotiveerder werken? Met andere woorden: worden de oorzaken van het zittenblijven bestreden? Integendeel! Je ziet dan ook dat kinderen voor de tweede keer blijven zitten of alsnog naar het Bu.O worden verwezen. In de meeste gevallen (niet alle! Bij sommige, niet schoolrijpe, kinderen in de eerste klas wil het nog wel eens helpen) blijft het onderwijs voor deze kinderen een lijdensweg.

Oplossing

Dit zittenblijversprobleem roept om een oplossing. Staatssecretaris Grosheide heeft daaraan gewerkt. Hij wilde een school zonder zittenblijven. Dat kan alleen als de koppeling tussen leerstof en jaarklasse wordt losgelaten, als je niet meer eist dat alle leerlingen aan het eind van een jaar even ver moeten zijn met de leerstof en ongeveer dezelfde prestaties leveren. Dan zal uitgegaan moeten worden van de mogelijkheden van het kind. Het kind moet niet aangepast worden aan de eisen die onze methoden en onze leerstof stellen, maar omgekeerd: we moeten het onderwijs aanpassen aan de mogelijkheden (de gaven en talenten) van het kind. Om echter een goede voortgang in de ontwikkeling van het kind te waarborgen is ook nodig dat de kloof die er bestaat tussen kleuter- en lager onderwijs wordt gedicht. Doelen en werkwijzen die op elkaar aansluiten, een geleidelijke overgang van meer spelen naar meer leren, zullen dan in de nieuwe basisschool voor 4-12 jarigen gerealiseerd moeten worden.

Wat integratie niet is

Dan wordt het nu tijd om te kijken hoe, volgens de plannen (zie allerlei publikaties en de „Wet op het Basisonderwijs"), de nieuwe basisschool er uit moet gaan zien. (Ons eigen oordeel hierover schorten we nog even op.) Het is wellicht goed eerst wat misverstanden uit de weg te ruimen.
Misschien leeft bij sommigen nog de opvatting dat integratie helemaal niet zo'n probleem is. Je heft de kleuterschool eenvoudig op en voegt die bij de lagere school. Je benoemt het hoofd van de lagere school tot directeur. Je vervangt vervolgens het bordje „lagere school" boven de deur door het bordje „basisschool" en de zaak is voor elkaar. Welnu: dit is zeker niet de bedoeling. Dat zou betekenen dat ook de kleuterafdeling een leerschool wordt en bovendien betekent dat geen oplossing voor de problemen die we in het voorafgaande hebben geschetst, nl.:

- • het zittenblijversprobleem;
• de eenzijdige vorming van kinderen;
• het centraal stellen van de leerstof i.p.v. het kind;
• de uitstoot naar het Bu.O., enz.

Integratie is dus niet hetzelfde als de kleuter- en lagere school bij elkaar plaatsen in hetzelfde gebouw (ruimtelijke integratie). Hoewel we daar wel naar streven (er mogen al sinds enkele jaren geen aparte kleuter- en lagere scholen meer worden gebouwd) en het de integratie wel gemakkelijker maakt, garandeert dat nog niet dat het tot een echte basisschool komt. Daar is meer voor nodig.
De integratie is ook niet bereikt wanneer de kleuter- en lagere school onder eenzelfde bestuur zijn samengebracht (bestuurlijke integratie). Dit is wel een voorwaarde om te komen tot een integratie, maar het is de integratie zelf nog niet. Integratie is behalve een bestuurlijke en ruimtelijke, vooral een onderwijskundige zaak. Het gaat om een volkomen nieuw type onderwijs: Basisonderwijs voor 4-12 jarigen. Deze basisschool zal er in allerlei opzichten anders uitzien dan de huidige kleuter- en lagere school.

• Hoe zal de basisschool er uit gaan zien?'

We zullen trachten dat voor u te schetsen in de volgende tien kernbegrippen die we steeds weer tegenkomen in alle literatuur over integratie en in de „Wet op het Basisonderwijs" (in hpt bijzonder in de artikelen 9 t/m 12).

• School zonder zittenblijven.

Het zittenblijven zal afgeschaft zijn. Kinderen zullen niet meer gedwongen worden het een jaartje over te doen, met alle nadelige gevolgen van dien op sociaal en pedagogisch terrein.

• Ononderbroken ontwikkeling.

Het kind moet zich zonder belemmering (zittenblijven bijv.) kunnen ontwikkelen. Het moet in eigen tempo voort kunnen gaan in het leerproces en dus ook niet gedwongen worden tot een pas op de plaats. (Dat laatste gebeurt nu bijv. bij meer intelligente leerlingen.) Ook moet er een doorgaande lijn zijn in het onderwijs aan kleuters en lagere-schoolkinderen. Het is duidelijk dat momenteel het onderwijs aan kleuters en lagere-schoolkinderen zeer verschillend is.

• Individualisering en differentiatie.

Om de eerste twee doeleinden te kunnen realiseren moeten we af van het zogenaamde leerstofjaarklassensysteem waarbij alle leerlingen op dezelfde tijd dezelfde leerstof moeten verwerken en ongeveer dezelfde prestaties moeten leveren. Er zal meer ingespeeld moeten worden op de verschillen, die er onder de leerlingen bestaan op het punt van belangstelling, begaafdheid, tempo, motivatie, enz. Het onderwijs moet meer afgestemd worden op de individuele behoeften van de kinderen en er moet recht worden gedaan aan de eigen geaardheid. Kinderen leren niet allemaal op dezelfde manier het gemakkelijkst, ze verschillen in tempo, ze werken op een verschillend niveau, een zelfde aanpak is niet voor alle leerlingen de beste, enz.

• Leerlingen centraal in plaats van de leerstof.

We gaan in ons onderwijs nu nog uit van de methoden (de leerstof) die we hebben. Alle kinderen moeten deze methoden doorwerken. Kinderen die dat niet kunnen of nog niet kunnen (bijv. aanstaande eersteklassers) moeten bijrgespijkerd worden, het een jaartje overdoen of nog een jaartje op de kleuterschool blijven. In de nieuwe basisschool zal het andersom zijn. We gaan uit van de leerling (zijn ontwikkelingsniveau enz.) en geven hem die leerstof die bij hem past.

• Eigen activiteit van de leerling.

Onderwijs is nu nog vooral een activiteit van de leerkracht. Hij/zij geeft onderwijs (doceert, legt uit, vertelt, laat zien, doet voor, enz.). De leerling is hierbij vaak vrij passief. Kinderen zouden echter steeds meer moeten leren zelf te studeren, zelf problemen oplossen, zelf informatie opzoeken en verwerken. Dit vooral met het oog op de zich razendsnel ontwikkelende samenleving, waarbij ook volwassenen, willen zij zich staande houden en bijblijven in hun beroep, steeds meer gedwongen worden steeds verder te leren (education permanente). 
In het bedrijfsleven ziet men dat mensen zich steeds weer moeten aanpassen aan nieuwe machines en nieuwe technieken. We kunnen geen vaklui meer afleveren die tot hun pensioen op dezelfde wijze hun vak kunnen uitoefenen. Vroeger kon dat wel. Vaak komen die werklozen schiedenis zal de vertelling een grote plaats kunnen en moeten innemen. Ook bij een goede vertelling kan de leerling heel intensief betrokken zijn. Bij andere vakken kan het heel zinvol zijn dat de onderwijzer uitlegt, voordoet, enz. Maar bij rekenen en wiskunde zal het onderzoekend leren misschien belangrijker zijn (de leerlingen oefenen, proberen en zoeken naar oplossingen). Ook bij het zelfstandig werken in het documentatiecentrum en bij studerend lezen. En vooral bij wereldoriëntatie (natuurkunde bijv.) kan het ontdekkend leren een heel zinvolle methode zijn. Laat de kinderen de natuurwetten maar ontdekken via proefjes enz. Dit sluit goed aan bij de wijze waarop het kind buiten de school leert en zijn wereld verkent. Afhankelijk van het vormingsgebied (vak) dus kan een van de volgende soorten leren centraal staan:
— ervaringsleren, waarbij overdracht van kennis centraal staat;
— onderzoekend leren, als het gaat om oefenen, opdrachten uitvoeren, problemen oplossen;
— ontdekkend leren bij de verkenning van de natuur.

• Rekening houden met de eigen identiteit van de kleuter.

Een kleuter is een wezen dat speelt en veel behoefte heeft aan beweging. De drang tot spelen is hem aangeboren. In het spel maakt het kind kennis met zichzelf, met de dingen rondom hem en met de levende wezens in zijn omgeving. Door het spel ervaart het zijn grenzen en zijn mogelijkheden. Al spelend wordt de wilsvorming bevorderd, moed en zelfvertrouwen groeien. Ook sociale ontwikkeling vindt plaats. Het kind leert rekening houden met anderen, zich aan te passen en zelfbeheersing te oefenen. Tenslotte wordt er al spelend ook veel geleerd. Allerlei begrippen die nodig zijn voor het latere leren, zoals lengte, hoogte, diepte, zwaarte, afstand, vorm, kleur, hoeveelheid, enz. worden al spelend en bewegend ervaren en geleerd. Zo vindt er tijdens het spel ook een belangrijk stuk taalontwikkeling en verstandelijke ontwikkeling plaats. Het spel zal in de basisschool zijn plaats minstens moeten behouden.

Zorgbreedte.

Met dit begrip wordt aangeduid dat kinderen met leer- en/of gedragsproblemen extra aandacht en zorg moeten ontvangen in de basisschool. Zij zullen aangepaste hulp en onderwijs moeten krijgen, eventueel met andere methoden en leermiddelen, zodat de uitstoot naar het Bu.O. tenminste kleiner wordt. Dat vergt nogal wat van de toekomstige leerkracht van de basisschool. Hij/zij zal een stukje van de vakbekwaamheid, die nu de leerkrachten van het Bu.O. bezitten, zich eigen moeten maken. De toekomstige opleiding van de onderwijsgevenden voor het basisonderwijs (PABO) zal dan ook een jaar langer gaan duren.

Teamteaching

Het onderwijs en de opvoeding in de basisschool zal onder gezamenlijke verantwoordelijkheid van het hele team vallen. Allerlei activiteiten op onderwijsgebied moeten gezamenlijk worden voorbereid en uitgevoerd. Best mogelijk dat een der leerkrachten zich specialiseert bijv. op het terrein van de zorgbreedte en kinderen met leerproblemen helpt (remedial teaching of speciale leerhulp), maar dan alleen in nauw overleg met de andere leerkrachten. Het hele team draagt de zorg voor elkaar en voor alle kinderen. Ook de leerkrachten verschillen onderling sterk, hebben „verscheidene gaven" en uiteenlopende belangstelling, maar ook hun eigen beperktheden en tekortkomingen. Laten we nu zo goed mogelijk gebruik maken van elks talenten en elkaar aanvullen en ondersteunen, elkaar tot een hand en een voet zijn. De schotjes (figuurlijk gesproken) tussen de klassen moeten worden afgebroken. De leerkrachten moeten van elkaar weten hoe er gewerkt wordt en hoe men met kinderen omgaat. Het mag niet zo zijn dat elke onderwijzer koning is in zijn eigen klas. Ook dit moet ertoe leiden dat een ononderbroken ontwikkeling van de kinderen gewaarborgd wordt.

Betere aansluiting op de samenleving.

De kinderen moeten straks functioneren in de maatschappij en een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de sameneving. Hierop moet het onderwijs mede gericht zijn. Ik zeg mede, omdat voor een christen ook moet gelden het „maar gij geheel anders". Het moet in de school gaan om te leren voor het leven. Van tijd ot tijd zal dan ook bekeken moeten worlen of de leerstof hieraan voldoet.

Veelzijdige vorming.

In plaats van de eenzijdige nadruk op de ontwikkeling van het verstand zal ook aandacht gegeven moeten worden aan de godsdienstige, sociale, kunstzinnige, lichamelijke en emotionele ontwikkeling, leren voor het leven houdt ook in: aandacht schenken aan alle terreinen van dat leven.
Op de eenzijdige nadruk op kennis in de huidige lagere school komen we zo dadelijk nog even terug als het gaat over de identiteit van de basisschool.

Zwart-wit

Voor de duidelijkheid is in bovenstaande typering van de basisschool de zaak wat al te zwart-wit gesteld. Als het over de lagere school ging werd meer het beeld geschetst van de lagere school van 1960 dan die van 1981. Dat maakte de zaak voor de wat oudere lezers onder ons wel herkenbaarder. Wij hebben op zo'n school gezeten. Op een heleboel huidige lagere scholen zijn echter reeds ontwikkelingen gaande in de richting van de basisschool. Zo is de vorming al wat minder eenzijdig geworden door de grotere nadruk op de expressievakken (muziek, tekenen, handenarbeid). Er blijven nu duidelijk minder kinderen zitten. (Of daar goede oplossingen voor gevonden worden is echter weer de vraag!) Er wordt al meer ingespeeld op verschillen tussen de kinderen en gedifferentieerd in het onderwijs. De leerlingen worden steeds actiever in het leerproces betrokken (groepswerk, opdrachten uitvoeren, werken in het documentatiecentrum). Het onderwijs in de eerste klas gaat steeds beter aansluiten op dat van de kleuterschool. Soms wordt er al heel veel zorg besteed aan kinderen met leerproblemen. Er zijn al scholen die een speciale leerkracht (remedial teacher) daarvoor hebben.
Niettemin: het is nogal wat wat er gaat gebeuren. Hoe dit allemaal gestalte moet krijgen moet elke basisschool verwoorden in het Schoolwerkplan (SWP).

Schoolwerkplan

In het SWP moet duidelijk gemaakt worden hoe aan bovenstaande 10 kernbegrippen gestalte wordt gegeven. In het SWP moeten voorts de grondslag en de doelstellingen van de school geformuleerd worden en tevens welke lijnen er getrokken moeten worden vanuit de levensovertuiging naar het onderwijskundig en pedagogisch handelen. Met andere woorden: hoe geef je gestalte aan de identiteit van de school in het dagelijks werk. Zeg nu maar eens wat je beweegt en welke consequenties dat heeft voor de omgang met elkaar en met het kind, voor de keuze van de leerstof (niet alles is bruikbaar in de chr. school), voor de wijze waarop lesgegeven wordt, voor de leeractiviteiten van de leerlingen, voor de groeperingsvormen in de klas en het opvoedkundig handelen, kortom, voor het hele klimaat in de school! Ook de vraag welke rol de ouders hierbij spelen zal beantwoord moeten worden, evenals de relaties die de school onderhoudt met bijv. de Schoolbegeleidingsdienst, enzovoorts, zie art. 12, 27, 28 en 34 van de „Wet op het Basisonderwijs". Kort gezegd, alles wat er in en om de school gebeurt moet verantwoord worden in het SWP en getoetst aan de identiteit van de school.

Identiteit

Direct valt op hoe in het SWP, dus in de nieuwe basisschool de identiteit behoort centraal te staan. Dat is iets om blij mee te zijn. Immers: In het SWP moet verwoord worden hoe er in de school gewerkt wordt, met welke middelen, vanuit welke grondslag en met welke doelstellingen voor ogen. Hoe we gestalte geven aan de identiteit van onze school in ons dagelijks werk, is hierbij de centrale vraag. Wat drijft en bezielt ons en welke consequenties heeft dat voor het hele klimaat in de school? Kan iemand die onze school binnenstapt iets van die identiteit zien, proeven, ook na de bijbelles? Alles wat we doen in de school moet doortrokken zijn van deze identiteit. In zoverre betekenen schoolwerkplanontwikkeling en realisering van de nieuwe basisschool een uitdaging aan het bijzonder onderwijs!

Doel van christelijk onderwijs

Toch is deze uitdaging niet nieuw. Integendeel, wij moeten ons er in zekere zin voor schamen dat ze nog steeds zo actueel is. Reeds prof. Waterink pleitte al lang geleden voor een nieuwe relatie tussen identiteit en onderwijskundig handelen. We hebben in het begin al gesignaleerd dat het ons altijd heeft ontbroken aan een christelijke didaktiek. Het ging toen al en nu nog om de herkenbaarheid van het christelijk onderwijs na de bijbelles. De allesbeheersende vraag waartoe we willen opvoeden en vormen heeft Waterink als volgt beantwoord:
De vorming van de mens tot zelfstandige (1), God naar Zijn Woord (3) dienende (2), persoonlijkheid (1), geschikt en bereid al de gaven die hij van God ontving (4) te besteden tot Gods eer en tot heil van het schepsel (5) in alle verbanden waarin God hem plaatst (6).

Ik heb in deze deflnitie een nummering aangebracht om dit doel voor christelijke opvoeding en christelijk onderwijs stukje voor stukje te vergelijken met de kenmerken van de nieuwe basisschool. Interessant en belangrijk is n.l. de vraag hoe wij vanuit onze identiteit tegenover de komende integratie moeten staan.

• 1. De vorming van de mens tot zelfstandige persoonlijkheid...
Het doel van alle opvoeding moet toch zijn dat de mens op eigen benen gaat staan, volwassen wordt. Volwassen zijn wil zeggen: aansprakelijk zijn voor je daden, zelf de verantwoordelijkheid ervoor dragen. Langeveld noemt als doel van de opvoeding dan ook: zelfverantwoordelijke zelfbepaling, of, op een andere plaats: zedelijke zelfbepaling. Bovenstaande houdt zoveel in als dat een volwassene telkens weer moet kiezen tussen goed en kwaad. Want ondanks dat de Dordtse Leerregels zeggen dat de mens onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot kwaad (H 2/4:3) wordt hij toch opgeroepen om als een goede boom goede vruchten voort te brengen (H 3/4:11).

Met andere woorden: hier wordt gezegd hoe de mens is en hoe hij moet zijn. Het is in deze spanning tussen „zijn" en „behoren te zijn" dat de mens steeds weer moet kiezen. En de volwassene is zelf verantwoordelijk voor die keuze. Vandaar ook dat Langeveld en Waterink en anderen de gewetensvorming zo belangrijk vinden. „Want gij zijt tot vrijheid geroepen broeders, alleenlijk gebruikt die vrijheid niet als een oorzaak voor het vlees, maar dient elkander door de liefde" (Gal. 5:13). In ons onderwijs zullen we de kinderen zo moeten begeleiden dat zij in situaties waarin zij kunnen kiezen (in vrijheid) leren het goede te doen en het kwade te haten, opdat „zij niet zouden worden gelijk hun vaders" (Ps. 78:8). Dat is de kern van de opvoeding tot zelfstandigheid en hiertoe biedt de nieuwe basisschool zeker de mogelijkheid. Dit facet van de opvoeding kan bijv. heel goed in het SWP uitgewerkt worden in het hoofdstukje „pedagogisch handelen" en bij „omgang met kinderen", nadat de grote lijnen bij „Godsdienstige opvoeding" zijn geschetst.

• 2. ...God naar Zijn Woord dienende...

Nu gaat het mij hier vooral om het woord „dienen". Tegenwoordig heeft men de mond vol over zelfontplooiing. Vaak zit daar een humanistische visie achter. Er zijn nogal wat mensen die dat begrip zelfontplooiing centraal willen stellen in de nieuwe basisschool. Nu is er niets op tegen dat de mens de talenten die hij gekregen heeft goed gebruikt (ontplooit), alleen mag dat nooit zijn louter en alleen om zichzelf. Behalve zelfontplooiing dient dan ook in de chr. basisschool zelfverloochening z'n plaats te krijgen („Een ieder achte de ander uitnemender dan zichzelf). Niet het eigen belang dient voorop te gaan maar het zich dienstbaar opstellen naar God en de naaste. Want hoewel het begrip „naaste" in de definitie van Waterink niet voor komt, kunnen we daar toch niet omheen. Het is nu eenmaal niet mogelijk God te dienen en de naaste te haten. (Vergelijk ook Joh. 13:34 en 35 en Joh. 4:20).

Uit het feit dat in de herziene versie van de Contourennota behalve het begrip „zelfontplooiing" ook duidelijk het begrip „dienstbaarheid" is opgenomen mag reeds blijken dat er in de nieuwe basisschool volop ruimte is ook hierin gestalte te geven aan onze visie op opvoeding. In het bijzonder in de hoofdstukjes „leeractiviteiten" en „groeperingsnormen" van het SWP kan dit verwoord worden.
Opgemerkt moet hierbij worden dat als het gaat om het Grote Gebod (God dienen en de naaste) voorleven in de school belangrijker is dan voorlezen en voorzeggen. Er moet ten dezen iets uitgaan van de onderwijzer. Er moet overeenstemming zijn tussen leer en leven, tussen woord (Woord) en daad, de bijbelles en alles wat er daarna gebeurt, of, om het met een Engels spreekwoord te zegden: practise what you preach. „Toon mij uw geloof (uw identiteit) zonder de werken en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen" (Jak. 2:18). „En zijt daders des Woords..." (Jak. 1:22). „En gij broeders, vertraagt niet in goed te doen (2 Thess. 3:13).

• 3. ...naar Zijn Woord...

Als gewetensopvoeding het centrum is der opvoeding, dan is godsdienstonderwijs van uitnemend belang. Immers, dat geweten moet getoetst worden en dat gebeurt in onze kringen aan de Heilige Schrift. Zo zal dan ook in de basisschool bijbelse geschiedenis het eerste vak moeten blijven. Welnu, niets in de „Wet op het Basisonderwijs" verzet zich daartegen. Integendeel: de grondwet staat borg voor de vrijheid van onderwijs die ook hierin gestalte kan krijgen.
In de artikelen 30 en 37 van de „Wet op het Basisonderwijs" wordt de ouders nadrukkelijk het recht gegeven godsdienstige vorming voor hun kinderen te eisen, ook bij het openbaar onderwijs. Daar mag ten hoogste 3 uur (klokuren, geen lesuren) per week aan besteed worden. Zo zal ook de zedelijke opvoeding genormeerd kunnen worden aan Gods Woord.

• 4. ...geschikt en bereid al de gaven die hij van God ontving, te besteden...

Al de gaven, d.w.z. niet alleen de gave van het verstand, maar ook de sociale, de expressieve, de emotionele, de esthetische gaven. Mensen zijn niet aan elkaar gelijk. Er is verscheidenheid van gaven. We zijn door de Heere God allemaal begiftigd met talenten, de een meer op het ene terrein, de ander meer op het andere. Zo heeft de ene mens meer de gave van het hoofd (intellectuele gaven), de ander meer die van het hart (sociale, emotionele) of van de handen (expressieve, esthetische, technische). Moet, ja mag, het een meer gewaardeerd worden dan het ander? Mensen zijn niet gelijk, maar wel gelijkwaardig. Toch krijgt het ene kind meer waardering op school en thuis dan het andere, n.l. dat kind dat goed kan leren. Verstandelijke gaven worden hoger gewaardeerd dan andere, in de school (hogere cijfers) èn in de maatschappij (hoofdarbeid wordt vaak beter betaald dan handenarbeid).

We zien dit patroon ook terug in de waardering van de vakken. Lezen, rekenen en taal zijn de hoofdvakken! Daar kun je op blijven zitten. Zo wordt in de huidige lagere school vooral de gave van het verstand ontwikkeld (de kinderen moeten leren) en de waardering die een kind krijgt hangt hier helaas vaak mee samen. Echter: meer talenten op een bepaald terrein verschaft niet meer rechten, maar schept verplichtingen! Talenten mogen (moeten) ontwikkeld worden om ze in dienst te stellen van God en de naaste èn om de schepping te bewaren (goed rentmeesterschap).

Eerlijk moet geconstateerd worden dat deze veelzijdige vorming en de waardering voor andere gaven dan de intellectuele meer kans krijgen in de nieuwe basisschool. Daar zal door differentiatie en individualisering beter ingespeeld kunnen worden op de verscheidenheid die onze kinderen kenmerkt. Het spreekwoord „gelijke monniken, gelijke kappen", mag in de school geen opgeld doen. Onze monniken (de leerlingen) zijn n.l. niet gelijk. Het is een goede zaak dat verschillen tussen kinderen, ook in verstandelijk opzicht, erkend worden. Verschillen moeten niet overdreven worden, maar wel moet het zo zijn dat ieder kind op zijn niveau kan functioneren in de basisschool en waardering verkrijgt niet naar de grootte van zijn talenten, maar naar de mate waarin hij ermee woekert.

5. ...tot Gods eer en tot heil van het schepsel...

Het gaat erom dat we door het gebruik van onze gaven God eren. (God loven met mond en handen. Zie de psalmen.) Het gaat er ook om dat we onze gaven gebruiken tot heil van het schepsel; dat zijn wij zelf, maar dat is ook de ander. De ander, dat zou de misdeelde kunnen zijn. (Eigenlijk kunnen we dat zo niet zeggen. Daar zit weer een stuk waardering van ons in. Bij God is ieder bedeeld.) De ander, dat is ook de zwakke, degene die minder talenten heeft op verstandelijk gebied. Dat is ook het kind dat nu blijft zitten of dat naar het Bu.O. moet. Onze talenten besteden tot Gods eer en tot heil van het schepsel (de naaste) kan dan ook betekenen dat de goede leerling de minder goede helpt. Nu komt daar op de ene school weinig van terecht en op de andere doet men daar veel aan.

Maar in de basisschool hoort dat erbij. In het SWP kan dat in het hoofdstukje „groeperingsvormen en sociale vorming" uitgewerkt worden. Bovenstaande kan en moet ook betekenen dat het kind met leer- en/of gedragsproblemen extra zorg krijgt van de leerkrachten. Vaak wordt er ook in het huidige onderwijs wel wat extra aandacht besteed aan kinderen die dat nodig hebben. (Hoewel het in sommige gevallen nog voorkomt dat juist de beste leerlingen extra lessen krijgen voor of na schooltijd.) In de basisschool moet dat heel gewoon zijn. Zorgbreedte moet zelfs heel duidelijk uitgewerkt worden in het SWP. Ook hierin biedt naar mijn idee de nieuwe basisschool mogelijkheden die we vanuit onze identiteit dankbaar moeten aangrijpen.

• 6. ...in alle levensverbanden waarin God hem plaatst.

Natuurlijk staat het onderwijs niet los van de samenleving. We leren niet voor de school maar voor het leven. Waterink zag deze relatie met de samenleving en het onderwijs in de basisschool zal ook op die samenleving afgestemd dienen te zijn. Bij de keuze van de leerstof zal hier rekening mee gehouden moeten worden. Nu hebben christenen een andere visie op de samenleving dan bijv. socialisten. Daarom zal die leerstofkeuze en keuze van de methoden ook bezien moeten worden vanuit de identiteit. Die relatie tussen identiteit, visie op de samenleving (daar horen ook bij het gezin, de kerk, de maatschappij) en de keuze van de leerstof zal ook in het SWP verantwoord moeten worden. U ziet: alweer liggen hier in de nieuwe ontwikkelingen geen belemmeringen, maar eerder mogelijkheden die aangegrepen moeten worden.

Leefgemeenschap

Centraal in deze doelstelling van Waterink staat het Grote Gebod. De school moet een gemeenschap zijn waar geleefd wordt vanuit dat gebod. Een gemeenschap waarin alle betrokkenen zich veilig en geborgen voelen, waarin zorg en bekommernis bestaat om de ander. Een gemeenschap waarin ook kinderen gezien worden als unieke schepselen, met eigen gaven en talenten, die ontwikkeld mogen worden. Wonderlijk is het dat de nieuwe basisschool heel wel past bij de oude doelstelling van Watermk. De christelijke basisschool is niet alleen een leerschool (dat zeker ook!) maar vooral een school waarin hier en nu samen geleefd wordt in het perspectief van ginds en later.

Huidige lagere school

Ten slotte nogmaals de vraag: de basisschool, moet dat zo nodig? Deugt er dan niets meer van het onderwijs zoals dat tot nu toe gegeven wordt? Ho, ho, als die indruk gewekt is wordt het tijd even wat recht te zetten. Er wordt in de meeste scholen met grote inzet en heel gewetensvol gewerkt. Vooral het lager onderwijs is een zegen geweest voor ons volk. Het voldeed uitstekend, maar... in een andere tijd, in een samenleving die andere eisen stelde.
Dat wil niet zeggen dat het ook nu nog in alle opzichten voldoet. Er zijn allerlei bijverschijnselen in het lager onderwijs (bijv. het zittenblijversprobleem en de eenzijdige vorming) die maatschappelijk en ethisch onaanvaardbaar zijn geworden. We mogen bovendien dat wat bestaat (het huidige lager onderwijs bijv.) nooit tot norm verhenen. Wij halen onze normen als het goed is ergens anders vandaan. De volgende vragen zijn dan ook heel terecht.

• Hoe christelijk is de lagere school? En dan bedoel ik niet de concrete lagere school waarop u en ik gezeten hebben of onze kinderen zitten, maar de lagere school als instituut met bijv. zijn leerstofjaarklassensysteem, wat elk jaar weer tot onnodige teleurstellingen en onnodig verdriet aanleiding geeft. Met zijn gelijkschakeling ook en zijn ontkenning van het unieke in elk schepsel.
• Hoe zit het met de eenzijdige vorming?
Is dat bijbels? Is alleen de ontwikkeling van het hoofd van belang? Of ook die van hart en handen? Veelzijdige vorming dus?
• En hoe zit het met ons cijfersysteem? Is het eerlijk de prestaties van het ene kind altijd te vergelijken met die van anderen in de klas? Alle kinderen krijgen vaak dezelfde opdrachten, hetgeen leidt tot continu hoge cijfers voor de meer begaafden en tot welhaast permanente onvoldoendes voor de minst begaafden. Of zou het toch niet beter zijn kinderen op hun eigen niveau te lar ten werken en hun prestaties te vergelijken met hun eerder werk, zodat ze niet geconfronteerd worden met onvoldoendes ondanks het feit dat ze misschien wel geweldig hun best hebben gedaan, maar wellicht vooruitgang zien met hun vorig werk.

Is kennis deugd?

Trekt u uit bovenstaande niet de conclusie dat er niet veel meer geleerd hoeft te worden. Integendeel, een kind met grote verstandelijke gaven moet misschien wel meer leren (woekeren met talenten). Maar ik wil wel duidelijk waarschuwen voor overdrijving en eenzijdigheid, juist in bijbels perspectief. Trouwens, als het in de bijbel over kennis gaat, weet u wat er dan bedoeld wordt? Veel weten? Veel feitenkennis? Zie Spreuken 1:7. „De vrees des Heeren is het beginsel der wetenschap". Zie ook Spreuken 9:10, Job 28:28 en Psalm 111:10. Hierbij worden de woorden wetenschap, kennis en wijsheid door elkaar gebruikt. Op de eerste school waar ik hoofd was, stond deze tekst uit Spreuken 1:7 gebeiteld in een marmeren gedenksteen.

De vreze des Heeren, daar gaat het kennelijk om. Dat is niet in de eerste plaats een zaak van het hoofd, maar van het hart. „Kennen" in de bijbel betekent dus niet feitenkennis. (De namen van de koningen uitje hoofd kennen bijv., daar is niets op tegen! Integendeel, niaar het is niet het wezenlijke van de zaak.) Kennis in de bijbel is: de vreze des Heeren, Gods verborgen omgang zoeken. Dat moet voorop staan in de christelijke school. En Hosea 4:6 dan, waar staat: „Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is?" Dat staat er niet omdat het volk te weinig wist van de dienst des Heeren, te weinig feitenkennis had verzameld. Je kunt uitgeroeid worden ook al ken je de. bijbel uit je hoofd. Maar het volk diende de Heere niet, leefde niet naar Zijn geboden, was de verborgen omgang met God* kwijt! Het omgekeerde is ook waar, zie Spreuken 3:18. „Zij (d.i. de wijsheid) is een boom des levens dengenen, die ze 'aangrijpen, en elkeen die ze vasthoudt, wordt gelukzalig".
Ziet u waar het om gaat? Om wijsheid, om de vreze des Heeren. „Wijsheid (zegt Pred. 7:12) geeft haar bezitters het leven" (eeuwig leven wel te verstaan). Is kennis deugd? Nee, maar wijsheid wel! Daar om zal het moeten gaan in de christelijke basisschool.

Integratie: voor of tegen Bij onze keuze voor of tegen de nieuwe basisschool moet bovenstaande het criterium zijn. Het gaat er niet om of we voor of tegen onderwijsvernieuwing zijn. Het gaat om een keuze voor die structuur waarin christelijk onderwijs het best gedijen kan. En dan zal het u ongetwijfeld duidelijk geworden zijn dat ik op grond; van een reeks van argumenten kies voor? de nieuwe basisschool. Dat mag dan niet worden de basisschool van Van Kemenade of van Pais of van weet ik wie. Maar dat moet en dat kan worden de basis- - school van de Gereformeerde Gezindte. Het schoolwerkplan biedt alle mogelijkheden om onze eigen identiteit in de praktijk van het dagelijkse schoolleven uit te dragen. Ja, het SWP daagt ons er zelfs toe uit. Laten we die uitdaging aangrijpen ter wille van het christelijk onderwijs en ter wille van onze kinderen. Als een zuurdesem moet die identiteit op het. hele schoolleven inwerken. (Zie Deut. 6:5-9 en Ps. 78:1-8.) Misschien dat Waterinks ideaal dan toch nog werkelijkheid wordt: een basisschool die tot in al zijn vezels doortrokken zal zijn van het christelijk karakter.
De basisschool: voor of tegen? Ik zeg voor! Het zal een moeilijke klus worden die het uiterste van de betrokkenen vraagt. Het hoeft trouwens niet ineens. De basisschool moet geen feit zijn in 1983. Deze datum zal niet meer zijn dan een geboortemoment, een officiële start. Er zal zeker een royale overgangsperiode komen waarin de scholen de gelegenheid krijgen de integratie te realiseren. Er staat ons een periode van hard werken te wachten. Maar het is de moeite waard.

Om Gods wil (zie Deut. 6 en Ps. 78), laten we niet aan de kant blijven staan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 februari 1981

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

Integratie betekent veel meer dan het samenvoegen van twee schooltypen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 februari 1981

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

PDF Bekijken