Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het ontstaan van christelijke talen (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het ontstaan van christelijke talen (1)

13 minuten leestijd

In de vorige artikelen heb ik gesproken over heidense talen. Want het sprak vanzelf dat de mensen in de heidense maatschappijen op heidense wijze zouden spreken. En het sprak al evenzeer vanzelf dat een gebeurtenis van zo'n enorm cultureel belang als de vestiging van het christendom eveneens in de hele taal tot uiting zou komen. En daarmee behoefde niet gewacht te worden tot de vertalingen van Luther of de Statenvertalers: die uitwerking begon meteen al, in de tijd van de apostelen: toen werd het Grieks verchristelijkt. Het Latijn zou enige tijd later dit voorbeeld volgen.

Het is hier de plaats ons af te vragen tot welke taalfamilies het Grieks en het Latijn behoorden en hoe de christelijke invloed in de taal is opgenomen. Het Latijn en het Grieks waren de grote cultuurtalen van de klassieke oudheid. Vandaar de intensieve bestudering van deze beide talen (speciaal op gymnasia) waar de cultuurgeschiedenis dikwijls bij aanknoopt. (Helaas is dat nu aan het veranderen.)

Het Latijn en het Grieks behoorden allebei (evenals bijv. de Germaanse en - de Slavische talen) tot de grote Indo-Europese taalfamilie. Maar het is nodig dat we van beide nagaan welke plaats zij bezet hebben in het Indo-Europees. Het Latijn was een van de Italische talen (voor die tijd gebruiken we nog niet het woord Italiaanse) die voorkwamen in Midden-Italië. Het werd gesproken in de provincie Latium (vandaar de naam Latijn) met Rome als hoofdstad. Het was een puur heidense taal en in het begin (± 500 V. Chr.) was er niets dat er op wees dat het Latijn eens voor kerk en beschaving zo enorm veel belangrijker zou worden dan de andere Italische streektaaltjes, vooral het Oskisch en het Ombrisch (ten zuiden van het Latijn). De Italische talen vertoonden vrij veel overeenkomst met de in ons vorige artikel besproken Keltische talen (vooral Gallisch, Brits en Iers). Allemaal bij elkaar worden ze daarom wel Italo-Keltische talen genoemd.

De westelijke helft van de Indo-Europese taalgroep bestond toen voornamelijk uit: a. Germaanse talen; b. ItaloKeltische talen (waaronder het Latijn); c. het Grieks. (De Romaanse taalfamilie bestond toen nog niet.)

Taalfamilie
Het Grieks vormt een kleine taalfamilie op zichzelf. Het aantal overeenkomsten van het Grieks met andere Indo-Europese talen is niet groot genoeg om daarmee in één familie gerangschikt te kunnen worden. Eerst bestond de Griekse taalfamilie uit een bonte verscheidenheid van veel dialecten, waarvan er niet één duidelijk de boventoon voerde. Toen echter Athene, de hoofdstad van Attica, zijn bloeitijd bereikte (± 450 v. Chr.), werd het Attische dialect het voornaamste. Het Ionisch, het dialect van de Kleinaziatische kust en de vele eilanden die daarvoor lagen, bleef ook belangrijk; vandaar dat er een soort van Attisch-Jonisch mengdialect ontstond dat alle andere dialecten overstemde. In het Attisch of het Attisch-Jonisch sprak de redenaar Demosthenes zijn beroemde redevoeringen uit (de filippica's); dit was ook de taal van wijsgeren zoals Plato, historici zoals Xenophon en Thucydides, treurspeldichters zoals Sophocles en Euripides, allen schrijvers die nog over de hele wereld genoemd worden.

Homerus
In de studie die er nog steeds van het Grieks gemaakt wordt, neemt verder Homerus een grote plaats in. Die schreef ± 750 v. Chr. in een Oudgrieks dialect de Ilias en de Odyssee. Deze vormen samen een soort van bijbel van het Griekse heidendom en omvatten 24 zangen over het beleg van Troje en de omzwervingen van Odysseus. (Een van de merkwaardigste verschillen tussen de taal van Homerus en het Attisch-Jonisch is dat Homerus geen lidwoorden gebruikte.)

Toen Alexander de Grote (336-323) het Nabije Oosten en Egypte veroverde, werd het Grieks daar de algemene omgangstaal. Dat was een Grieks dat gebaseerd was op het klassieke Attisch-Jonische eenheidsdialect maar dat sterk vereenvoudigd was, zodat ook vreemdelingen het gemakkelijk konden leren. Hieruit ontstond het Koinè-Grieks (algemeen Grieks). Dit Koinè is vooral voor theologen van belang omdat het Nieuwe Testament daarin geschreven is. Uit dit Koinè heeft zich het Nieuw-Grieks van tegenwoordig ontwikkeld. Dit NieuwGrieks is echter niet van groot belang voor theologie of beschavingsgeschiedenis. Het is, vooral in de spreektaal, ver van het klassieke Grieks afgegroeid.

Puur heidens
Het is nodig te onderstrepen dat alle bovengenoemde variëteiten van het Grieks, zelfs het Koinè, tot op het ogenblik dat de apostelen erin gingen prediken, een puur heidense taal vormden. Het duidelijkst is dit wel bij de treurspeldichters en Homerus met hun verhalen over goden en halfgoden die er dikwijls niet eens een best zedelijk gedrag op na hielden. De Grieken waren heidenen. Hun godsdienst, die zij zelf voor een groot deel leerden kennen uit Homerus, evenals godsdienstgeleerden van tegenwoordig, vertoont veel overeenkomst met die van andere Indo-Europese volken. En ook hier geldt weer dat een Indo-Europese taalfamilie zeer dikwijls dezelfde omvang heeft als een bepaalde godsdienst. Het Grieks vormt een taal apart en over de Griekse godsdienst staat ook een afzonderlijk hoofdstuk in „De Godsdiensten der Wereld", door prof. G. van der Leeuw.

Voor taalgeleerden die de Indo-Europese talen vergelijken is het Grieks van zeer veel belang. Het lijkt de ene keer sterk op het Latijn, de andere keer weer op het Sanskriet, Slavisch of Germaans. Het is voor de taaivergelijking heel bevorderlijk dat er veel bekend is over de verschillende Griekse dialecten. Daardoor kunnen ze veel aanknopingspunten vinden; is het niet in het ene Griekse dialect dan toch wel in het andere.

Verwant
Omdat het Latijn en Grieks in alle opzichten zo belangrijk zijn, is het nuttig te weten hoe ze met andere talen verwant zijn. Het zijn allebei Indo-Europese talen, het Grieks is een taalfamilie apart, het Latijn is èen van de Italische (of Italo-Keltische) talen. In etymologische werken nemen ze een ereplaats in omdat men de woordenschat ervan zo goed kent. Voor theologisch geïnteresseerde lezers is het volgende belangrijk: Het Koinè-Grieks van het Nieuwe Testament behoort tot het Indo-Europees, maar niet het Hebreeuws van' het Oude Testament. Dit maakt deel uit van de Semitische taalgroep.

Wat de huidige situatie betreft: In Athene, de stad van het oude Grieks, spreekt men nu een uitloper daarvan: het Nieuw-Grieks; in Rome de stad van de klassieke Latijn, spreekt men nu een uitloper daarvan het Italiaans.

Voorbeelden
Om toe te lichten op welke wijze de Griekse christelijk-religieuze taal werd opgebouwd, neem ik hier 5 Griekse woorden als voorbeeld: Ekklèsia, Christianoi, Ethnè, Sootèr, Logos. Het Griekse ekklèsia betekende eerst vergadering. Het kreeg in het Nieuwe Testament zeer vaak de betekenis van kerk, gemeente (gemeente is de vertaling van de Statenvertaling). Ekklèsia komt vooral voor in de Handelingen, de beide brieven aan de Korinthiërs, die aan de Galaten en de Openbaring van Johannes. De Griekse woorden voor Christenen en heidenen waren christianoi en ethnè. Christianoi (zie Hand. 11:26) zal wel als scheldwoord bedoeld zijn; ethnè betekende (niet-christelijke) volken, dus heidenen. Het is een vertaling van het Hebreeuwse Oudtestamentische góim (niet-joodse, dus heidense) volken. Zaligmaker en Woord (als namen van Christus) waren in het Grieks Sootèr en Logos. Sootèr betekende normaal redder. In de bijbel heeft het een speciale gevoelswaarde: Redder in de zin van Heiland, Zaligmaker. Logos betekend „woord" of (als filosofische term) „tussenwezen tussen de godheid en de mensen". In de bijbel wordt het gebruik voor de Tweede Persoon in het Goddelijk Wezen; God en mens in enigheid de Persoons.

Bronnen
U ziet in het bovenstaande welk bronnen er werden gebruikt om in het Grieks de christelijk-religieuze woordenschat op te bouwen. Men gebruikt daartoe ekklèsia, een woord uit d Griekse staatsinrichting; christianoi, ee scheldwoord;' ethnè, een vertaald woor uit het Oude Testament (in de taalkund noemt men dit vaak een leenvertaling logos, een term uit de Griekse filosofis sootèr, een „gewoon" woord met ee gunstige gevoelswaarde. (Hier moe men nog bijvoegen de (vrijwel) ongewijzigde ontleningen uit het Hebreeuws Amen, Hosanna, Pascha en Eden...)

Door het gebruik van zulke middele is er een uitgebreide woordenschat on staan ten dienste van de Griekse christc nen. Later werd dit nagevolgd door d Romeinen. Nog weer later hebben andere volken dezelfde methoden aangewend om religieuze woorden te creëren. Dat die dezelfde methoden hebben aangewend — om te beginnen de Romeinen — kan men mooi demonstreren aan de hand van de 5 bovengenoemde woorden.

Ekklèsia werd in het Latijn overgenomen (als ecclesia). Sootèr en Logos werden in het Latijn vertaald (Salvator e Verbum).

Christianoi werd overgenomen (al Christiani). Ethnè (volken, heidenen werd in het Latijn vertaald (door ger tes).

Vergelijken
Op dezelfde wijze, door overname en vertaling, is men ook in andere talen te werk gegaan, bijv. in, het Nederlands. Juist de godsdienstige woorden die ik genomen heb, kunnen we mooi met het Nederlands vergelijken. Wij hebbe (vanuit het Latijn) Woord en Heilam (dit zijn vertalingen); Christenen (ovei genomen als leenwoord). Voor het Latijnse ecclesia (kerk) en gentes (heide nen) hebben we in het Nederlands geei overeenkomstige vormen. Maar wel ii een hele serie andere talen, waaronde het Frans (église, gentils) en het Spaan (iglesia, gentiles).

Het is karakteristiek dat men zich bij het opbouwen van een religieuze woor- denschat baseert vooral op „nobele' woorden: Heiland (heelmeester), in het Latijn Salvator. Vulgaire elementen worden in de religieuze woordenschat bijna niet verwerkt; die worden overgelaten aan andere taalkringen. Want we moeten van geen enkel volk, in geen enkele periode, de vroomheid te hoog aan slaan. Alledaagse en zelfs zeer platte woorden zijn er helaas ook steeds geweest.

Wij nemen, in West-Europa, onze woorden vrijwel steeds over uit het Latijn en bijna nooit onmiddellijk uit het Grieks. Dit is een verschijnsel dat ik de volgende keer wilde bespreken.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1983

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Het ontstaan van christelijke talen (1)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1983

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken