Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ruil

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ruil

4 minuten leestijd

Toen de Hollanders in 1667 aan de „Wilde Kust" in het noorden van ZuidAmerika verschenen om dat gebied in bezit te nemen, waren hen al diverse Europese volken voor geweest. Door de paus was het gebied toegewezen aan de Spanjaarden, maar van hun macht is weinig gebleken. In 1630 vestigde een aantal Engelsen zich aan de Surinamerivier en ruim tien jaar later een groep Fransen, maar dat heeft niet geleid tot blijvende kolonisatie. Het waren de Engelsen dié in 1650 het land definitief in bezit namen. Het aantal blanken nam toe, plantages werden in snel tempo aangelegd. Maar lang hield Engeland het gebied niet. In 1667 veroverde de Zeeuwse admiraal Crijnsen het fort aan de monding van de Surinamerivier en in datzelfde jaar werd Suriname officieel door Engeland afgestaan. De Hollanders deden in ruil daarvoor afstand van Nieuw-Nederland, het latere New York.

De Hollanders vonden in Suriname dus plantages met negerslaven, en aangezien ze beide al hadden leren kennen in de tijd dat ze Brazilië op de Portugezen veroverd hadden, namen ze niet alleen de plantages maar ook de slavernij probleemloos over. Al vanaf 1621 had de West-Indische Compagnie het monopolie van de handel in Afrika en deze Compagnie kreeg dan ook het alleenrecht negerslaven in Suriname in te voeren. Er werd afgesproken dat „dewijl de gemelde Colonic niet wel kan worden voortgeset, dan door middel van zwarte slaven ofte Negros, ende dat niemand buyten de voorsz. Compagnie in dese Lande bevoeght is eenige slaven te halen van de Kuste van Afrika, alwaer alleen ingehandelt werden, soo sal de voorsz. Compagnie jaerlijcx leveren zodanigen aantal slaven, als aldaer sullen wesen gerequireert (vereist zijn)".

Slaven vormden koopwaar die op markten verhandeld werd. alle slaven te verkopen dan lieten de schippers hun koopwaar in groepen door Paramaribo lopen om zo reclame te maken.

De zoutwaternegers, nieuwelingen van overzee, waren meestal bestemd voor hfit plantagewerk. Dat betekende het zwaarste slavenlot, vooral op de suikerplantages, erger dan het lot van een huisslaaf of een ambachtsslaaf. Maar waar de ^aaf ook terecht kwam, in Paramaribo, op een suiker-, hout-, of koffieplantage, overal zorgden de blanken er angstvallig voor het onderscheid tussen blank en zwart te handhaven. Een belangrijke drijfveer hiervoor was „de angst voor de menigte der slaven" en regelmatig verschenen er plakkaten die de getalsverhouding tussen blank en zwart regelden.

Zo werd in 1684 op tien slaven één blanke opzichter vereist, en in 1689 één blanke op elke twintig slaven. Waarschijnlijk zijn er in de praktijk minder i,ii,ii,iiiiiiii,iii,iiiiiii,ii,^iiii!iiiiiii.iiiiiiaiiuiiiii!.u,ii,iiiJii.iiiiiiiitiii»iJiHiiii4iiiNiiidiriii,;^

Die angst verklaart voor een deel ook de hardhandigheid waarmee de blanke meesters tegen de negerslaven optraden. Suriname stond op dat punt slecht bekend. Wel moeten we daarbij in de gaten houden dat de meeste verhalen over wrede straffen afkomstig zijn van felle tegenstanders van de slavernij. Bovendien waren tot in de vorige eeuw lijfstraffen in geen enkel land ongewoon. Maar toch komt uit de officiële archiefstukken, bijvoorbeeld van het Hof van Politie, een veelheid van wrede straffen naar voren.

Ieder erkende dat de meesters het recht hadden de slaven te straffen. Al vroeg werden bepalingen afgekondigd die doodstraf en verminkingsstraffen verboden. Maar ook als de opzichters zich daaraan hielden bleef er nog ruimte genoeg over. Zo bepaalde het plantagereglement van 1761 dat de meesters zonder tussenkomst van het Hof van Politie maximaal tachtig zweepslagen mochten toedienen. Een beschrijving uit 1718 leert hoe dat veelal toeging. „Wanneer zij eenig kwaad, buiten de straffe des doods verdiend te hebben, bedrijven, zo werd de zelve door order van de Meester, of ook wel door hem zelfs gestraft; werdende de misdadige de handen met een touw te zamen gebonden, na boven aan een Boom opgetrokken en daar vastgemaakt zijnde, zo werd hem 50 ponden op de grond staande aan de voeten vast gemaakt en die aan een gebonden, om daar door het slingeren en schoppen met de voeten te beletten; gehouden zijnde deze strenge straf nog geduldig te lijden of ten minsten met wringen en naar schreuwen haar droevige elend te beklagen; na dat egter alvoorns door zijn Meester de misslagen hem voorgehouden zijn, en gevraagt is of hij de zelve wil belijden, met redenen waarom hij zulks gedaan heeft, en na het zelve beleden te hebben, of door eeriige ha

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 18 March 1983

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Ruil

Bekijk de hele uitgave van Friday 18 March 1983

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken