Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Historisch overzicht van de Geestelijke Gezondsheidszorg

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Historisch overzicht van de Geestelijke Gezondsheidszorg

Tentoonstellingen in Haarlem en Gouda

14 minuten leestijd

Het vertrek is hoogstens tien vierkante meter groot. Het plafond is hoog. De wanden zijn kaal, hard en glad. Hoog in de muur zit een venster. Niets meer en niets minder dan een gat, zonder glas, met twee ijzeren staven erin. Getralied. Gelijk met schaars licht laat het een ijzige kou naar binnen. Aan de lange zijde van het vertrek bevindt zich een onverwoestbare, massief houten deur met een kijkgat dat door middel van een houten schuif afgesloten kan worden. Een enorm ijzeren slot maakt het isolement compleet. Het schaarse meubilair is aan muren en plafond vastgelegd: een weinig comfortabele krib en een gemak.<br />

We bevinden ons in de dolcel in de kelder van het Catharina Gasthuis in Gouda. De aanwezigheid van deze cel onder het koor van de kapel was het uitgangspunt voor het idee van een tentoonstelling die een overzicht moest bieden van de krankzinnigenzorg in vroeger tijden. In het Frans Halsmuseum te Haarlem speelde men al enige tijd met dezelfde gedachte. Daar ontstond hetzelfde idee na bestudering van de historische collectie van de psychiatrische kliniek in het nabij gelegen Santpoort. Deze kliniek werd gebouwd in 1849 als provinciale kliniek na de totstandkoming van de eerste Nederlandse wet op de krankzinnigenzorg in 1841. Samenwerking lag dus voor de hand. Besloten werd dat Haarlem zich vooral zou concentreren op de periode na 1800 en Gouda op de periode voor 1800.

Gedrag 

Of iemand vroeger als krankzinnige werd gebrandmerkt hing af van iemands gedrag. Zodra dat gedrag door de samenleving als bedreigend of storend werd ervaren, beschermde de gemeenschap zich daartegen door die mensen onder te brengen in het krankzinnigengesticht. De eerste inrichtingen voor geesteszieken dateren uit de vijftiende eeuw. Het aantal stedelijke "dolhuizen" dat in Nederland speciaal met oog op de "bewaring" van krankzinnigen werd opgericht, was beperkt. Het zijn er hoogstens vier of vijf geweest in die tijd. De oudste, het dolhuis van Reinier van Arkel in 's Hertogenbosch en het Willem Arntszhuis te Utrecht, werden respectievelijk in 1442 en in 1461 in het leven geroepen. De andere in Amsterdam en Middelburg kwamen pas na 1560 tot stand. ' De meeste krankzinnigen verbleven echter in liefdadigheidsinstellingen waar zij hun verblijf deelden met zieken, gebrekkigen. pestlijders, tuchtelingen en andere behoeftigen. In de loop der tijden werd er in een aantal van die instellingen een gedeelte afgescheiden waarin cellen en dolhokjes werden aangebracht. Ook werden verschillende van die tehuizen gaandeweg uitsluitend voor krankzinnigen bestemd. De stoffelijke omstandigheden in die inrichtingen waren uiterst sober. Omdat vrijwel alleen die mensen werden opgenomen die in de samenleving niet te handhaven waren, werd de krankzinnigenzorg gekenmerkt door het gebruik van talloze dwangmiddelen. Oorspronkelijk werden deze middelen gebruikt om de „zinlozen" in te tomen èn tegen zichzelf te beschermen. Later, toen men zich werkelijk ging inspannen om deze mensen te genezen, werden de dwangmiddelen gebruikt als therapie ter genezing. In de kelder van het Stedelijk Museum in Gouda zijn een aantal van die gruwelen te zien.

Sappen

Opmerkelijke lusteloosheid en geestelijke afwezigheid werd geweten aan een verkeerde menging van de vier lichaamssappen: gele en zwarte gal. slijm en bloed. Magische bezweringen, kruiden, uitsnijdingen, bloedzuigers en andere machteloze geneespogingen werden dan op de stakkerds toegepast. Op feestdagen waren de dolhuizen tegen betaling voor het publiek opengesteld: „ter leringhe ende vermaeck". De bezoekers konden zich vergapen aan de uitvallers in de samenleving, ze voor de gek houden en in sommige gevallen zelfs mishandelen. Het exposeren diende ertoe om de „gewone" burgers te laten zien waar zondige levenswijzen op uit konden lopen of om hun medelijden op te wekken. De gulden regel was dat de patiënt zich diende te onderwerpen aan de wil van de geneesheer. De zieke moet onderworpen en aan banden gelegd worden „door hem in de strenge afhankelijkheid van een man te plaatsen die geschikt is om een onweerstaanbare heerschappij over hem uit te oefenen en zijn dwaze ideeënassociaties te veranderen". De zieken zullen snel leren "dat zij zich onderwerpen moeten en dat de wil van de dokter voor hen een vaste en onveranderljike wet is en na een tijd zullen zij inzien dat het even weinig zin heeft zich te verzetten tegen deze wil als tegen de wetten der natuur." De geneesheer moest zijn uitgerust met 'een doordringende blik en de wil om de ander te imponeren.' (Jelgersma)

Fysiek

Behalve milde behandeling paste men ook fysische middelen toe ter genezing. Opwekkende, kalmerende, slaap- en purgeermiddelen had de geneesheer tot zijn beschikking. Tot de fysische middelen rekende men kunstmatige bloedingen door aderlating en bloedzuiging om de ziekteverwekker de gelegenheid te geven het lichaam te verlaten. Ook gebruikte men elektriseermachines om het gemoed te beinvloeden. Bovendien had elke zichzelf respecterende inrichting een gelegenheid voor douche- en badbehandeling. Straal-drop- en regenbaden werden vaak toegepast als dreig- en strafmiddel, koude baden gaven verkoeling aan een overhit gemoed, warme baden werden aangewend om loomheid en rust te bewerkstelligen.

J. N. Ramaer schreef daar in 1846 een verklaring over: „Ik behoef u niet te zeggen, dat het niet gemakkelijk is een krankzinnige zijn geliefkoosde hersenschimmen te ontrukken en daarom is men veelal genoodzaakt tot gestrenge maatregelen zijn toevlught te nemen, waartoe men zich voornamelijk bedient van koude baden, stort- en regenbaden, overgietingen met koud water en dies meer; hiermee dwingt de geneesheer de krankzinnige, de onjuistheid zijner opvattingen toe te geven. Menigmalen werd op deze wijze op het alleronverwachtst aan krankzinnigen het gebruik hunner geestvermogens teruggeschonken." Eenzelfde soort verklaringen zijn bekend over het gebruik van dwangbuizen, dwangstoelen, riemen, boeien en ketens.

Wetenschap

Aan het einde van de 18de eeuw beginnen de denkbeelden over krankzinnigenzorg te veranderen. In Frankrijk wordt Phillipe Finel benoemd als directeur van de Parijse inrichting „Bicêtre". Hij vond daar een hele menigte krankzinnigen, als dieren opgesloten. Samen met Tuke in Engeland en Chiarugi in Italië behoorde Pinel tot de geneesheren die inzagen dat geestesgestoorden geen misdadigers waren en dat de wijze waarop ze opgesloten waren, hun elke kans op genezing ontnam. Hij had de moed om te erkennen dat deze mensen ziek waren en dus medisch behandeld in plaats van gestraft moesten worden. Hij iaat de kettingen waarmee de patiënten geboeid waren losmaken en begint daarna met het observeren en beschrijven van de verschillende vormen van krankzinnig gedrag. De medische psychiatrie als medische wetenschap was geboren. Onder het motto dat ledigheid de moeder van alle ondeugden is, wordt iedereen binnen het hospitaal aan een streng levensritme onderworpen, waarbij verplichte arbeid een belangrijk onderdeel van de heropvoeding was. Het voorbeeld van Pinel werd maar zeer schoorvoetend nagevolgd, vooral omdat deze, op genezing gerichte behandeling veel intensiever was. In Nederland veranderde de situatie maar langzaam. Dit ondanks de door koning Willem I in 1818 ingevoerde bepaling dat inrichtingen voor krankzinnigen het doel moesten hebben om de mensen te genezen. Daarmee werd dus voor het eerst niet de bescherming van de maatschappij voorop gesteld, maar het individuele lot van „de ongelukkige". Tot 1840 veranderde er weinig, op één uitzondering na. De Willem Arntsz Stichting wordt na 1827 ingrijpend gemoderniseerd onder leiding van een van de regenten, de arts en hoogleraar J. L. C. Schroeder van de Kolk. Er kwamen aparte afdelingen voor rustige en onrustige lijders, voor rijken en armen, voor mannen en vrouwen en men bevorderde arbeid, ontspanning en onderwijs. De ouderwetse, onmenselijke dwangmiddelen werden vervangen door modernere, zoals het dwangbuis. Bovendien voerde men nieuwe geneeskundige behandelingen in. En het resultaat: het aantal genezingen nam toe. Vooruitlopend op de Krankzinnigenwet van 1841 zorgde Schroeder van de Kolk voor specialisering binnen zijn inrichting. „De verblijven" zo schreef hij in 1838, „moeten ingerigt worden voor de beide sexen, behoudens eene volstrekte afscheiding tusschen dezelve, en zoowel voor ongeneeslijken, als geneeslijken. Voorts moeten er voor iedere sexe afzonderlijke Afdelingen zijn van drie standen. Aan de verwijderste deelen moeten er plaatsen zijn, tot afzondering van de razenden en al te levendige of woeste" (1838).

Wet

Om de noodzakelijke verbeteringen door te voeren werd in 1841 de Krankzinnigenwet uitgevaardigd. Een direct gevolg daarvan was dat er 19 van de 31 inrichtingen verdwenen. Voor het toezicht werden van overheidswege een tweetal inspecteurs aangesteld. De inspectieverslagen van deze beide ambtenaren lieten tot ongeveer 1880 zien dat het in verschillende opzichten nog steeds bijster slecht gesteld was met de Nederlandse krankzinnigenzorg. De opnameprocedure was te omslachtig, de curatele die men na drie jaar opname verplicht was, werd als zeer bezwaarlijk beschouwd en de wet bood geen enkele maatregel om de overbevolking in de inrichtingen tegen te gaan. Na veel voorbereiding trad in 1884 een nieuwe wet in werking die een snellere opname mogelijk maakte, de verplichte curatele afschafte en het staatstoezicht uitbreidde tot buiten de gestichten. Deze wet is met enkele wijzigingen, ondanks heftige kritiek, tot op de dag van vandaag van kracht. Die kritiek is er al tientallen jaren. Sinds kort ook onderwerp van politiek debat. In 1975 werd door staatssecretaris Hendriks een werkgroep „rechtspositie patiënten in psychiatrische ziekenhuizen" opgericht. Deze werkgroep werd bekend onder de naam „Commissie-Van Dijk" en heeft ten doel aanbevelingen te doen op het gebied van het patiëntenrecht. In 1980 publiceerde zij haar eindrapport. De kritiek vanuit patiëntenorganisaties was groot. Op 19 februari 1981 boden de patiëntenbewegingen hun „Manifest Patiëntenrecht" aan op het Binnenhof. In 65 stellingen werd aangegeven waar het volgens hen naar tóe moet. De nieuwe wet laat nog steeds op zich wachten.

------------------------------------------------------------------------------------

Verantwoording

In dit historisch overzicht van de Nederlandse psychiatrie vallen diverse malen woorden als „inrichting", „gesticht", „gek", „krankzinnig", „dol" en „razend". De lezer moge inzien dat deze termen niet door mij gebruikt zijn als zou ik daar achter staan, maar meer omdat deze benamingen in een historische verhandeling die recht wil doen aan de waarheid, niet gewijzigd kunnen of mogen worden. In hedendaagse termen is het beter om te spreken van psychiatrisch ziekenhuis en psychiatrische patiënt.

Van 't Hul

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1983

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

Historisch overzicht van de Geestelijke Gezondsheidszorg

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1983

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken