Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het ontstaan van christelijke talen (4)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het ontstaan van christelijke talen (4)

15 minuten leestijd

De Romaanse talen zijn die welke min of meer van het Latijn afgestamd zijn en dus nog heel erg op het Latijn lijken. Die overeenkomst kan men heel goed constateren als men de werkwoordsvormen, speciaal onregelmatige, van de verleden tijd uit het Italiaans, Spaans, Portugees en Frans (liefst Oudfrans) naast elkaar legt. Deze lijken zoveel op elkaar dat ze beslist op een grondvorm terug moeten gaan en die grondvormen blijken de werkwoordsvormen uit het Latijn te zijn.

Op een vergelijkbare manier gaat men tewerk bij het bestuderen van andere taalfamilies. Kenners van het Nederlands of andere Germaanse talen weten dit bij ervaring.

Ook in de woordenschat kan men tussen de talen van dezelfde taalfamilie veel overeenkomst bespeuren. (Het sterkst is dit bij de Slavische talen.) Dit is ook het geval bij de Romaanse talen waarvan de woorden vaak teruggaan op een Latijnse grondvorm. Zo is het Latijnse ripa in het Italiaans ripa gebleven, in het Spaans en Portugees is het riba geworden en in het Frans rive. Eveneens werd het Latijnse filia (dochter) in het Italiaans figlia. in het Spaans hija, in het Portugees fiiha. in het Frans fille en in het Roemeens fiica. Het Latijnse woord luna (maan) is in alle Romaanse talen luna gebleven, behalve in het Frans (lune) en het Portugees (lua). Zo zou men duizenden voorbeelden kunnen geven, want de woordenschat van de Romaanse talen lijkt sterk op die van het Latijn.

Salvator
Dit is ook het geval met godsdienstige woorden. In een vorig artikel heb ik reeds gewezen op twee namen van Christus, het Griekse woord Sootèr (Heiland) dat in het Latijn wordt vertaald door Salvator. Van dit Salvator zijn de Romaanse woorden Salvatore. Salvador en Sauveur afkomstig. De tweede Griekse naam van Christus is Logos (Woord), in het Latijn vertaald door Verbum. Van Verbum komen weer het Franse Verbe en het Italiaanse, Spaanse en Portugese Verbo.

Ook de Romaanse namen van de beide sacramenten komen uit het Latijn. Want het Griekse woord Deipnon (Avondmaal) werd in het latijn vertaald door Ccna (het gewone Latijnse woord voor avondmaaltijd). Dit Latijnse Cena bestaat nog steeds voort, ongewijzigd in het Spaans en Italiaans, als Cènc in het Frans, als Cina in het Roemeens en als Ceia in het Portugees.

Dopen was in het Grieks baptidzoo, d.w.z. indompelen, wassen, wat door het christelijk Latijn ontleend werd als baptizo. Dit bestaat nu nog als baptiser (Frans), battizare (Italiaans), als a boteza in het Roemeens, in het Spaans bautizar én in het Portugees baptizar.

Men ziet hoe nauwkeurig men veel Latijnse woorden in de meeste moderne Romaanse talen terug kan vinden. Het Roemeens vertoont minder overeenkomst: Heiland is in het Roemeens mintuitor en kerk is biserica. Dit laatste woord, biserica, houdt geen verband met het Latijns-Griekse ecclesia, maar met het Griekse woord basilikè, dat wij kennen in de vorm basiliek. Het Roemeens is een taal die zeer veel woorden heeft ontleend, behalve aan het Grieks ook aan het Turks en het Russisch.

Beschaving

De studie van de woorden en hun ontstaan is niet alleen interessant voor taalgeleerden. Die proberen door het maken van veel vergelijkingen zelfs de klankontwikkeling en het verband tussen verschillende talen te ontdekken, tussen de Romaanse talen en het Latijn bijvoorbeeld. Maar ze zijn ook belangrijk voor de geschiedenis van de beschaving. Wanneer we in een (vrij) oud boek een woord zoals sinaasappel of hoepelrok tegenkomen, dan weten we dat we verplaatst worden naar een land en een tijd waarin reeds sinaasappels en hoepelrokken bekend waren. Een mooi voorbeeld hiervan is revolver, een woord van Engelse oorsprong. De eerste grote schrijver die dit woord gebruikt heeft, was Charles Dickens. Dickens was er zich van bewust dat hij een heel nieuw woord gebruikte dat zijn lezers misschien niet begrijpen zouden en schrijft daarom afwisselend revolver en revolving pistel. Nog belangrijker dan sinaasappels, hoepelrokken en revolvers is een woord zoals altaar. Dit is, ook voor de altaren uit christelijke kerken, een zeer oud woord; het komt in de vorm altarium namelijk reeds voor in het Kerklatijn van de 5e eeuw. Dat was in de tijd van Augustinus, veel vroeger dan we als protestanten misschien wel zouden denken. Het woord altarium is uit het Latijn overgegaan naar de Romaanse talen; het is in hef Spaans en Italiaans altar(e) geworden en in het Frans autel. Het is zelfs in de Germaanse talen doorgedrongen, waarschijnlijk in de 7e eeuw of vroeger; vandaar ook ons Nederlandse woord altaar. Kortom, het woord (en dus ook het voorwerp) was reeds vroeg algemeen verbreid. Het was een van oorsprong echt Latijns woord (de heidense Romeinen kenden het ook al) en het was afgeleid van het werkwoord alere, d.w.z. voeden, spijzen.

Prediken

Van echt Latijnse oorsprong is ook ons woord pre(di)ken, met predicatie, preek. Dit woord gaat terug tot het Latijnse praedicare, voorzeggen. Het bestaat zowel in de Romaanse talen (o.a. Italiaans predicare, Frans prêcher), als in de Germaanse (Zweeds predika, Duits predigen). Dit praedicare is een algemeen- christelijk woord geworden, althans in West-Europa. Prediken betekent eigenlijk precies hetzelfde als profeteren. Beide betekenen voorzeggen, maar profeteren- komt via het Latijn uit het Grieks, prediken komt uit het Latijn.

Woorden die op de godsdienst betrekking hebben zijn vaak heel oud en hebben een enorme betekenis voor de cultuurgeschiedenis. Ze vertellen ons over heidendom, bijgeloof en christendom en behoren tot de oudste en daarom tot de interessantste van iedere taal. En omdat ze zo oud zijn, moet men de oorsprong ervan zoeken in het eerste begin van elke taal, soms zelfs in wat daaraan voorafging. Voor de Romaanse talen moeten we dus terug naar het Latijn. Behalve woorden zoals altaar en prediken behoren hiertoe de namen van sacramenten (zie boven), van kerken, kerkgebouwen, ambtsdragers, bijbelboeken, feestdagen, handelingen uit de eredienst, vooral gebeden en liederen. Daarbij komen nog termen die op de vroomheid betrekking hebben zoals liefde en geloof.

Van sommige woorden uit het Vulgair Latijn, senior en fides, valt een speciale betekenisontwikkeling te vermelden: Senior (oudere) kreeg steeds vaker de betekenis Heer(e), ook voor God; fides (vertrouwen) werd de theologische vakterm voor geloof, maar bleef toch ook vertrouwen in gewone zin betekenen. Deze beide betekenissen vindt men ook thans nog in de Romaanse talen terug: fe (Spaans), fede (Italiaans), foi (Frans)T

Spreken
De christelijke invloed heeft ook wel doorgewerkt in termen uit het dagelijkse leven, in een heel gewoon woord zoals het Franse parier en het Italiaanse pariare (spreken). In het Kerklatijn werd dikwijls het woord parabolare gebruikt. In dit werkwoord parabolare zit parabool, parabel, gelijkenis. Het betekent dus letterlijk „in gelijkenissen spreken", een echt kerkwoord dus, zoiets als prediken. Dit parabolare is overgegaan in het Frans en Italiaans, sterk afgekort tot parier en parlare. Parier en pasklare zijn nu ieder het gewone woord voor spreken, maar zij komen uit de kerktaal.

Onder bijbelse invloed hadden de Griekse christenen aan de zaterdag de naam Sabbaton (soms Sambaton) gegeven, de Romeinse Sambatum of Sabbatum. (Dit waren namen voor de zaterdag, niet voor de zondag) Sambatum zit in het Franse samedi en het Roemeense simbata. Sabbatum (zonder m) is nog duidelijker vertegenwoordigd. Daarvan is in het Italiaans, Spaans en Portugees sabato gekomen.

In de Griekse Bijbel vinden wc in Openb. 1: 10 de term hèmcra kuriakè (Dag des Heeren). In het Latijn, d.w.z. in de westerse kerk en in de Vulgata, werd dit vertaald met Dominicus Dies. In het Italiaans leeft dit voort.als domenica, in het Spaans en Portugees als domingo, in het Frans als dimanche en in het Roemeens als dumineca.

Ontbijten
Ook een werkwoord zoals het Franse déjcuner (ontbijten) komt uit de religieuze sfeer. Dit is afgeleid van jeüner (vasten). Déjeuncr betekent dus ophouden met -vasten, de eerste maaltijd van de dag gebruiken. Dezelfde gedachte zit in het Engels to breakfast (letterlijk breken met vasten). Dejeuner is ook verkort tot diner, een woord dat we overgenomen hebben in de vormen dineren en diner. De Fransen hebben in de loop van de geschiedenis met diner beurtelings het middag- of het avondmaal aangeduid. Maar diner en dejeuner blijven in oorsprong op het religieus gebruik.van het vasten gebaseerd, evenals in het Engels to breakfast.

Er zijn, behalve godsdienstige, ook veel alledaagse invloeden geweest op de Romaanse talen, al te beginnen bij het Vulgair Latijn. Het Franse manger (eten) bijvoorbeeld komt af van het Latijnse manducare; dit betekende zoveel als k(n)auwen, vermoedelijk een soldatenwoord. En het Franse woord voor hoofd (in de letterlijke zin) had eigenlijk chef moeten zijn. Maar nu heet het hoofd van een mens in het Frans tcte; dit komt af van een Latijns woord dat test, stoofje betekent. Ook dit lijkt wel een vrij ruw soldatenwoord.

Terug tot Latijn
De inhoud van bovenstaande uiteenzetting is van groot belang voor de studie van de Romaanse talen, speciaal voor de etymologie. Want als etymologische woordenboeken voor het Frans of een van de andere Romaanse talen uit moeten leggen waar het Franse lune (maan) vandaan komt, of het Portugese lua, dan kunnen ze direct naar het Latijnse luna verwijzen, dat uitstekend bekend is uit de talloze Latijnse geschriften die bewaard gebleven zijn. Dikwijls moeten er vervolgens nog enkele merkwaardigheden vermeld worden over vorm- of betekenisontwikkeling, maar daarna is do kous af, want waar dit Latijnse woord op zijn beurt weer vandaan komt, onderzoeken ze verder niet. Het is dus een tamelijk gemakkelijke werkwijze met veel zekerheid. Er moet alleen een oorsprong elders gezocht worden bij woorden die uit niet-Latijnsc bron afkomstig zijn, bijvoorbeeld het Arabisch, het Nederlands, het Engels of een Indianentaal.

De etymologische woordenboeken voor de Germaanse talen (Nederlands. Duits, Engels) daarentegen moeten werken zonder zo"n prachtige bron als het Latijn. Waar woorden zoals hand, zee en schip vandaan komen, daarover bestaan wel vermoedens maar geen zekerheid. Zij gaan dan zoeken in oude talen, bijvoorbeeld het Gotisch, waarin zeer weinig literatuur te vinden is en proberen dan zelfs met geleerde, altijd ietwat onzeker combinaties op te klimmen tot talen zoals het Gemeengcrmaans of het Indo-Europees, waarvan helemaal geen teksten zijn overgebleven.

De etymologen voor de Romaanse talen gaan echter in het algemeen niet verder terug dan het grondwoord uit het latijn. Wie weten wil waar dit Latijnse woord vandaan gekomen is, moet in een etymologisch woordenboek voor het Latijn zoeken.

Grieks
Maar bij de religieuze woorden uit de Romaanse talen wordt echter dikwijls van die regel afgeweken dat men niet verder dan het Latijn terug moet zoeken. Dat is bij godsdienstige woorden zoals het Franse catholique, évangile en bible. Ook die komen uit het Latijn, maar de etymologische woordenboeken geven er in de regel ook bij aan dat ze oorspronkelijk uit het Grieks kwamen en welke vorm ze hadden in het Grieks. Zo kunnen we dikwijls in deze woordenboeken nauwkeurig nagaan waar de Europese religieuze termen vandaan komen. Die kwamen vaak uit het Grieks, werden daarna Latijn en zijn bijna alle in de Romaanse talen bewaard gebleven. Van Griekenland zijn ze dus naar Rome gegaan en daarna naar West-Europa. Langs deze weg is het christendom, met de daaarop betrekking hebbende woorden, in ons werelddeel doorgedrongen.

Dikwijls zijn zulke religieuze woorden, zoals psalm en apostel, behalve door de Romaanse ook door de Germaanse talen overgenomen. Maar dat is geen stof meer voor deze keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 mei 1983

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Het ontstaan van christelijke talen (4)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 mei 1983

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken