Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Eenvoudige woorden met een eigen geschiedenis

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Eenvoudige woorden met een eigen geschiedenis

16 minuten leestijd

In het eerste artikel over het Ontstaan van Talen (van 1 oktober) kwam een opmerking voor die nodig herhaald moet worden: in de loop der tijden kan de uitspraak van een woord zich zo sterk wijzigen, dat het onherkenbaar wordt. Dat is o.a. binnen de Germaanse talen het geval. Zo stamt het Duitse Schiff af van een oude vorm skip. Dit bestaat nog in het Fries (als skip) en het Deens (als skib), de Hollanders gingen daar schip tegen zeggen en de Engelsen ship. Ten slotte veranderden de Duitsers de slotklank p in een f en kregen Schiff. 2Lo bleef er dus van de oorspronkelijke uitspraak ongeveer niets meer over. Wanneer men daar rekening mee houdt, blijken er veel meer woorden uit verschillende taalfamilies van de Indo-europese taalgroep met elkaar overeen te komen dan men vermoed zou hebben. <br />

Dit geldt ook voor het kleine groepje woorden dat ik nu aan de orde wilde stellen: de telwoorden beneden de 10. Dit zijn heel mooie woorden, ze vormen een samenhangend groepje, dat ieder kind op kan zeggen.

In het Etymologisch woordenboek van Franck van Wijk wordt ook het woord acht besproken. Volgens dit woordenboek is dit een woord van Indoeuropese oorsprong, dat in alle Indo-europese talen overeenkomstige vormen heeft, evenals alle telwoorden van 2 tot 10. Nu is acht niet het makkelijkste, dus het meest geschikte woord om te beginnen. De woorden twee, drie en zes lenen zich daar beter toe. We kunnen ze dan ook terugvinden in alle Indo-europese taalfamilies. Niet alleen in de grote Germaanse en Romaanse, maar ook in kleine families (Grieks en Keltisch) of families van heel ver weg zoals Slavische en Indische.

In de Germaanse talen beginnen de woorden voor drie met een d, een th of een t. De beginklank d vinden we in het Nederlands en het Duits (drei, vroeger dri); de th in het Engels, het Oudnoors en het Gotisch (three, thrir, thrija) en een t in het Fries, Deens en Zweeds (trije, tre, tre). Buiten de Germaanse taalfamilie vinden we haast overal een t: in de Romaanse talen: tre, tres, treis, trei en trois (van het Latijnse tres). Het Grieks had treis en het Keltisch tri. Van de oostelijke groepen zijn de Slavische (Russisch, Tsjechisch) en de Indo-iraanse, zoals het Sanskriet het belangrijkst en tri was hier algemeen.

Drie

Wat het woord drie betreft is de overeenkomst tussen de Indo-europese talen wel bijzonder overtuigend. Maar ook voor de overige getallen van 2 tot 10 bestaat er zeer veel overeenkomst. Dat ziet men vrij gemakkelijk bij de 2, 6 en 8; iets moeilijker bij de 7,9 en 10. Maar bij de woorden voor 4 en 5 hebben zoveel uitspraakwijzigingen plaatsgevonden, dat ze helemaal niet meer op elkaar lijken. Het verschil is nog groter dan tussen het Friese skip en het Duitse Schiff. Ik waag het dan ook niet om hier uiteen te zetten hoe er verband kan bestaan tussen de Nederlandse en Latijnse woorden voor 4 (vier en quattuor) en tussen de Nederlandse en de Griekse woorden voor 5 (vijf en pente). Wel wilde ik er even op wijzen dat het Griekse pente (5 dus) aardig overeenstemt met het Slavische pet en het Sanskiet panca. En wat de 4 betreft vertoont het Latijnse quattuor weer veel gelijkenis met het Russische catyra en het Sanskriet catar. Men ziet dus dat er telkens weer hele taalfamilies zijn die verwante vormen bezitten.

Eenvoudig

Maar hoe komt het nu dat die eenvoudige kleine telwoorden overal zo sterk gelijk gebleven zijn? Misschien wel juist daardoor dat ze zo eenvoudig en klein zijn; iedereen kent ze (tot kleine kinderen toe) en ze zijn praktisch onvervangbaar, zodat ze gemakkelijk in allerlei landen en vele eeuwen lang min of meer gelijk blijven. Met sommige andere woorden die geen getal maar een echt begrip aanduiden is veel meer speling mogelijk. Dat zien we aan woorden zoals ledikant en haard, want het kan heel goed voorkomen dat men tegen een bepaald soort bed altijd ledikant zegt, terwijl een bepaald type kachel altijd haard genoemd wordt. Daardoor kunnen sommige woorden helemaal in onbruik raken, ik denk hier aan legerstede en sponde. Ook bij namen van mensen (moei en zwagerin bv.) komt het voor dat ze praktische vergeten worden. Maar drie blijft altijd drie, de negen blijft altijd negen, wanneer iemand het in zijn hoofd zou halen zulke woorden te vervangen, zou hij zijn betoog niet alleen onduidelijk, maar misschien zelfs volkomen onbegrijpelijk maken. Zulke woorden moeten dus blijven bestaan, in nog sterkere mate dan de namen van lichaamsdelen. Alleen de uitspraak ervan is aan sterke veranderingen onderhevig, het vraagt dikwijls een serieuze studie om die wijzigingen enigszins te kunnen volgen.

Logisch

Het is vrij logisch dat deze kleine telwoorden die hoeveelheden aangeven die ieder, ook een kind, overzien kan, algemeen voorkomen en in betekenis gelijk blijven. Maar op het gebied van de telwoorden is nog iets anders gebeurd en wel wat het rangtelwoord tweede betreft. In de middeleeuwen heette de tweede in het Nederlands de ,,andere". Ook in het Duits (ander), het Frans (autre) en het Engels (other) was dat het geval en in bijna alle Indo-europese talen, o.a. het Latijn. Toen is, omstreeks de 16e eeuw, in Nederland en Duitsland de gewoonte opgekomen om in plaats van andere tweede (zweite) te zeggen. Tweede en zweite zijn dus betrekkelijk jonge woorden. In Frankrijk ging men in dezelfde tijd deuxième (2e) zeggen of second; eigenlijk betekent dat de „mindere". Dit second kwam overeen met het Italiaanse secondo en het Spaanse segundo. Zelfs ook aan het Engels ging second (afkomstig uit het Frans) tweede betekenen, zodat in al deze landen het woord ander (voor 2e) in onbruik is geraakt.

Zonder enige twijfel is, behalve bij de ontlening in het Engels, ook verder bij dit proces van sterke onderlinge invloed sprake geweest. Maar de Scandinavische landen lagen teveel uit de koers om bij deze wijzigingen betrokken te worden. Daarom zegt men ook vandaag nog in het Zweeds en Deens „de andere", wanneer men bedoelt: de tweede. De namen van de naaste familieleden: vader en moeder, broer en zus, zoon en dochter, staan heel dicht bij het kind. Toch zijn dit woorden die, door hun grote verspreiding, iets te kennen geven over de beschaving van de Indo-europese volken. Blijkbaar konden ze zich geen beschaving indenken zonder gezinnen. Taalgeleerden hebben opgemerkt dat bij hen allen het gezin hoog in aanzien stond en daarmee ook de ouders, speciaal de vader. Helemaal in overeenstemming dus met het bijbelse gebod: ,,Eert uw vader en uw moeder". Het gezin, de basis van de samenleving, vormde bij de Indoeuropese volken vanouds reeds een maatschappijtje op zichzelf en een mens ging daar van zijn geboorte af deel van uitmaken. En omdat de begrippen vader en moeder dus de grondslag van hun beschaving vormden, behoorden de namen van deze personen tot de fundamenten van hun talen. Dat zijn ze trouwens nog, dat zien we aan ons Nederlands.

Pater
De woorden vader en moeder, die schijnen af te stammen van de vormen pater en mater, zijn door hun zeer grote verspreiding een prachtig vergelijkingsmiddel. Aan de hand van deze 2 namen kan men bijna alle Indo-europese taalfamilies de revue laten passeren.

Uit de Germaanse talen kennen we het Nederlandse ,,moeder" en de Engelse en Duitse vormen. In het Latijn zei men mater, hieruit is o.a. in de Romaanse taalfamilie mère en madre (Spaans, Italiaans) ontstaan. Het Grieks, een taaigroepje op zichzelf, kende eveneens mater, en de Keltische talen math(a)ir. Nu de oostelijke groep Indo-europese talen. De grootste families daarvan zijn het Slavisch (bv. Russisch matj) en het Indisch (bv. Sanskriet mata). Van de kleinere groepen noem ik het Albanees (motrè); het Armeens (mair) en van de Baltische familie noem ik het Letse mate en het Litause mote.

Roemeens

Er zijn maar heel weinig Indo-europese talen die geen woord kennen dat met moeder (en met vader) overeenkomt. Drie merkwaardige uitzonderingen zijn het Roemeens (een van de Romaanse talen) met het Fries en het Gotisch, beide Germaanse talen. In het Roemeens heten de vader en moeder tata en mama, in het Fries heit en mem. De gebruikelijke vormen in het Gotisch waren atta en aitha. In de Gotische bijbelvertaling van Wulfia staat voor vader steeds atta, op één uitzondering na, dan gebruikt hij fader. Het Roemeense mama zal wel afkomstig zijn van het Latijnse mamma. (Het Latijn had nog een ander leuk moedernaampje: amma.) Het Friese mem houdt ongetwijfeld verband met een aantal populaire vormen uit Germaanse talen: het Zeeuwse mamme, het Nederduitse móme en het Hoogduitse muhme. Het is vooral goed te letten op de Latijnse vormen pappa en mamma, die gelijkluidend zijn blijven voortbestaan tot in het Italiaans van heden. Die vormen bestaan, min of meer gewijzigd, in heel West-Europa, ook in het Nederlands. Er wordt weleens gedacht dat pappa en mamma de weergave zijn van de eerste kindergeluidjes. Dit is maar ten dele waar, want dat die geluidjes in West-Europa als pappa en mamma worden opgevat, is een navolging van de Latijnse traditie. Het zijn tot op zekere hoogte ontleningen aan het Latijn.

Traditie

Maar al zit er veel traditie in de woorden pappa en mamma, karakteristiek voor de Indo-europese talen zijn ze niet. Maar de officiële namen van de gezinsleden zijn wel degelijk Indo-europees. Dat zijn: vader en moeder, broeder en zuster, zoon en dochter. Zij leven dan ook voort in alle Indo-europese taalfamilies, waarvan de grootste zijn: de Germaanse, Romaanse, Slavische en Indische talen. In de Germaanse en Indische familie komt het hele stel voor van de zes namen vader en moeder, broeder en zuster, zoon en dochter.  (Het is opmerkelijk dat de Germaanse en de Indische woordenschat in dit opzicht zoveel gelijkenis vertonen.) De Romaanse talen hebben er slechts 4, zoon en dochter ontbreken daar. Die zijn in de Romaanse talen of eigenlijk reeds in het Latijn, vervangen door filius, filia, d.w.z. zuigeling(e). En de Slavische talen kennen slechts vijf van deze namen, omdat ,,vader" daar vervangen is door otek. Woorden zoals vader en moeder hebben zich dus uitstekend gehandhaafd. Dat lijkt vanzelfsprekend, omdat ze bijna onmisbaar zijn. Toch spreekt dit volstrekt niet vanzelf, als men er rekening mee houdt dat andere ,,basiswoorden", zoals man en vrouw, wel degelijk verdwenen zijn. Van het Indo-germaanse woord voor man is in West-Europa niets rneer over en van het oude woord voor vrouw (gwen in het Indo-Germaans, gunè in het Grieks) zijn slechts enkele sporen meer, zoals kvinna en kone (Zweedse en Deense woorden voor vrouw) en verder enkele afzonderlijke gevallen: queen in het Engels en kween (slet) in het Vlaams.

Dat daarentegen de woorden vader en moeder zijn gebleven, komt door de Indo-europese beschaving, waarin ieder gezin een kerntje vormde waaruit de samenleving was opgebouwd. Deze kernen konden in hun beschaving (en in de onze) niet gemist worden en de aanduiding van de leden dus evenmin. Zo komt het ook dat er betrekkelijk weinig veranderingen in de betekenis hebben plaatsgevonden, minder dan bij andere woorden.

Pitar

Maar zijn de Germaanse vormen vader (Ned.) en father (Eng.) wel in oorsprong dezelfde als het Latijnse pater en het Sanskriet pitar? Ja, de p van pater is in het Germaans langzamerhand een f geworden en speciaal in het Nederlands een v (vader). Dit is een volkomen normaal geval, want in het Germaans bestaan veel woorden waarin door opeenvolgende klankveranderingen de oorspronkelijke p vervangen is door een f (of v). Vader is daar een mooi voorbeeld van; enkele andere zulke woorden zijn voet, vee en voor. Ook over de veranderingen van de andere klanken, vooral de t, van pater en mater is veel geschreven, speciaal door germanisten. Die zijn veel te technisch om hier besproken te worden. Wat ons interesseert, maar wat voor de volgende keer bewaard moet worden, is wat er in de taal gebeurt als men de naam vader toepast op God.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1983

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

Eenvoudige woorden met een eigen geschiedenis

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1983

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken