Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

I Kohlbrugges breuk met het Reveil

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

I Kohlbrugges breuk met het Reveil

13 minuten leestijd

Hermann Friedrich Kohlbrugge (1803-75), de grote ncgentiende-eeuwse theoloog, is onder andere gedurende de tijd dat hij als Luthers proponent te Amsterdam verbleef, in aanraking gekomen met de meeste vertegenwoordigers van het Reveil. Een grote mate van geestverwantschap was hierbij onmiskenbaar.Niet voor niets werd Kohlbrugge later de Bilderdijk in de theologie genoemd.

Toen echter de meeste Reveilmannen weinig solidariteit met Kohlbrugge betoonden in diens kerkelijke problematiek, trad er verwijdering op, hetgeen ten gevolge van Kohlbrugges toegespitste theologische opvattingen resulteerde in een complete breuk met de Reveilkring.

Kwekeling der beproeving

Niet ten onrechte mag Kohlbrugge vanwege de talrijke wederwaardigheden die hij tijdens zijn leven heeft ondervonden, een „kweekeling der beproeving" (Wagenaar) worden genoemd. Inzonderheid gold dit ten aanzien van de tegenwerking en miskenning, welke hem op kerkelijk terrein ten deel vielen.

Zijn afzetting als proponent der Hersteld-Lutherse gemeente vloeide feitelijk uit dezelfde motieven voort als de weigering van de Hervormde kerkbesturen om hem het lidmaatschap en tevens toegang tot de kansel der Hervormde kerk te verlenen.

Het geestelijk klimaat in de Hervormde kerk week destijds immers niet veel af van dat in de Lutherse kerk. Toen Kohlbrugge als proponent de nadruk ging leggen op „de gevaarlijkheid eener doode orthodoxie" en op de noodzaak van waarachtige levensvernieuwing lagen hierin reeds de kiemen van een conflict met het toonaangevende christendom opgesloten. Men was er immers aan gewend geraakt dat er van de kansel meer gesproken werd van zedelijke verbetering en vervolmaking dan over de eis van bekering.

Van Lutherse zijde had men reeds bij monde van de door Kohlbrugge bestreden ds. Uckerman gewaarschuwd voor „dweepers, die de menschen tot wanhoop en zelfmoord brachten". En de president van het Hervormd provinciaal kerkbestuur van Noord-Holland en voormalig synodelid had Kohlbrugge na enige woordenwisseling toegevoegd: „Mijnheer, we moeten rust hebben in onze Kerk, rust moeten wij hebben".

In november 1832, na een beproevingsweg van bijna drie jaar, tijdens welke ook nog zijn geliefde echtgenote stierf, volgde een definitieve afwijzing van Kohlbrugge als lid van de Hervormde kerk en dat op louter formele gronden. Kohlbrugge zag zich nu genoodzaakt opening van zaken te geven en alle gewisselde stukken te publiceren, hetgeen geschiedde in zijn „Het lidmaatschap bij de Hervormde Gemeente hier te lande mij willekeurig belet".

Dit boek veroorzaakte grote deining en de „zaak-Kohlbrugge" was op aller lippen. Zelfs op de beurs werd erover gesproken.' Genoemde publikatie vormde het begin van een uitgebreide correspondentie met geestverwanten overal in het land, die zich zijn lot aantrokken.

Relatie met de Reveilkring

Ook de vrienden van het Reveil lieten zich in dit opzicht niet onbetuigd en spraken hun verontwaardiging uit over het onrecht dat Kohlbrugge was aangedaan. Bilderdijk, naar wie Kohlbrugge kort na zijn huwelijk samen met zijn vrouw nog een reisje had ondernomen en die de jonge theoloog met tranen in de ogen had omhelsd, was inmiddels gestorven.

Zijn plaats als geestelijk leidsman werd nu min of meer ingenomen door zijn discipel Isaac da Costa, door Kluit „de spil van het Reveil" genoemd en met wie Kohlbrugge sinds zijn verblijf in Amsterdam in een uitstekende verhouding had gestaan. Zijn aanhangers, Dacostianen genoemd, begerig naar een Schriftgetrouwe prediking, kwamen soms massaal onder Kohlbrugges ge-, hoor en deze volgde zelfs enige tijd Da Costa's lessen over de Vaderlandse Geschiedenis.

Laatstgenoemde had een tiental jaren eerder een even geruchtmakend protest tegen de tijdgeest laten horen als nu in feite Kohlbrugge had gedaan, namelijk in zijn „Bezwaren tegen den geest der eeuw" (1823). Ten huize van deze „held van het Reveil", ontmoette Kohlbrugge de meeste „coryfeeën" van het Reveil, onder wie een Willem de Clercq die later samen met zijn broer Steven het meest in de ban van Kohlbrugge zou geraken. In zijn later door Allard Pierson uitgegeven „Dagboek" komt de naam van Kohlbrugge dan ook herhaaldelijk voor.

Mede tengevolge van de betrekkingen met Da Costa kwam Kohlbrugge in aanraking met Reveilfiguren van uiteenlopend karakter en standpunt, vanaf een oud-Gereformeerd denkende baron Van Zuyien van Nyevelt en een ds. Molenaar tot een gewezen Israëliet als dr. Abraham Capadose of een voormalige Lutherse als de latere Afgescheiden predikant H. P. Scholte. Ook een ds. J. ter Borg, die evenals de De Clercq's van huis uit Doopsgezind was, behoorde tot de geestverwanten.

Zeer nauwe betrekkingen knoopte Kohlbrugge hier aan met de sterk tot separatisme neigende Baron Twent van Rozenburg, lid van de afgescheiden kerk te Geneve. Ook buitenlandse predikers werden door de relatie met Da Costa ontmoet.

Volgens Kohlbrugges biograaf Van Lonkhuijzen heeft het verkeer met de mannen van het Reveil niet nagelaten een zeker stempel op Kohlbrugge te drukken. „Zijn warme vaderlandsliefde, zijn liefde voor Oranje en ook zijn Contra-revolutionaire beschouwingen zijn door dezen omgang niet weinig versterkt". Het contra-revolutionaire „Reveil-ideaal", belichaamd in het drievoudig snoer: Kerk, Vaderland en Oranje werd evenals door de Reveilmannen door Kohlbrugge tot aan zijn dood nadrukkelijk beleden.

Vrees voor af scheiding

Het is zelfs niet denkbeeldig dat Kohlbrugges nauwe omgang met de 'vertegenwoordigers van het Reveil, mzonderheid met de — wegens zijn bezwaren tegen de constitutie — staatsgevaarlijk geachte Da Costa, één van de motieven is geweest om Kohlbrugge buiten de Hervormde kerk te sluiten. Vele aanhangers alom in het land verwachtten nu dan ook,, dat Kohlbrugge zich aan het hoofd van een afscheidingsbeweging zou stellen. Had Kohlbrugge zich niet eens laten ontvallen: „Zonder de kansel, zonder de prediking kan ik niet leven?" Maar tegen een eventuele afscheiding waren de mannen van het Reveil zeer ingenomen en voor niets zo bevreesd als dat!

Van het goed recht van Kohlbrugge was men overtuigd. De Clercq had in dit verband,,-, in zijn dagboek geschreven: „Kohlbrugges stukken zijn uitgekomen en zullen wel opspraak verwekken, daar allen met naam en toenaam genoemd worden". Én na herlezing voegde hij eraan toe: „Het boek van Kohlbrugge zal nog meer verslonden worden, daar de dominees door hun eigen woorden en daden er zoo verschrikkelijk in worden tentoongesteld. Het is waarlijk erger dan een comedie".

Kort na zijn huwelijk bezocht Kohlbrugge samen met zijn vrouw, de oude Bilderdijk, de vader van het Reveil.

Maar dreigden hier geen grote gevaren? De Clercq brengt dit onder woorden als hij op 23 maart 1833 noteert: „Het schijnt dat men alles in het werk stelt om Kohlbrugge tot scheiding te brengen".

Vrij algemeen waren Kohlbrugges vrienden dan ook van gevoelen dat er wat moest gebeuren en dat er nu toch minstens een collectief protest aan de Synode moest worden gericht. De eerste die in een brief aan Da Costa de vrienden hiertoe opriep was baron Twent van Rozenburg. Aangezien deze brief een separatistische geest ademde en naar Twents gevoelen reformatie der kerk uitgesloten moest worden geacht, werden Twents opvattingen door Da Costa echter niet gedeeld.

Geen collectief optreden

De zaak liet hem echter niet met rust. Hoewel Kohlbrugge volgens Da Costa in zijn natuur „iets demagogisch, iets opruiends" had, was hij niettemin van het goed recht van Kohlbrugge ten volle overtuigd. Op zijn voorstel werd er nu een samenkomst belegd teneinde de affaire-Kohlbrugge te bespreken.

Op deze op 3 april 1833 gehouden vergadering waren de kopstukken van het Reveil present, o.a. behalve Da Costa ook De Clercq, Capadose, Koenen, Van Hall, Scholte en nog enkele anderen. Na een uitgebreide discussie werd echter besloten van een collectief optreden ten gunste van Kohlbrugge af te zien. „Niet de verdrukte broeder, maar de verdrukte waarheid doet ons na aan het hart liggen", zo concludeerde men, alsof beide zaken te scheiden waren.

Volgens de later schuldbewuste De Clercq, die zich ook tegen actie had uitgesproken, was „de beredeneering van dit alles meer verstandelijk dan hartelijk geweest". De angst van „zamenspanning" te worden beticht en de vrees voor afscheiding gaven de doorslag. Na Kohlbrugge eerst „met vuur en kracht" van scheiding te hebben weerhouden — volgens Kohlbrugge was dit inzonderheid het werk van Da Costa geweest— liet men hem nu alleen staan.

„Onder het gemoedelijk zingen van Psalm 131 liet men een broeder het smadelijkst onrecht ervaren," aldus Van Lonkhuijzen. „Waarlijk, we zien hier het Reveil niet van zijn beste kant". En Kluit is van mening dat het Reveil, geconfronteerd met de kerkelijke problematiek rond Kohlbrugge op deze confrontatie een negatief antwoord heeft gegeven. Het betekende in feite een schrijnend gemis aan solidariteit.

Deze gang van zaken leidde tot aanmerkelijke verkoeling in de verhouding met de Reveil vrienden, inzonderheid in die tussen Kohlbrugge en Da Costa. Het kwam zelfs tot een breuk tussen die beiden tengevolge van Kohlbrugges zogenaamde „tweede bekering", welke plaatsvond tijdens zijn eerste (korte) verblijf te EIberfeld.

Na zijn eerste geestelijke ommekeer had Kohlbrugge naar eigen zeggen een spraak gesproken dat de oudste vromen hem voor zeer oud in de genade hadden gehouden. „Ik wiesch en nam toe boven anderen in de wet". Kohlbrugge werd een ijverig en nauwgezet christen en meende „met vijf schoft werken" per dag grote vorderingen te maken in de heiligmaking.

Er kwam echter een opzienbarende kentering in zijn leven, Kohlbrugge kwam in een ontdekkingsweg te verkeren, waasvan het hem achteraf verwonderde dat hij er niet in was vergaan en waarin hij tot tweemaal tot „als een oorlapje uit den muil des satans" werd gered.

Bij de eerste keer werd hem Gods gerechtigheid geopenbaard naar aanleiding van Rom. 7 : 14, bij de tweede maal leed al zijn eigengerechtigheid schipbreuk naar aanleiding van Jes. 54 : 7-10. „Ik heb lang vol gehouden met de wet in mijn hand tot de volmaaktheid te komen en te strijden tot den bloede toe. Ik zonk er daarbij al dieper in en waar ik niet dieper kon, maar ver beneden den Duivel verzonken lag, daar in mijne verlorenheid en radeloosheid is mij de Heere ontmoet".

Toen Christus als schuldovernemende Borg aan Kohlbrugge werd geopenbaard, had hij afstand mogen doen van zijn „wedergeboren, bekeerd, vroom zijn" en de gelofte afgelegd dat hij voortaan niets anders zou verkondigen dan dat God goddelozen rechtvaardigt.

Romeinen 7:14

Een centrale plaats bij dit ingrijpend zielsproces nam Kohlbrugges preek over Rom. 7 : 14 in. „Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde". Bij de voorbereiding op deze preek ontdekte Kohlbrugge dat er achter „vleselijk" een komma stond. De gelovigen blijven ook na hun bekering vleselijk in zichzelf.

„Ik weet niet, dat mij in mijn leven iets meer heeft aangegrepen als die komma te zien,,, schreef Kohlbrugge later. Hierdoor zag hij de betekenis van genoemde tekst en van het gehele hoofdstuk in een nieuw licht, dat hem „dronken van troost" maakte. Daarom riep hij uit: „Werp uw heiligingskrukken weg, verre van u weg, gij komt er de berg Sion niet mede op!"

Genoemde preek over Rom. 7 : 14 maakte een overweldigende indruk, werd in gedrukte vorm verspreid en was spoedig uitverkocht. Zij kwam ook onder ogen van de Reveilkring en bracht hier geen geringe deining te weeg. Kohlbrugge had met zijn forse sabelhouwen veel van wat hier „dierbaar" werd geacht terneergeslagen. Er werd over sommiger bekering gesproken als van „de grove tot de fijne wereld, van den duivel tot zeven duivels, van de wellust tot de kloosterheiligheid, van de dansvloer tot de trappen van de preekstoel". De wereld van traktaten en moraalstelsels, van „praat-christenen met hunne farizeeuwschen trots" werd op niet mis te verstane wijze afgekraakt. Hier werden de tien jaar eerder door Da Costa geuite bezwaren tegen de tijdgeest nog wat aangescherpt en nadrukkelijker geformuleerd. Hier moest ook het werkheilig getint activisme, dat zich bij het Reveil openbaarde, het ontgelden.

„De strijd ging nu niet alleen tegen het rationalisme, tegen hen die de hoofdwaarheden van het Christendom min of meer ontkenden, tegen hen, die de man- . nen van het Reveil en degenen die zich straks afscheidden, op dezelfde hatelijke manier bejegenden als ze Kohlbrugge hadden gedaan," aldus dr. Locher. „De strijd ging tegen het fijne Pelagianisme, dat hij zag in het eigen legerkamp."

Brief van Da Costa

In de Reveilkring, waar men een dergelijke radicaliteit en uitdrukkingswijze als door Kohlbrugge gebezigd, niet gewend was, ontstond grote verontrusting. Inzonderheid Da Costa deelde Kohlbrugges gevoelen niet. In een uitvoerig schrijven aan Kohlbrugge maakte hij zich tot woordvoerder van de bezwaarden.

In deze brief aan zijn „waarde vriend en veel geliefde broeder" zette hij uiteen dat diens leer „niet vrij was van het zoo

Da Costa betitelde het gevoelen van Kohlbrugge als een „groote dwaling". gevaarlijke Antinomianismus", dat bij Luther en Calvijn, bij Rooms en Protestants „als met zwarte kool getekend staat".

Vervolgens had hij nog de vraag gesteld of Kohlbrugges preek niet in strijd was met de leer van de Heidelbergse Catechismus, aangezien hij het stuk der dankbaarheid zou hebben veronachtzaamd.

Kohlbrugges antwoord

In het zeer uitvoerige antwoord, waarmee Kohlbrugge Da Costa van repliek diende, verweet hij laatstgenoemde gemis aan broederlijke liefde. Met o.a. een citaat van Comrie wierp Kohlbrugge de aantijging van een antinomiaanse gezindheid met afschuw van zich. Hij releveerde in dit verband aan de ontmoeting met de oude Bilderdijk, die zo met Kohlbrugges zienswijze was ihgenomen „dat de vreugde van zijn aangezicht straalde". Hij voerde hier dus Bilderdijk aan „als een kroongetuige voor zijn leer van de Wet en de heiligmaking" (Aalders).

Kohlbrugge laat het zijn opponent overigens wel gevoelen dat deze geen theoloog van professie was en hij neemt het hem zeer kwalijk dat hij zijn naam en werk „in den Heere stinkende heeft gemaakt". Het vonnis over Da Costa's visie luidt onomwonden: „Christus is erdoor verdrongen geworden, de predestinatie, de consciëntie bezwaard, de bekommerden met allerlei kenteekenen geplaagd".

Van een trapsgewijze heiligmaking wil Kohlbrugge-beslist niet weten. Het summa van zijn theologie is ingevolge Psalm 73 : 22b: „Ik ben een groot beest bij U". Kohlbrugge verzekert Da Costa: „Het arme en ellendige volk in den lande verstaat mijne preek". kohlbrugges uitgebreide brief, welke.,

Kohlbrugge werd door de Hervormde kerk als lid geweigerd. hier en daar niet is vrij te pleiten van een zekere agressieve toon vanwege de miskenning van zijn leer, eindigt met een scherpe oordeelsvelling over degenen die evenals Da Costa „van het ware fundament zijn afgeschoven": „Wat helpt het u, vrijgesproken te zijn van het oordeel des Rechtvaardigen en. Heiligen, zooals gij schrijft, gij moet vrijgesproken zijn in het oordeel des Rechtvaardigen en Heiligen, anders gaat gij met uwen ingebeelden Christus nog ter helle, met allen die meenen dat het bekeerd zijn tot de letterkennis eener den geest des tijds bestrijdende waarheid bekeering tot den levenden God is".

Reactie van de Reveilkring

Hiermee was de teerling geworpen en waren de wederzij,dse posities afgeba•kend. Da Costa vertolkte overwegend het gevoelen van de Reveilkring. Groen van Prinsterer sprak ten aanzien van het gevoelen van Kolhbrugge als van „een groote dwaling". En de bekende Van de Kemp schreef zonder meer: „Indien zijne leer deGereformeerde ware, dan zou ik mijn kerkgenootschap spoedig vaarwel zeggen. Hoe antinomiaansch... Zulk een leer verfoei ik nog meer dan het Remonstrantisme, hetwelk toch nog dé heiligmaking predikt".

Volgens Kluit stonden de mannen en vrouwen van het Reveil veel dichter bij de achttiende-eeuwse mens, de mens van het verlicht rationalisme, dan Kohlbrugge

Ook Van Lonkhuijzen moet erkennen dat het Kohlbrugges volle overtuiging was dat Da Costa c.s. de waarheid tegenstonden en dat hij hierover zielsbedroefd is geweest. „Gelijk Samuel lange het leed droeg over Saul, die God eens een ander hart had gegeven en eens tot eenen anderen man gemaakt had, zóó heb ik ook eens over Da Costa getreurd," aldus Kohlbrugge. fm

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1982

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

I Kohlbrugges breuk met het Reveil

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1982

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken