Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gedichten van christenen kunnen soms christelijke poëzie worden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gedichten van christenen kunnen soms christelijke poëzie worden

Welkome bloemlezing verzen Marinus Nijsse

16 minuten leestijd

<br />Er is de afgelopen weken en maanden weer een milde regen van poëzie neergedaald: dunne beginnelingenbundeltjes, lijvige bloemlezingen, herdrukken, vervolgwerk van al gevestigde dichters. En weer geldt, zoals steeds in de schone letteren, dat de omvang van een boek(je) geen enkele aanwijzing bevat omtrent de kwaliteit, poëtisch beeldend vermogen, ontroeringsdrift. Ik beleefde meer genoegen aan een selectie van de nog niet vergeten Marinus Nijsse [32 biz.) dan aan de lijvige bloemlezing „Zondagsdichters" (191 Wz.). Maar van poëzie genieten is ian ook fijnproeven uit de keuken der letteren; niet een uit de loketmuur getrokken kroket naar binnen proppen....

Daarom begin ik deze aankondigingen — want meer kan het nauwelijks zijn — met de bundel „Het goed dat eeuwig is", een keuze uit de nagelaten gedichtenbundels van Marinus Nijsse, die we o.m. ook nog als RD-medewerker gekend liebben. De in 1978 overleden bekende Zeeuwse dichter en onderwijzer heeft zich, naar mijn besef, in zijn literaire uitingen veel beperkingen moeten opleggen. Concessies naar de vorm zijn daarbij niet het belangrijkste: in sonnet en rondeel, in het ballade-achtige vers kon Nijsse zich het best uitdrukken.

Dichter van zijn volk

Maar hij, dichter binnen de rechtervleugel der Gereformeerde gezindte, heeft soms — denk ik — zijn dichterschap te bewust onderworpen aan de kerkelijke en al te menselijke bindingen. Misschien ervoer hij die niet als knellend, misschien was hij uit vrije keus de dichter van zijn volk. In elk geval ben ik blij met deze kleine heruitgave van De Groot te Goudriaan (in de handel gebracht door Kok te Kampen) en ik hoop, dat het nog eens komt tot een complete bundeling van al zijn werk, ook van verspreide gedichten. Hoeveel zijn er niet verschenen in bladen als „Daniël".

Erkenning nodig

Een „verzameld werk" is beslist de moeite waard, al zou deze kleine, stille en wat bescheiden Nijsse er zelf niet naar gejaagd hebben. Die totaaluitgave — de Gereformeerde Gemeenten zijn het aan 'hun" dichter verplicht; zóveel literair talent is er in „onze kringen" nu ook weer niet! — moet dan wel goed verzorgd zijn, in de bundel van uitgever De Groot ontbreekt namelijk letterlijk alles wat ons kan informeren: wie de bloemlezer is, uit welke bundels en welk jaar de verzen zijn, wie Nijsse was en wanneer hij leefde en hoe zijn dichterschap zich ontwikkelde.

Kortom, een flinke scriptie, gewijd aan deze Godvrezende letterkundige die te weinig erkenning vond in en buiten zijn eigen kring, is zeker op zijn plaats. Wie begint eraan? Maar lees eerst zijn verzen als „Reformatie", „Golgotha", „Biddag", „Advent", enz. En besef dan ook, dat dit bundeltje niet echt representatief is voor het vele (en ook vele goede) werk dat uit de pen van Marinus Nijsse is gevloeid.

Dichter-dominee

Een christelijk dichter van weer heel andere richting en leefwereld was de in 1981 overleden ds. Han Tuininga, jarenlang predikant van de Dutch Church in Londen. Hij dichtte over zeer uiteenlopende onderwerpen, maar „Zwierende meeuwen" (Kok, Kampen, 56 blz., ƒ 9,90) is een bijzonder religieuze bundel. Vooral zijn „expressies" vanaf zijn ziekbed zijn aangrijpend, zoals „Gij zijt met mij" (naar Psalm 23) en „Geloof is luisteren".

Maar ook verzen uit de rubrieken „Uit het Grote Boek", „Rond Kerst en Oudjaar", „Lang geleden, maar toch..." en „Impressies" zijn de moeite van het op zich laten inwerken waard. Ik denk aan gedichten als „Anna, de profetes", „Droomgezicht", „De vlieger" en „De dood". Eenvoudige verskunst, niet modern van vorm, maar verstaanbaar voor ieder en rechtstreeks uit het hart komend.

Nieuwe Geert Boogaard

Nog een dominee in de poëzie, zonder zo'n door Cornells Paradijs gewraakte dichter-dominee (is: vrome rijmelaar) te zijn: ds. Geert Boogaard, van wie G. F. Callenbach te Nij kerk nu de negende bundel verzen liet verschijnen, „Niet zonder hoop". Tal van vorige bundels worden steeds herdrukt.

Persoonlijk vind ik „Niet zonder hoop" (64 blz., ƒ 12,50) wat minder aansprekend, zelfs ietwat teleurstellend, zonder nu meteen te kunnen aanwijzen waaraan dat ligt. Is het het ontbreken van titels boven de verzen? De nogal eens (gewild) modern aandoende vorm? Die kwaliteiten kwam ik al eerder bij Boogaard tegen. Heeft hij zichzelf wellicht wat „overschreven"? Moest er zo nodig weer een „nieuwe Boogaard" uitkomen omdat uitgever en publiek dat wensen?

Er zijn verzen met een sterke zeggingskracht, maar naar mijn smaak ook veel te veel notitie-achtige zinnetjes onder elkaar afgedrukt, die met poëzie weinig van doen hebben en meer op invallen met een geestelijke strekking lijken. En het belijdenisgehalte van deze poëzie? „Een zalig oord daarboven/ waar ik als kind van zong/ is er niet gelukkig/ het is waar God/ wandelde in de hof...) zegt Boogaard, die schijnt te denken dat het ontbreken van leestekens en een gerafeld zetsel van allerlei uitspraken vanzelf gedichten maakt...

Klein drieluik

Van Callenbach komt ook „Pluk eerst vruchten als zij rijp zijn" door Ingmar Schippers (37 blz., ƒ 12,50). De dichteres geeft in simpele bewoordingen verzen van geloof en troost en ze wil jong en oud aan het overdenken zetten van dat, wat ieder onontkoombaar moet doormaken en van dat, wat er nog aan moois is in deze schepping Gods. De bundel is een drieluik: de natuur óm ons, lief en leed in ons en God mét ons.

Qua compositie zou ik dat laatste deel liever als het middenpaneel van deze kleine triptiek hebben gezien. Er staan mooie verzen in zoals „Als wachters voor de hemelpoort", „Jij bent mijn kind", „Help mij God". Maar ook kleine ketterijtjes, want ik lees nergens van „de drie wijzen" in het Evangelie.

En wat moet ik met een antwoord op de vraag, wat geloven eigenlijk is: aan God denken, netjes je gebeden zeggen of toch nog meer? In „Kindergebed" heet het dan: „Maar moeder weet het, want die zei me:/ God is daar, waar jij Hem ziet". Dat is nu juist niet het wezen van het geloof en bovendien een ongeoorloofde inperking van Gods al wezen.

Liefde voor Zeeland

Ds. C. Hein van Garderen heeft iets gemeen met Marinus Nijsse: hij schrijft als christen gedichten en toont een grote liefde voor het Zeeuwse land en de natuur daar. Maar daarmee houdt de overeenkomst wel op. Hein van Garderen, predikant van de Open Hof gemeenschap te Breda, publiceerde zijn tweede bundel poëzie „Ongewapend" (uitgeverij De Einder, Gen. Maczekstraat 4, Breda, 55 blz.)

Ik heb de indruk, dat moeilijke woorden in de titel soms het hele poëziegehalte van een vers bepalen, terwijl even verderop weer beeldende en toch zo simpele verzen staan. Vooral diverse kwatrijnen zijn sprekend, al zal de inhoud ons niet steeds tot bijval verlokken.

Zo'n vers als „Tholen" bijv. luidt: „De beide boeren stapten dreigend voort./ Hun ziel was zwart, hadden zij juist gehoord./ Zij keken mij nietszeggend, somber aan/ vanuit hun diepzwart pak met stijfwit boord". Nijsse daarentegen had juist dit volk lief, al leed ook hij de pijn van het onbegrip en onverstand!

Andere verzen van Van Garderen die ik graag naar voren haal zijn Heul, In memoriam fratris. Onweer, 1' Art pour l' art, Doodtij, Anno Domini 1953 (over de Ramp) en Ars Poëtica.

Met blijdschap

Ik mag u bij dezen ook de nieuwe Co 't Hart aankondigen: „Met blijdschap verder". Kok geeft ook deze, haar vijfde, bundel uit (48 blz., ƒ 8,95). Het is natuurlijk niet helemaal eerlijk, maar je trekt ongewild parallellen met Nel Benschop, al is het succes van de laatste nog niet door 't Hart of IJskes-Kooger geevenaard. Bovendien is succes een slechte graadmeter voor kwaliteit.

Ook in deze bundel dezelfde strekking: problemen, maar Goddelijk uitzicht, blijdschap en gelovig vertrouwen boven de opduikende twijfel uit. Een paar titels: Dankbaarheid, De goede tijding. Het Woord waarop ik bouw. Bij de Doop. Maar ook minder „gewijde" titels als Land, dat ik liefheb. Het kind van de rekening. Een zakenrelatie. Sluitingstijd en Twee werelden.

Helaas kan ik niet ontdekken, dat er sprake is van een duidelijk voortgaande ontwikkeling in dit dichterschap. Wie zó voortgaat — en er is altijd een lezerspubliek! — dreigt toch teveel de Leni Saris van het christelijke vers te worden, ooit goed voor tientallen bundels. En die kant moet Co 't Hart niet opgaan!

Geen wanklank

Een nieuwe loot aan de christelijke dichteressenstam is Nel Goudzwaard-Dubois, wier „Carillon" ook door Kok Kampen wordt uitgeluid (44 blz., ƒ8,90).

Mevr. Goudzwaard uit Maarssen publiceerde wel eerder afzonderlijke gedichten, maar in deze bundel debuteert ze met wat de uitgever „sterke, evangelische gedichten" noemt. Dat klopt ten dele wel. Een vers als „Jezus voor Herodes", „De Emmaüsgangers", „Aanbidden is..." steekt gunstig af bij veel soortgelijke rijm, dat vaak maakwerk is. Maar ik kan niet zeggen, dat ik na „Carillon" met erg veel verlangen uitzie naar een vervolgbundel. Teveel overheerst mijn indruk, dat ik dit soort verzen (bijbelse liedjes, zou ik bijna zeggen) al zo vaak elders gehoord heb.

Visuele poëzie?

Tot slot nog één christen-dichter: Dick Ellen, van wie bij De Vuurbaak te Groningen „Geleend geluid" uitkwam (47 blz. ƒ 12,50 Vuurbaakvrienden ƒ 10,50). Ellen debuteert, al ontstonden de verzen in een periode van een kwart eeuw en al wilde hij ze pas op aandrang van vrienden publiceren.

Ik voel me weinig gegrepen door „Geleend geluid", maar dat kan al liggen aan de afschuwelijke bladspiegel. De tijd van Paul van Ostaijen en Theo van Doesburg en van de latere visuele poëzie ligt al lang achter ons. „Eindexamenopstel" kan het ook wel zonder zulke typogf;, grafische foefjes stellen. En ik haat verP* zen zonder titel, zonder hoofdletters en leestekens (waarbij de hoofdletter toch weer onontkoombaar blijkt als het gaat over het Oud Verhaal of het teken van de Vis of het aanduiden van Gods Naam).

Zo'n vers als „social gospel" is met een paar andere verzen inhoudelijk aangrijpend, maar de vorm trekt mij althans niet aan. De bundel is dunner dan u denkt: (bijna) alleen de rechterbladzijden zijn bedrukt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1983

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

Gedichten van christenen kunnen soms christelijke poëzie worden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1983

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken